Samenkomen

Kerkdienst als ankerpunt
Kerken zijn zomaar gericht op de samenkomst op zondag. Daar is niks mis mee, want daar gebeurt iets moois. Het lichaam van Christus komt daar samen, het Woord wordt gebracht, de lofzang klinkt en doop en avondmaal worden daar gevierd. Kerk en wereld ontmoeten hier elkaar, in de gemeente die in de wereld leeft en deze meebrengt in de ontmoeting met God in de samenkomst. Gasten onderstrepen dit. En opgebouwd en geïnspireerd door de Heer van de kerk gaan de bezoekers van de diensten de wereld weer in. Hier werkt de Geest. Toch is de kerkdienst als ankerpunt van de christelijke gemeenschap een vorm die zichzelf zomaar verzwakt.

Verzwakt
Dat gebeurt wanneer de samenkomst hèt ontmoetingsmoment wordt van de kerk van Christus. Dat vindt plaats als, kort gezegd, de gemeente er vanuit gaat dat aanwezigheid in de samenkomst hoort en afwezigheid niet hoort; als opzoeken van gemeenteleden die niet komen in het teken staat van ‘terughalen naar de kerkdienst’. De kerkdienst als ankerpunt van de christelijke gemeenschap wordt helemaal verzwakt, wanneer de omgang door de week met broers en zussen in Christus achterwege blijft als deze niet komen in de kerkdienst. Of overgelaten aan ambtsdragers, soms met het motief dat we niks hebben met degenen die we (vaak al een poosje) niet meer zien.

Wat in de bovenstaande gedragslijn namelijk opvalt is dat de christelijke gemeenschap samenvalt met ‘naar de kerkdienst komen’. Daarmee wordt de kerkdienst zelf verzwakt, omdat de denkrichting is: de gemeente hoort hier samen te komen, dit is de plek van samenkomen. Verzuimd wordt om de andere kant op te denken: de gemeente hoort ook bij degenen die niet meer komen en dus moeten we de dienst uit en de ander opzoeken. Samenkomen is niet iets van de zondag alleen, het is iets dat christenen typeert op elke dag van de week.

Ik wil niks afdoen aan het belang van de ambtelijk gestructureerde ontmoeting tussen gemeente en God. Samenkomsten waar mensen samenkomen onder leiding van mensen die de gemeente heeft aangesteld om haar te leiden, mensen die ook door God tot die taak zijn geroepen, die zijn gewichtig. Daar mag je veel van verwachten, omdat God zich ook via deze geroepen mensen verbindt aan de gemeente. Het is dan ook te snappen als er een gevoel van gemis is bij de gemeente die samenkomt, als anderen wegblijven. Maar een gemeente die haar leden laat lopen in de wereld en ze niet meer zoekt, begrijpt haar verantwoordelijkheid niet voor haar leden. Een gemeente die haar leden opzoekt met het oog op hun terugkeer naar de kerkdienst, verzuimt te bedenken dat de Heer van de kerk het verlorene zoekt en blij is als Hij het vindt (Lucas 15,1-10: niet het terugbrengen staat centraal, maar het vinden). De kerk is daar waar je je als gelovige bevindt (vergelijk het spreken van Paulus over de individu en de gemeente als tempel van de Heilige Geest in de brief aan de Korintiërs, I Korinte 3,16 en 6,19). Waar ik een broer of zus door de week opzoek, daar is Christus in ons midden en daar is dan ook de kerk. Het is mooi om degene die je bezoekt, daarvan op de hoogte te stellen. Verder moet er vooralsnog even helemaal niks. Geen agenda ‘kerkgang’ alstublieft, maar ter plekke de kerk vieren.

Aanhaken
Waarom is dit belangrijk? Omdat de broer en zus die de kerkdienst niet meer bezoeken, daar kennelijk geen boodschap meer aan hebben. Dat kun je erg vinden, maar dat oordeel zit me zomaar in de weg om te laten gebeuren wat ik kom doen bij die ander: kerk-zijn vieren. Hen terug willen halen, is hetzelfde als investeren in wat als irrelevant of als obstakel wordt ervaren door die broer en zus. Dat gaat ‘m niet worden. Stoppen met terugroepen naar de kerk is natuurlijk niet hetzelfde als meedoen met de ander en suggereren dat de kerkdienst eigenlijk onbelangrijk is. Maar het is wel aanhaken bij die ander. En waar je de ander eraan herinnert dat jij-bij-hem-en/of-haar ook kerk-zijn is, is evangelie. Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan.

Mini-liturgie
Een goede vriendin van mij heeft voor het pastoraat mini-liturgietjes gemaakt. In de sfeer van Bid, Luister, Leef, met een lied, een lezing, een stilte, een gedicht en een zegen. Zieken en aan huis gebonden gemeenteleden vinden het prachtig: je brengt de kerk aan huis in je aandacht en meeleven, maar ook in een korte liturgie. Dat zou iedereen op zak moeten hebben, ook als je op bezoek gaat bij mensen die de kerkdiensten om wat voor reden dan ook mijden. Als het kan, samen bidden, luisteren, zingen. En van opdringen van zo’n gezamenlijk liturgisch moment kan natuurlijk geen sprake zijn.

Mogelijk heeft dit zijn weerslag op de mensen die je bezoekt en komen ze ook weer in de kerkdienst. Mogelijk ook niet. Maar de kerk is zo tenminste volop en krachtig aanwezig bij diegenen die zomaar van de gemeenschap vervreemden. De wekelijkse samenkomst wordt niet verzwakt, maar krijgt zijn uitlopers in de week. En iedereen kan dit doen.

Hebreeën 10: samenkomsten
Hebreeën 10 is vanouds een tekst die gaat over samenkomen. Vaak is deze tekst gelezen als woord om mensen van het belang van de kerkdienst te doordringen. Verzuimen is wat wordt verboden. In de Hebreeënbrief staat (10,24-25): ‘Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen.’ Het is heel duidelijk hoe belangrijk de schrijver samenkomen (enkelvoud in het grieks) vindt. Het is meteen duidelijk dat wegblijvers het belang van samenkomen niet onderkennen!
Maar het Griekse woord voor ‘samenkomsten’ is niet zomaar te vereenzelvigen met onze samenkomsten. Je kunt goed zien dat het woord ‘samenkomen’ wordt gekwalificeerd door wat er in zo’n samenkomst gebeurt: bemoedigen, aanvuren om lief te hebben en goed te doen, opmerkzaam blijven, zoals vers 24 zegt. Die woorden vallen op hun plek als je het woord ‘samenkomen’ beter begrijpt. Van Bruggen schrijft er over in het commentaar van H.R. van de Kamp, Hebreeën. Geloven is volhouden, CNT, 3, 2010:
‘Het betekent ‘bijeenvergadering’ of ‘samenbrenging’. Een hele stad kan zijn ‘samengedromd’ op het plein (Mc. 1,33), een duizendkoppige gemeente kan ‘samenstromen’ (Lc. 12,1), gieren ‘komen met elkaar af’ op een lijk (Lc. 17,37) en een kip brengt haar kuikens bijeen onder haar vleugels (Mt. 23,37). Het werkwoord episunagein is dan heel geschikt als aanduiding voor de uiteindelijke bijeenvergadering van alle gelovigen vanaf de vier windstreken (Mt. 24,31). (…) Dit woord wordt nergens gebruikt voor repeterende vergaderingen of bijeenkomsten. Er is dan ook aanleiding om Heb. 10,25 iets specifieker op te vatten.’
Bijeenkomen hier is dus gericht op elkaar meenemen op weg naar Gods reddende en oordelende ingrijpen. Dat bevat meer momenten dan alleen de bijeenkomsten op zondag, maar ook het elkaar opzoeken, met elkaar optrekken, vanuit deze grote drijfveer: blijf gefocused op je redding!

Advertenties

Kinderen en avondmaal

Peter Sinia promoveerde onlangs (20 april 2018) op het onderwerp kindercommunie. Hij studeerde 7 jaar en schreef From the least to the greatest. Children at the Lord’s Supper. Paedocommunion in the Dutch Reformed Tradition. Peter Sinia zou graag ruimte zien voor kinderen aan het avondmaal (Kuijper, ND 20/4). Zelf ben ik jaren bezig geweest met dit thema, maar heb mijn voorbereidingen voor een promotiestudie afgebroken om verschillende redenen. Nu het boek van Peter er ligt, verschijnen ook de eerste reacties.

Geen avondmaal zonder bekering, reageerde Arnold Huijgen (Huijgen, ND 25/4). Wel zegt hij dat catechisatie eerder kan beginnen, zodat kinderen jonger belijdenis kunnen doen en aan het avondmaal mogen. Maar wat is het doel van catechisatie? Wat gebeurt er in het sacrament en wat betekent het om kerk te zijn, met de kinderen erbij?

1. Catechisatie is je doop leren begrijpen.
Catechisatie zou vanuit liturgisch oogpunt onderwijs moeten zijn dat helpt om je doop te gaan begrijpen. Zo beloven ouders bij de doop van hun kinderen dat ze hun kinderen onderwijzen en door de kerkgemeenschap laten onderwijzen. Dat betekent dat catechisatie niet is gericht op wat nog moet gebeuren (tot persoonlijk geloof komen), maar op wat er met de dopeling is gebeurd. Concreet betekent dit, dat de dopeling zou moeten horen dat hij door God op zijn weg is geplaatst vanaf zijn eerste levensbegin. Dooponderricht onthult de werkelijkheid van de gedoopte en plaatst dat in het kader van de leer van het Oude en Nieuwe Testament, zoals de doopouders bij de doop belijden. De Vader beschermt, de Zoon verlost, de Geest eigent die verlossing toe. De ware en volkomen leer van de verlossing gaat over de verlossing waar de gedoopte in ondergedompeld is. Daarmee bedoelt de gereformeerde theologie geen verbondsautomatisme te verwoorden, maar wel de werkzame kracht van God die kenbaar wordt gemaakt bij de bediening van de doop.

De vragen die aan doopouders worden voorgelegd bij de doop van hun kindje, zijn de volgende. Ik gebruik hier de vragen uit de formulieren van de GKv.

Erkent u dat N.N. zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets
goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn, maar dat
hij toch in Christus voor God heilig is en daarom als lid van zijn gemeente
behoort gedoopt te zijn?
Belijdt u dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament die in de Apostolische
Geloofsbelijdenis samengevat is en in deze gemeente verkondigd wordt, de
ware en volkomen leer van zijn redding is?
Belooft u dat u uw zoon/dochter zult voorgaan in een christelijke manier van
leven en hem zo goed mogelijk zult onderwijzen en laten onderwijzen om hem
te leren begrijpen wat het betekent dat hij gedoopt is?

2. Het sacrament onderwijst zelf.
Bovenstaande laat zien dat God door het sacrament heen werkt. Hij laat de kinderen van de kerk leven uit genade. Ze mogen dat als een werkzame werkelijkheid ontdekken in de loop van hun leven. Hun ja op God, als ze dat geven, is een ja in tweede instantie. Het eerste ja is Gods belofte en bewerkt en draagt het tweede. Waar dat bij de doop zo is, is er bij het avondmaal geen reden om te veronderstellen dat het bij dit sacrament ineens een doel is geworden waaraan je deel krijgt na persoonlijk geloof te hebben beleden. Temeer omdat het in de kern van beide sacramenten gaat om dezelfde dingen. Een verschil tussen doop en avondmaal is dat in de doop God handelt aan de mens en dat in het avondmaal de gemeente de handelende persoon is (Schee, v.d.). Maar het is, lijkt me, niet aan de gemeente gegeven om bij het avondmaal anders dan God zelf om te gaan met zijn genade.

Dit is meer dan een gedachte per consequentie, het is ook aanwijsbaar in de schrift zelf. In het Oude Testament was het Pascha de maaltijd waaraan de kinderen deelnamen en zo kwamen tot gedenken van God die zijn volk uitleidde uit Egypte. Jezus gebruikt het avondmaal bij de eerste viering net zo. Leerlingen willen geen lijdende en stervende Christus, al erkennen ze Hem als Messias. Toch viert Jezus deze maaltijd met hen. Pas vlak voor zijn heengaan naar de Vader, opent Jezus het verstand van de leerlingen, opdat ze gaan begrijpen hoe de schrift spreekt over Jezus.

3. Zelfonderzoek is gericht op vieren met de gemeente.
Zelfbeproeving bevat in de gereformeerde avondmaalsformulieren een ongemakkelijke eenzijdigheid. Namelijk haar gerichtheid op het ‘ik’. De gemeente komt in de zelfbeproeving niet of nauwelijks aan bod, terwijl de zelfbeproeving van Paulus in I Korinte 11 juist gericht is op de verbinding met de gemeente. Het is belangrijk om dit ruime aandacht te geven. Zelfbeproeving leidt tot geloven in verbondenheid met de gemeenschap. Dit raakt onze voorstelling van de gemeente en onze verbinding met de gedoopten bij het avondmaal. We worden gedoopt tot één lichaam en we worden gevoed tot één lichaam. Wie stelt dat Paulus in I Korinte 12,13 zegt dat gedoopten in de Geest één lichaam zijn, kan niet eenvoudig zeggen met I Korinte 10,17 dat zij die van het brood eten, één lichaam vormen, en daarbij beweren dat de kinderen niet mogen deelnemen. Terwijl juist het eten en drinken maken dat je bij het ene lichaam hoort. Er zit in de gereformeerde liturgie een ongemakkelijke spanning bij het weghouden van de kinderen van de kerk bij de viering van het avondmaal. Juist het belijdende lid zou door de zelfbeproeving moeten uitkomen bij het omarmen van andere belijdende èn niet-belijdende leden van het lichaam.

4. Het avondmaal alleen voor wedergeborenen?
In de confessies (NGB art. 35 [NGB], HC v/a 81 [HC]) krijgen de wedergeborenen en de gelovigen hun tegenhanger in de goddelozen en de huichelaars. Kinderen van gelovigen krijgen in HC 27 een plaats binnen de gemeente. Ze moeten ‘bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden’. Daarmee horen de kinderen van de kerk in ieder geval niet tot de contrastgroep van de wedergeborenen en de gelovigen in de confessies: het zijn geen goddelozen en huichelaars. Ze horen nadrukkelijk bij de kerk. DL I.17 (DL) spreekt in verband met jong gestorven kinderen zelfs over hun uitverkoren zijn vanwege het genadeverbond. Hoe intens verdrietig de situatie ook is waarover de Dordtse Leerregels spreken, is deze belijdenis van geloof te beperken tot jong gestorven kinderen of zegt het iets over hoe we in de kerk naar de allerkleinsten kijken? Hier blijkt toch de zeggingskracht van het verbond voor de kinderen van de kerk, verwoord in dankbare verwondering? Ik weet dat kleine kinderen gebracht moeten worden door kerkelijk onderwijs tot persoonlijk geloof. Maar de kerk is intussen bepaald niet zuinig of terughoudend in te benoemen hoe ze naar haar gedoopte kinderen kijkt.
Er zijn goede redenen voor de stelling dat over kind en avondmaal confessioneel niets wordt beweerd. Een andere vraag is hoe onze manier van avondmaal vieren past bij de rest van de kerkelijke praktijk. Vraag & antwoord 117 van de Heidelbergse Catechismus gaat over bidden. Wat daar beweerd wordt over een gebed dat voor God aangenaam is, gaat over een wedergeboren bidder.

HC 45, v/a 117

Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?

Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden. Ten tweede dat wij onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen. Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Er is geen ouder die tegen zijn kind zegt: eerst zelf tot geloof komen, dan mag je pas bidden. Nog een illustratie: onze liturgische praktijk zegt bij het uitspreken of zingen van de geloofsbelijdenis in de dienst niet tegen de kinderen: hou je maar stil, want je weet nog niet goed wat de kerk hier in geloof belijdt. De gemeente belijdt, gelovig en lerend, en kinderen doen mee als leden van het ene lichaam. Je ziet dat waar de confessie en de liturgie de toonhoogte treffen van de wedergeboren christen, de kerk er zomaar de kinderen mee laat oefenen. De kinderen verkondigen op die momenten van de liturgie vrijuit het evangelie mee met de rest van de gemeente. Zou er in het verlengde van deze plaats van de kinderen in de confessie en de liturgie, geen ruimte zijn voor aangaande kinderen aan het avondmaal?

Het zou wat waard zijn als de vraag wordt beantwoord of de verbleekte relatie tussen kinderdoop en avondmaal niet een oorzaak is van het uitblijven van openbare geloofsbelijdenis in onze tijd. En oog hebben voor hoe we in de kerk leren, kan een ontspannen omgang met deze vraag opleveren.

Deze blog is in iets verkorte vorm ook gepubliceerd in het Nederlands Dagblad (Roth ND 11/5).

Promotie

 

 

Zegenend leven

Onlangs las ik het boekje ‘”Nou, het beste…”. Over zegenen gesproken’ van André de Haan (6e druk, 2008). Het gaf me een beeld bij ‘zegenend leven’. Zegenend leven is belangrijk, omdat de volgelingen van Jezus samen een koninkrijk van priesters vormen (1 Petrus 2,5 en 9), en priesters zegenen (I Petrus 3,9). Tenminste, dat doen ze onder andere. Ze bidden ook, ze onderwijzen en ze offeren. Maar in dit blog ga ik het hebben over zegenen. Zegenend leven. Wie niet zegenend leeft, onthoudt zichzelf veel.

Roeping

Het valt meteen op dat Petrus het heeft over ‘roeping’. Volgelingen van Jezus zijn geroepen om te zegenen. Wat is dat woord ‘roeping’ voor een woord? We kennen het uit onze eigen taal: wie geroepen wordt (aan tafel om te eten bijvoorbeeld), wordt geacht om te komen. Als iemand ‘een roeping’ heeft, dan heeft iemand een sterke overtuiging om iets wel of juist niet te gaan doen. Iemand roepen betekent dat er een soort verwachting wordt duidelijk gemaakt: de persoon die roept wil graag dat je gaat doen wat gevraagd wordt. Zo zie je het in de bijbel ook terug. In I Petrus 2,21 kom je het tegen als Petrus zich richt tot de slaven, die geregeld onverdiend leed moeten verdragen (vers 19). ‘Dit is uw roeping: ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam (vers 21-22). Ook in I Petrus 5,10 kom je het tegen. Dan gaat het over waakzaamheid in de strijd tegen de duivel die als een brullende leeuw rond gaat. Daar kun je van schrikken en je kunt er bang van worden. Maar Petrus zegt dan: ‘Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, heeft u geroepen om in Christus Jezus deel te krijgen aan zijn luister. God zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet meer zult wankelen’ (vers 10). Tenslotte een voorbeeld uit de brief van Paulus aan de Romeinen (Romeinen 8,30). Paulus schrijft daar: ‘Wie hij hiertoe heeft bestemd, heeft hij ook geroepen; en wie hij heeft geroepen, heeft hij ook vrijgesproken; en wie hij heeft vrijgesproken, heeft hij nu al laten delen in zijn luister’ (vers 30).

In alle gebruik van het woord ‘roeping’ zit dit patroon: wat gevraagd wordt, wordt niet vrijblijvend gevraagd. Als God ons roept, wil Hij dat die roeping in ons leven werkelijkheid wordt. In I Petrus is het gelinkt aan de navolging van Christus, in hst. 2,21: beantwoord geen kwaad met kwaad, is daar de boodschap, in navolging van Christus. I Petrus 3,9 heeft precies dezelfde structuur als 2,21 en het heeft ook de setting van vijandschap en bedreiging (zie onder). Zo gelezen wordt I Petrus 3,9 op dat punt helder. ‘zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen.’ God wil in het leven van zijn kinderen zien, dat zij zegenend leven, voor hun eigen bestwil. Zo deed Christus het ook (Lucas 6,27-28). Van Houwelingen zegt het zo in zijn commentaar (I Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, CNT-3, 1991, Kok Kampen: ‘Zo geldt voor allen dat wie Christus kent ook de roeping heeft om te zegenen; alleen in die weg zal men Gods zegen erven. Wie gezegend wil worden, moet zelf gezegend hebben.’).

In vers 8 en 9 hoor je het rommelen achter de aansporingen: ‘Tot slot vraag ik u: wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn. Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug.’ Petrus vind het nodig om die aansporingen te doen. Want achter de tekst kun je vermoeden wat er aan de hand is: groepsvorming, verdeeldheid, gebrek aan liefde, hoogmoed, je rekening vereffenen met iemand, terugschelden, hoe makkelijk doe je dat niet? Maar je roeping is anders, schrijft Petrus: zegen juist. Dat wil God zien. Geroepen ben je om te zegenen. Met de brief van Petrus voor ogen, maar ook andere teksten die gaan over zegenen (Lucas 6,27-28; Jakobus 3,9.10; Spreuken 11,25 [NBG]), is deze roeping gericht tot alle gelovigen.

In het begin: zegen verspreidt wat goed is

Zegenen komen we al vroeg in de bijbel tegen, al in Genesis 1. God maakt de dieren en de mensen en wat Hij maakt is goed. Dat is opvallend. Wat al goed is, wordt alsnog gezegend. In Genesis heeft dat te maken met verspreiding, vruchtbaarheid. God wil graag dat het goede dat Hij aan ons geeft, zich verspreidt. Zijn zegen markeert dat. In de context van Genesis mag je dat sterker zeggen. Spreken heeft in Genesis 1 scheppende kracht. Het woord van God richt iets uit, de schepping krijgt vorm! Het is wat Gods spreken doet: de daad bij het woord voegen. Zo is het Woord van God Woord. Het keert nooit vruchteloos terug, zegt Jesaja later (Jesaja 55,11). Zegenen heeft daarom ook de kracht van vruchtdragen in zich.

Na de zondeval: Gods zegen blijft

De zondeval doet niet af aan de zegen die God over de aarde wil brengen. Abraham zal een zegen zijn voor de volken (Genesis 12). Het volk Israël is een koninkrijk van priesters (Exodus 19,4-6) en juist de priesters zijn zegenend aanwezig (Numeri 6). Ook in het nieuwe testament is de gemeente een koninkrijk van priesters of een heilige priesterschap (I Petrus 2,4-5.9) en geroepen om te zegenen (I Petrus 3,9). In de zegen hoor je wel dat er iets is gebeurd. De zegen in Numeri spreekt over het aangezicht van God dat lichtend gewend is naar zijn volk, het spreekt over bescherming, genade en vrede. Het laat iets zien van spanning tussen God en mensen, alsof het niet vanzelfsprekend is dat God zich met zijn volk bemoeit, of dat de mensen zelf het steeds nodig hebben om te horen dat God zich met hen blijft bemoeien. Achter bescherming gaat dreiging schuil, achter vrede onvrede, achter genade gaat schuld schuil. Alledrie worden met Gods lichtend aangezicht tegemoet getreden. Dat is bijzonder, want in Gods heerlijkheid kan geen mens overeind blijven. Toch zegt God het tegen zijn volk: Ik ben er en Ik blijf, beschermend ben ik om jullie heen, met vrede voor jullie en genade. Gods zegen blijft en het herschept ons. Zijn woord is immers nooit alleen maar woord, maar scheppend woord, zijn daad bij zijn woord.

In Gods’ Naam – de meerdere zegent de mindere

Zegenen doe je in Gods Naam. Dat is af te leiden uit Numeri 6,27. Het lijkt wel een soort keurmerk. Je hoort er aan dat degene die zegent, God zelf is. Hij zegent graag. Je zou in Numeri 6 nog kunnen denken, als je het Nederlands leest, dat het afwachten is of God wel of niet zegenen zal. Maar dat is niet waar. Wat er staat in vers 27 is heel duidelijk: God zal zegenen als zijn Naam uitgesproken wordt over zijn volk. Soms kom ik mensen tegen die het spannend vinden om te zegenen. Het is zolang iets geweest van de predikant! En mag ik het nu dan zelf doen? Er is veel schroom. Die wordt nog groter als mensen in Naam van God mogen zegenen. Zelf zeg ik dan: stel je voor dat je Gods Naam niet noemt en zegent. Dan kunnen mensen denken dat jouw woorden kracht hebben en dat is niet zo. Gods woorden hebben kracht. Laat het een eer zijn om de bron van al het goede zonder schroom te noemen. Aan God alle eer.

Dit inzicht kan ook helpen bij het beantwoorden van de vraag die gesteld wordt bij Hebreeën 7,7. Het staat buiten kijf dat de meerdere de mindere zegent, staat daar te lezen. Mensen gebruiken dat woord dan om te zeggen: wie ben ik dan om anderen te zegenen? Allereerst, als je zoiets zegt en wilt vasthouden, zijn er talloze mogelijkheden om te zegenen. Ouders kunnen hun kinderen zegenen, leraren hun leerlingen, een koning zijn onderdanen. Maar ook moeten we willen nadenken over de zegenpraktijk in de tijd van de bijbel. Er zijn veel teksten aan te wijzen, waarin de mindere de meerdere zegent. De werknemers van Boaz zegenen hun werkgever. In Spreuken 11,25 is er sprake van een gulle gever, iemand die anderen zegent, waarbij niet helder wordt gemaakt of het een meerdere is of een mindere. De woorden waarmee we in het nieuwe testament opgeroepen worden om onze vijanden te zegenen, staan niet in het kader van meer of minder. Ook in I Petrus 3,9 is dat bijvoorbeeld helemaal niet het geval. Ik vind het een moeilijk woord, dat ik in het geheel van het bijbelse spreken over zegenen niet goed kan plaatsen. Het gaat me veel te ver om te zeggen dat je ambtsdrager moet zijn om te mogen zegenen. Daar geeft de bijbel geen enkele grond voor, integendeel. Zegenen in de bijbel hoort bij het leven van alledag, zoals wij elkaar gedag zeggen. Ook kan gezegd worden, dat wie zegent, dat doet in Gods Naam. God is degene die zegent. Zo bezien zegent de meerdere altijd. Ik vind echter dat ik daarmee geen recht doe aan wat er in Hebreeën staat. Daar gaat het namelijk om het aan te tonen gezag van Melchisedek, de meerdere van Abraham. Hopelijk krijg ik over Hebreeën meer helderheid.

Vice versa

Zegenen is prachtig, omdat de zegen die je uitspreekt over de ander ook afstraalt op degene die zegent. Het is vaak zichtbaar hoe de ander geniet van de zegen. Alleen dat al is een prachtig geschenk voor degene die zegent! In I Petrus 3,9 staat het alsvolgt: ‘zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen’. Je ziet hier goed het wederkerige karakter van zegenen: degene die zegent, deelt in de zegen. In Spreuken 11,25 wordt het ook gezegd: wie zegent, deelt in de zegen in dit leven (‘De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt, wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.’). Zoals ik al eerder zei: anderen zegenen doe je voor je eigen bestwil.

Is bidden niet genoeg?

Is bidden niet genoeg? Bidden is spreken namens jezelf of namens andere mensen tot God. Zegenen is spreken namens God tot je medemens. Beide horen ze bij je priestertaak. Vergelijk het met een kerkdienst, waar wel gebeden wordt, maar de zegen aan het einde achterwege blijft. Dat zou niet fijn voelen. Wel spreken tot God, maar zijn zegen niet ontvangen? Dat is te weinig.

Zegenen

Je kunt toch ook zeggen dat zegenen ‘op een bepaalde manier’ een vorm van bidden is. Dat heb ik eerder niet zo gezien en er dus ook wel eens te stellig stelling tegen genomen. Maar Wolter Rose, docent Oude Testament aan de Theologische Universiteit, werkt dat enigszins uit (Wolter Rose, zegenen). Zelf blijf ik altijd dicht in de buurt van de zegen uit Numeri. Ik zegen met Gods goedheid, genade, vrede en heelheid. Heelheid met God, mijn naasten, de schepping, rust in soms moeilijke omstandigheden. Altijd zegen ik in de Naam van God. Zou ik zijn naam niet vermelden, dan zou de gezegende kunnen denken dat ik degene ben die zegent. Dat is nooit het geval (Numeri 6,27). Soms vergeet ik het onderscheid te maken tussen de aanvoegende wijs (de Heer zegene). Toch is het goed om dat onderscheid wel te gebruiken. Het heeft niets te maken met dat het onzeker is of God je wel of niet zegent. Het houdt wel helder dat niet degene die zegent een zegen geeft, maar God.

Wanneer zegen je?

Ik zou bijna zeggen: wanneer zegen je niet? Soms hoor ik mensen zeggen dat je vooral zegenen kunt in situaties van ernstige problemen, een ziekbed of een psychische ziekte. Dat zijn situaties waarin je zeker zegenen kunt. Maar daartoe is zegenen niet te beperken! Zegenen blijkt een goed middel tegen situaties van onmin, onenigheid en wrijving. I Petrus 3,8 en 9 laten dat goed zien. Ook de oproep om je vijanden te zegenen, onderstreept dat. Zie ik op tegen een gesprek, dan zegen ik dat gesprek op voorhand. Merk ik wrevel bij een ander ten opzichte van mij, dan zegen ik hem of haar. En als ik die wrevel voel, dan zegen ik mijzelf of vraag ik om een zegen. Het haalt geregeld de angel uit het gesprek, het stemt mij mild en hoopvol. Het doet gewoon goed.

Verder kun je zegenen in de kerkdienst, of thuis je man, je vrouw, je kinderen. En niet te vergeten je vrienden en je buurt. En vergeet je werk en je collega’s niet. Ik zegen niet alleen als er ruzie dreigt of is. Ook als de kinderen naar school gaan, of als ze naar bed gaan. Soms als ze al slapen, maar vooral als ze wakker zijn. Soms hoor ik dan: ‘je hebt mij nog niet gezegend…’.

Voor in de liturgie: Zegenlied

De liefde laat geen ruimte voor angst

Gesprek

Ik heb wel eens een gesprek gehad met iemand die aangaf dat liefde geen ruimte liet voor angst. Toen ging het over bang zijn om te sterven. Dat vond ik maar een lastig gesprek. Jezus was immers ook bang voor zijn weg van lijden en sterven. In Gethsemane blijkt dat overduidelijk. Daar bidt Jezus tot God of zijn lijden van Hem kon worden weggenomen en Hij transpireert als iemand die intens angstig is. Jezus wist dat Hij weer zou opstaan en zou worden verheerlijkt bij God. Toch was Hij bang om te sterven. Liefde laat geen ruimte voor angst. Dat moet je goed lezen in de context van de eerste Johannesbrief (I Johannes 4). Ik maakte in dat gesprek het onderscheid tussen aan de ene kant zonder angst uitzien om bij God te zijn, en aan de andere kant bang te zijn voor het stervensproces, de aftakeling en de pijn. Maar ik herinner mij de ander als iemand die daar niet zoveel ruimte voor had. Ik heb het idee dat twee dingen dan door elkaar heenlopen: aan de ene kant de normale angst die waarschuwt tegen pijn. Je moet er niet op hopen dat je dat kwijt raakt. Mensen die lepra hebben, hebben die prikkel verloren en het resultaat is verschrikkelijk (zie Philip Yancey, Waar is God als ik pijn heb?, vierde druk, 2008, Kok Kampen). Aan de andere kant de angst die verlamt en wanhopig maakt. Angst die je de regie om zelfstandig te reageren ontneemt. Die angst hoeft zich geen meester van je te maken. Ik ben niet bang om te sterven, ik kom bij God en daar verlang ik naar. Maar ik kan heel goed snappen dat mensen het stervensproces met angst tegemoet zien.

martin_luther_king_jr_quote

Martin Luther King

Op de dag dat ik dit blog schrijf is het vijftig jaar geleden dat Martin Luther King werd vermoord. Predikant en voorvechter van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Ik lees in deze maanden de trilogie van Ken Follett en  ben in het derde deel, Kou uit het Oosten, bezig. Net in dat deel waar King zijn rede houdt, I have a dream. Fascinerend is dat moment in de geschiedenis geweest. Vandaag heb ik dus de Trouw gekocht, met in de bijlage, de Verdieping, een sterk ingekorte en bewerkte preek van Martin Luther King en wat achtergrondinformatie over deze man. Vandaag eer ik deze inspirerende predikant. In de preek die in Trouw staat, blijkt een man aan het woord die kan schilderen met woorden en ergens hoor je het ritme van de bruine bariton van deze zwarte predikant zelfs in de Nederlandse vertaling terug. Hij neemt je mee en laat je delen in zijn vergezichten, die hij laat opkomen uit het verhaal van verlossing van het Oude en Nieuwe Testament. Zijn preek gaat ook over angst en wat er tegen te doen is. Hij deelt de preek in vieren in. Angst hoort bij mensen, het waarschuwt en maakt creatief. Dat is een prima eigenschap van mensen. Dat stelt hij als eerste. Zie je angsten onder ogen en kijk er niet van weg. Geregeld is je angst om te lachen als je hem in het licht zet. Zijn tweede punt is dat we er als mensen iets tegenover kunnen plaatsen: moed. Met verwijzingen naar Plato, Aristoteles en Thomas van Aquino. Een derde opmerking stelt dat angst kan worden beheerst door liefde. Daarbij sluit hij aan bij I Johannes 4,18. De liefde van Christus ‘deinst er niet voor terug om zich tegen het kwaad te verzetten en heeft een oneindig vermogen om het ‘te slikken’. Dit soort liefde kan de wereld aan, zelfs vanaf een ruwhouten kruis.’ In allerlei conflict is het de werkzame kracht die de haat onderuit haalt. ‘Liefde, begrip en georganiseerde welwillendheid kunnen angst uitsluiten’. Wat een geweldige zin volgt dan in de context van de rassenstrijd: ‘Als onze witte broeders de angst willen beheersen, zijn ze niet alleen afhankelijk van hun eigen toewijding aan christelijke liefde, maar ook aan de door Christus geïnspireerde liefde waarmee de zwarte hen tegemoettreedt.’ Het vierde aandachtspunt is dat angst overwonnen wordt door geloof. Geloof opent de ogen voor weerstand die de liefde kan ontmoeten. Geloof maakt ons realistisch en moedig. Zonder geloof zal de angst het winnen en blijft het zomaar bij het oude omdat we ons gedragen als slachtoffers van moedeloosheid. Geloof vult ons met moed, omdat we weten dat God er is die liefdevol is en wijs.

Wat opvalt is het militante karakter van de liefde. De liefde treedt op. Wijs, liefdevol en incasserend. King wijst een weg die Christus gaat.  Vergeleken bij het verhaal daarvoor, lees ik dat ook King het onderscheid hanteert tussen angst die hoort bij een mens en angst waar de liefde een antwoord op is waardoor de angst wordt verdreven. Toch is er iets dat me in deze preek treft. Ik mis een accent dat ikzelf ben gaan zien en waarmee ik nog bezig ben: wat zijn de consequenties van wat ik lees in I Johannes 4,18? Christenen zijn de mensen die de liefde van God op aarde laten zien in hun daden en hun woorden. Geïnspireerd door Christus houden ze vol. Maar de woorden van I Johannes 4,18 zijn mogelijk wel militanter dan dat King ze uitlegt.

De liefde laat geen ruimte voor angst

Johannes schetst in zijn eerste brief, hoofdstuk 4, de christelijke gemeenschap die leeft van de liefde van Christus. Als Gods liefde in je is en die leert kennen en vertrouwen, dan wordt angst naar buiten gewerkt. De liefde maakt zelfs dat je niet bang bent voor het moment dat Jezus terugkomt. We zijn als Jezus, net zo vrijmoedig en zeker dat we bij God zullen zijn. En dan staan daar die woorden ‘De liefde laat geen ruimte voor angst’. In het Nederlands is dat al een intimiderende uitspraak over de liefde ten opzichte van de macht van de angst. Angst veronderstelt straf (de ander en/of de Ander wijst/wijzen mij af of gaan me pijn doen) en dat is nu juist bij God achterhaald door Jezus. De liefde laat geen ruimte voor angst, want er is geen straf over voor christenen (Romeinen 8,1).

Maar de vraag blijft hoe dat ‘geen ruimte laten voor angst’ in zijn werk gaat. Johannes wijst in vers 12 en 13 naar de Geest in ons. Die Geest maakt ze bijzonder zeker van hun zaak: we hebben Gods liefde en die liefde redt. Wie de liefde van God leert vertrouwen, leert snappen dat er geen kamer over is in je huis voor angst die je vertrouwen op God ondermijnt. De Vader heeft de Zoon gezonden als redder van de wereld. King krijgt gelijk in zijn volharding in de liefde. God stond achter hem en staat vandaag nog achter christenen die uit liefde aan angst en haat het hoofd willen bieden. Wat mij opgevallen is, is dat de uitspraak in I Johannes 4,18 sterker is dan ik eerder dacht. In de NBG 51 staat: liefde drijft de vrees uit. Die manier van zeggen doet sterk denken aan uitdrijvingspraktijken van Christus en zijn leerlingen ten tijde van het leven van Jezus op aarde. Steeds wanneer over Jezus verteld wordt dat Hij geesten uitdrijft, wordt dat gezegd met vrijwel dezelfde woorden als in I Johannes 4,18 (in I Johannes 4 staat ‘exoo ballein’ [naar buiten drijven], in twee woorden, in de evangeliën ‘ekballein’ [uitdrijven], vgl. Matteüs 8,16; Marcus 1,34.39; 3,22).

Dit is dus wat de liefde doet. Zij zegt angst de wacht aan. Dat doet ze net als Jezus. En dat is niet verwonderlijk, het is God zelf die liefde is (I Johannes 4,8). Ze is meer dan de kracht die angst tegenwerkt door lief te hebben. Ze gaat vierkant tegenover angst staan als kracht die Gods liefde barricadeert en tegenwerkt en wijst hem de deur. Nu wordt in I Johannes 4 de liefde zelf de handelende persoon genoemd: liefde wijst angst uit. Dat maakt in ieder geval duidelijk dat ik dat als mens niet kan. Ik kan angst niet de deur wijzen. Het is God zelf die werkzaam is in en door mensen (I Johannes 4,11-16). Maar uitwijzen en elkaar liefhebben zijn in mijn ogen niet hetzelfde. Elkaar liefhebben is een breed begrip (zie bv. de leefwijze van de gemeente in Handelingen 2 en 4). Uitwijzen is een daad die gesteld wordt in de Naam van God. Zo werden ook de leerlingen van Jezus op pad gestuurd om zieken te genezen en demonen uit te drijven in zijn naam (Lucas 10,17). Daarom denk ik dat het bij de kerk past als gelovigen in Gods Naam angst uitwijzen, als deze angst de liefde voor God in de weg staat en hun moed klein houdt. In het besef dat God door de gelovigen heen werkt en het gebied van de liefde vergroot. Het is wat merkwaardig om zo te zeggen, maar liefde is militanter ten opzichte van het kwaad dan je mogelijk zou denken. Ik zeg er bij dat ik de laatste ben om goede, therapeutische hulp onnodig te vinden. Zelf heb ik er ooit heel veel baat bij gehad. Maar de bovengenoemde weg licht ook op in de bijbel.

Illustratie

Een mooie illustratie vind ik in Lucas 8,26-39. De demonen maken duidelijk dat ze zelf bang zijn (Lucas 8,28) en ze erkennen Jezus’ macht. In liefde wijst Jezus deze demonen de deur, een naakte man tussen de doden wordt een geklede man tussen de mensen.

 

 

Carnaval – protestants

Toen ik predikant was in Breda, maakte ik mee dat ook leden van onze gemeente (GKv) er aan meededen. Rasechte Brabanders die het carnaval beleefden als onderdeel van de cultuur daar. Ik heb me niet zo bezig gehouden met de vraag wie er in Nederland carnaval vieren en of daar veel protestanten aan meedoen. Maar toen ik me wat verdiepte in het vieren van carnaval, kreeg ik wel idee waarom protestanten dit feest kunnen vieren.

Carnaval

Gedurende vier dagen (zaterdag tot en met dinsdag) wordt de burgerlijke macht ‘ontzet’, de stad of het dorp wordt overgenomen door Prins Carnaval. Deze Prins viert samen met zijn onderdanen de vestiging van het narrenrijk. De lokale bestuurders worden op de hak genomen en er is een uitbarsting van creativiteit, zichtbaar in kleurrijke praalwagens waar maanden tevoren al aan gewerkt is. Dinsdagavond laat is het afgelopen, woensdag doet iedereen weer gewoon.

Als protestant beweeg ik me er niet echt vrij in, maar carnaval kan een goede betekenis hebben binnen het kerkelijk jaar. Carnaval is een woord dat komt uit het latijn. ‘Carnaval’ komt van het latijnse ‘carne(m) levare’. Dat betekent ‘verwijderen van vlees’. De oorsprong van dit carnaval is niet helemaal duidelijk: is het een oorspronkelijk heidens feest dat de rooms-katholieke kerk een christelijke betekenis heeft gegeven? Of is het een feest dat de kerk in de Middeleeuwen heeft bedacht, om een afkeer van een leven met een puur aards (vleselijk) karakter op te wekken? In het laatste geval worden de mensen (op een gekscherende manier) ondergedompeld in dat pure aardse bestaan: narren, duivels, heksen, de mens heeft het voor het zeggen voor een paar dagen. Het doel daarvan is dat er een afkeer groeit van dit leven met een puur aards karakter.

Ik kan de zin er niet van inzien als het gekscherende karakter van het carnaval wordt omgezet in daadwerkelijke bras- en slemppartijen. In de geschiedenis van het carnaval is dit zo geweest en mogelijk nog, of je nu de roots van het carnaval plaatst in het heidendom of in de gekerstende vorm die de kerk er aan gaf in de Middeleeuwen: Achtergronden Carnaval. Het ervaringselement dat hierin educatief zou uitwerken, lijkt me gepaard gaan met schade aan lichaam en geest, van jezelf en van anderen. Juist de christelijke kerk wil zich van dit soort ontsporingen verre houden, ook in educatief opzicht.

Hosea, de profeet die huwde met een hoer, is hierbij een voorbeeld dat me te binnen schiet. Het lijkt in de buurt te komen van ‘persoonlijk ondergaan in de ontsporing van de wereld’. Toch is dat geen juiste waarneming: Hosea moest huwen met deze prostituee, waardoor zijn leven en dat van zijn vrouw nu juist niet te typeren is als hoererij. Maar wat mij wel tot nadenken stemt, is de ‘beeldtaal’ die God hier inzet: aan het huwelijk van zijn profeet met een hoer, moet Israël zien dat het zich opstelt als een hoer in zijn omgang met God. Dat kritische aspect van de uitbeelding van een leven dat leeg is van God, kan op een ludieke manier in het carnaval worden vormgegeven. Niet omdat het ludiek moet, maar omdat binnen het kader van het carnaval het ludieke het middel is om maatschappij en overheid op de hak te nemen.

Op Aswoensdag kun je in de kerk (doorgaans een rooms-katholieke mis) een askruisje (op je voorhoofd getekend) halen. De priester zegt daarbij: ‘bedenk mens, dat je stof bent en tot stof zult weerkeren’ of ‘bekeer u en geloof in het Evangelie’. Het askruisje roept op tot inkeer en bezinning: hoe leef ik en voor wie? De veertigdagentijd daarna is een tijd van soberheid (‘het vlees verwijderd’), waarbij de kerk de mensen op het spoor van Christus zet. Veertig dagen soberheid zoals Jezus veertig dagen in de woestijn was. Uitlopend op de Stille Week met Goede Vrijdag als dieptepunt (verzoening van de zonden voor de wereld) en Pasen als het feest van opstanding en hoop.

Mogelijk

Carnaval kan een tijd zijn waarin de kerk aan de wereld en zichzelf zichtbaar maakt dat leven zonder God leeg kan aanvoelen, tastbaar in overdaad en ik-gerichtheid. Humor is daarbij een mooi middel: een sterke grap stemt eerder tot nadenken dan een wijzend vingertje. En in de veertigdagentijd kunnen kerken laten zien of ze het zelf begrepen hebben: leven in soberheid, gelukkig in Christus alleen, vervuld van Hem.

Protestant

Een protestant is iemand die in vol contact staat met zijn en haar omgeving. Het woord ‘protestantisme’ is afkomstig van het Latijnse woord ‘protestari’. Het betekent ‘publiek verklaren’ of ‘getuigen’. Het verwijst naar het Protest van Spiers. Tijdens de Rijksdag van Spiers in 1529 verklaarden lutherse vorsten dat ze het niet eens waren met de besluiten die hun godsdienstvrijheid terug draaiden. Ze lieten de keizer van het Heilige Roomse Rijk weten dat ze deze besluiten niet zouden uitvoeren. Christenen die zijn voortgekomen uit de Reformatie, worden daarom protestanten genoemd. Protestanten verhouden zich met hun omgeving. Kritisch, bevestigend, bemoedigend: ten aanzien van andere kerkgenootschappen, maar net zo goed ten aanzien van overheden, cultuur en maatschappij. Daarmee raakt de naam ‘protestants’ een kern van de liturgische praktijk van de kerk. Deze verhoudt zich namelijk altijd met de wereld om haar heen. God verhoudt zich niet alleen met zijn volgelingen, maar wil onder andere via de kerk tot zegen zijn voor de wereld. De kerk is een uithangbord voor de waarheid (I Timoteüs 3,15) en dat is niet slechts om leden naar de ingang van de kerk te leiden, maar ook een getuigenis voor de wereld. Gods verzoening is immers op de wereld gericht (II Korintiërs 5,19). In dat kader zie ik (liturgische) kansen voor de kerk om het carnaval juist binnen de protestantse kerken te herwaarderen. In de dienst aan God die wil dat alle mensen behouden worden.

(deze tekst is in verkorte vorm gepubliceerd in de Oegstgeester Courant als column namens de Raad van Kerken Oegstgeest, 31 januari 2018)

Liturgische teksten misvormen

(Onderstaande is een artikel dat ik schreef in Onderweg (20 januari 2018), naar aanleiding van mijn blogs hieraan voorafgaand.)

Het draagvlak voor formuliergebruik in kerkdiensten neemt af. Deze tijd vraagt om variabele inzet van formulieren. Creatief hergebruik kan ook. In veel gemeenten wordt er al gevarieerd, in andere wordt vastgehouden aan de lezing van de formulieren. Wat je ook doet, de impact van teksten die in de liturgie eeuwenlang zijn gebruikt, is groot. Het is naïef te veronderstellen dat die impact weg is als je formulieren ‘in eigen woorden’ weergeeft. Mijn conclusie na lezing van teksten voor de liturgie (GKv, ook geregeld in gebruik bij NGK-kerken, zo is me eerder gebleken) in het licht van Stefan Paas, Vreemdelingen en Priesters, is deze: deze liturgische teksten zijn niet goed bruikbaar voor kerken met betrekking tot hun missionaire roeping.

Voorbeelden

Waarom blijft een niet-gelovige, welwillende gast bij een doopdienst zitten na de eerste zin van het eerste doopformulier: ‘Bij de doop word je in water ondergedompeld of ermee besprenkeld: je wordt als het ware gewassen. Dan wordt zichtbaar gemaakt dat je in de ogen van God vuil bent, belast met zonde. Je bent al schuldig als je wordt geboren, al zondig sinds je moeder je ontving. Zo wil God je niet accepteren. Je kunt zijn koninkrijk alleen binnengaan als je opnieuw geboren wordt en een nieuw leven krijgt. De doop wil je dus laten beseffen hoe slecht je van nature bent.’? Ik beweer niet dat in deze zinnen onwaarheid staat. Maar hoe moet deze bezoeker uit deze formuleringen halen dat God naar hem verlangt? Zeker als aan het slot de strijd met ‘de zonde, de duivel en heel zijn rijk’ (dat lees ik inclusief de niet-gelovige, welwillende gast) wordt aangebonden.

‘We beleven aan deze tafel de vreugdevolle eenheid met Christus en met elkaar. Vanuit de viering van het avondmaal willen we elkaar dienen in de gemeente.’ (formulier 5) Dit is waar, maar zonder enige aandacht voor de gast die Christus niet kent.

Liturgische setting

Liturgie is een middel om het grote verhaal van God te vieren, te vertellen aan broeders en zusters en aan de wereld. Liturgie gaat over een intiem verhaal met een enorme expansiedrang. Het is de gemeente die een verloste gemeenschap is, waarbinnen het individu alle aandacht krijgt, met het oog op het heil voor de wereld. Liturgie is nooit enkel op de gemeente gericht. Kerk en wereld zijn altijd vervlochten, maar hebben in die vervlechting wel richting. Je zou het zo kunnen zeggen: in de liturgie draait het om de kerk, maar het gaat daar om de wereld.

Priesterschap

Priesters zijn christenen met twee gezichten. Ze zijn daartoe aangesteld door God. Priesters zijn vertegenwoordigers, van God en van mensen. Sterk gezegd kun je zeggen dat priesters samenvallen met God en wereld, al naar gelang de ‘partij’ die ze vertegenwoordigen. De priester offert namens de wereld aan God (I Petrus 2,4.5) lof. Of er wordt op basis van het offer van Christus gebeden om vergeving van de zonden van de wereld (vgl. bv. Job in Job 1,5 en Abraham in Genesis 18). Andersom vormt het koninkrijk van priesters de mond van God in de wereld. Dit rijk is geroepen de grote daden van God te verkondigen (I Petrus 2,9). Vanouds is ze ook geroepen om te zegenen namens God (I Petrus 3,9). Die priesterschap wordt gevormd door de gemeente. Het betreft een oude roeping, die teruggaat op de aanstelling van het volk tot priesters (Exodus 19,4vv). Abraham zal tot zegen zijn voor de volken, het volk deelt in die taak. Het laat iets zien van Gods verlangen, zoals verwoord in I Timoteüs 2,3.4: ‘God, onze redder (…) wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.’ Deze positie van de kerk stelt eisen aan teksten die worden gebruikt in de liturgie. Gods verlangen naar de wereld moet er in door klinken. De gemeente moet aan haar positie worden herinnerd en zij moet worden gestimuleerd deze positie in te nemen.

Script

Script is een term die doet denken aan een film of een toneelstuk. Het script is tekst die door acteurs moet worden uitgesproken. Ook de kerk heeft script. ‘Dat houdt in dat bepaalde zaken vooraf geformuleerd zijn. (…) Het is kenmerkend voor een kerkdienst dat er vaststaande formuleringen en teksten zin die bij iedere dienst terugkeren. Kortom, er is een draaiboek’, zo stelt F.G. Immink, Het heilige gebeurt, 2011, blz. 27. Je kunt hierbij denken aan votum en zegen, maar ook aan schuldbelijdenis en genadeverkondiging, of aan de formulieren die de GKv rijk is, zoals deze achterin het Gereformeerd Kerkboek (2017) staan. ‘Die tekstuele vorm slaat de kerkdienst als tussenmenselijke handeling niet dood, maar kanaliseert juist de participatie van de kerkgangers’, aldus Immink, blz. 29.

Toen ik met de bagage van Paas op zak het script doornam op het punt van de priesterlijke functie van de kerk, was ik verrast. ‘De wereld’ is in 90% van de gevallen de vijand, om tegen te strijden, zondig, gevaarlijk. De aangesprokenen zijn de gemeenteleden, de ongelovige is niet in beeld of wordt samen met de wereld afgeschilderd als slecht. Er is maar heel weinig sprake van het verlangen van God naar de wereld en dan zit het doorgaans nog in een uitgeschreven bijbelcitaat. Het heil is voor de gemeente geformuleerd. Als je let op de verwoording van de priestertaak van de gemeente, is dat binnen het GKv-script feitelijk buiten beeld (het Groot Kerkgebed in Gereformeerd Kerkboek, blz. 629vv., par. 2.4, 3.3 en 3.4, is hierop een fijne uitzondering). Als Immink stelt dat script de deelname van kerkgangers kanaliseert, vind ik dat je daarover aanvullend meer kunt zeggen. De lange traditie van script dat geregeld gebruikt wordt in GKv- en NGK-kerken, misvormt de gemeenschap tot een naar binnen gerichte gemeenschap, gericht tegen de wereld. Ook de niet-gelovige gast die het script aanhoort, wordt tot karikatuur. Dat is ernstig, aangezien de kerk niet te strijden heeft tegen mensen, maar tegen machten (Efeze 6,12; Lucas 8,26-39).

Blogs en voorbeeldformulieren voor doop en avondmaal

In negen blogs werk ik mijn punt uit en illustreer uit het script van de GKv. Deze monden uit in twee voorbeeldformulieren voor doop en avondmaal. Je kunt ze lezen op www.robertrothblog.wordpress.com, ‘In en met de wereld voor God’, ‘Sacramenten in en met de wereld – 1 tot en met 8’.

Sacramenten in en met de wereld – 8 / script voor het heilig avondmaal

In deze laatste blog lever ik een voorbeeld van script voor de viering van het heilig avondmaal. Wil je de achtergronden van de keuzes die ik maak in dit script begrijpen, lees dan de blogs die hieraan vooraf gingen. In en met de wereld voor God; Sacramenten in en met de wereld – 1; Sacramenten in en met de wereld – 2; Sacramenten in en met de wereld – 3; Sacramenten in en met de wereld – 4; Sacramenten voor en met de wereld – 5Sacramenten voor en met de wereld – 6. Helemaal onderaan staan suggesties voor een liturgie.

Formulier voor de viering van het heilig Avondmaal

Wat is avondmaal vieren? Daarover horen u en jij het een en ander, door te luisteren naar deze voorbereiding op de viering van het avondmaal. In de kern heeft het avondmaal te maken met verzoening van ons leven met God. Maar met het avondmaal hangt veel samen, omdat het samenhangt met Christus. Omdat hij ons die verzoening schenkt, hangt het samen met hoop die hij geeft op een nieuwe toekomst; op genezing, omdat hij de Genezer is; op troost in verdriet, omdat hij troost zoals geen ander dat kan. Deze voorbereiding gaat over de betekenis van Christus voor de gemeente en voor de wereld.

Woord

‘En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt” (Lucas 22,19-21).

Het is Gods verlangen ‘dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen. Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd’ (I Timoteüs 2,4-6). We willen het avondmaal dan ook vieren met de wereld voor ogen. De beperkte tafel van de viering in de gemeente is een tafel vol verlangen naar mensen die God nog niet kennen, een uitnodiging om Christus te leren kennen en mee te vieren met ons. Laten we hem gedenken!

Gedenken

Opgeroepen om Jezus te gedenken, staan we stil bij de betekenis daarvan. Wie gedenkt, denkt terug aan wat ooit is gebeurd. Omdat het belangrijk was toen en belangrijk is voor de tijd van vandaag. Zo gedenken wij bijvoorbeeld oorlogen, sterfdagen en geboortedagen. In de bijbel heeft gedenken een extra dimensie. Wie in de bijbel ‘gedenkt’, smelt samen met wat hij of zij gedenkt. Het volk Israël krijgt immers de opdracht om de uittocht uit Egypte te gedenken, samen met hun kinderen. Als hun kinderen vragen ‘Wat betekent dit gebruik?’ dan moeten de ouders zeggen dat de Heer de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard’ (Exodus 12,27). Christus gedenken is dan ook dat zijn geschiedenis onze geschiedenis is, één worden wij met het verhaal van Christus (Gedenken). Vanouds vinden we in avondmaalsformulieren deze passage, waaruit blijkt dat gedenken ons in het verhaal van Christus trekt:

‘We vieren het avondmaal om Christus te gedenken. Dan staan we erbij stil dat God de Vader onze Heer Jezus Christus in deze wereld gezonden heeft, zoals hij onder het oude verbond aan de aartsvaders had beloofd. Het Woord is mens geworden. Heel zijn leven op aarde heeft hij de toorn van God, waaronder wij eeuwig hadden moeten bezwijken, voor ons gedragen. Zo heeft hij gehoorzaam alles gedaan wat Gods wet van ons vraagt.

Gebogen onder de zware druk van onze zonden en van Gods toorn werd hij in de olijfgaard Getsemane overvallen door doodsangst, zodat zijn zweet in grote druppels als bloed op de grond viel. Daar liet hij zich boeien om ons vrijuit te laten gaan.

Daarna dreef men de spot met hem, zodat wij nooit meer te schande gemaakt zouden worden. Hij werd onschuldig ter dood veroordeeld, zodat wij voor Gods rechterstoel zouden worden vrijgesproken. Hij heeft zich zelfs laten kruisigen en de aanklacht tegen ons vernietigd door haar aan het kruis te nagelen. Door dit alles heeft hij de vloek die op ons lag, op zich genomen om ons met zijn zegen te vervullen. Ja, aan het kruishout heeft hij met lichaam en ziel de angstaanjagende verlatenheid van de hel ondergaan, toen hij uitriep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’, opdat wij door God aangenomen en nooit meer door hem verlaten zouden worden. Tot slot heeft hij door zijn bloed uit te gieten het nieuwe verbond van genade en verzoening voor eeuwig rechtsgeldig gemaakt. Toen riep hij uit: ‘Het is volbracht!’’ (Avondmaalsformulier 1)

Christus verzoent, vervult en vernieuwt

Het lijden en sterven van Christus is heel concreet in zijn uitwerking. Kernachtig wordt ons dat aangereikt bij de uitstorting van de Geest. De mensen die verantwoordelijk zijn voor het sterven van Christus krijgen in hun schaamte en wanhoop daarover verzoening van hun zonde aangereikt. Gedoopt onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving van hun zonden, zal hen de Heilige Geest worden gegeven ter vervulling van de ruimte die vrij komt in hun ziel. En dat maakt dat ze zich als nieuw gaan gedragen (Handelingen 2,36-47). Toen al bleek de uitwerking van de liefde onder de eerste christenen een enorme aantrekkingskracht te hebben voor de mensen rond de gemeente. Velen kwamen tot geloof (Handelingen 2,47; 5,14). Je ziet hier wat het goede nieuws uitwerkt in de gemeente: er is verzoening, vervulling en vernieuwing. We zien daarbij het begin van wat later door Paulus wordt gezegd: God wil dat alle mensen worden behouden.

Priesterdienst

Vanouds is het volk van God een koninkrijk van priesters (Exodus 19.4-6). Het volk heeft deze positie niet waargemaakt. In plaats van de wereld bij God te presenteren en haar met de zegen van God tegemoet te treden, omhelsde het volk de goden van de wereld. In de ballingschap van het volk in Assur (8e eeuw voor Christus) en Babel (6e eeuw voor Christus) wordt echter duidelijk dat God zijn volk niet aan zichzelf overlaat. Het zal verlost worden door een figuur, in wie Christus Jezus wordt herkend. God zelf heeft zijn volk weer gemaakt tot volgelingen van Hem (Jesaja 44,1-6; 46,13; 49,1-13; 53; 55; 57,14-21) en maakt zijn volk toegankelijk voor mensen die God willen dienen (Jesaja 56,1-8). De Geest van God wordt opnieuw gegeven en woorden van God zal dit volk slechts kunnen spreken (Jesaja 59,21). Opnieuw worden ze priesters genoemd die tot zegen zullen zijn voor de volken (Jesaja 61, zie vers 6). In de eerste brief van Petrus horen we dan ook over de gemeente die een heilige priesterschap is en een koninkrijk van priesters wordt genoemd (I Petrus 2,4.5.9). Er zijn twee bewegingen zichtbaar: van de wereld naar God (offerdienst, vers 5) en van God naar de wereld (verkondiging, vers 9). Namens de wereld brengen wij lof aan God, namens de wereld bidden wij om verzoening van de wereld met God, ook al vraagt die wereld daar niet om. Namens God zegenen wij de wereld (I Petrus 3,9) en brengen wij het goede nieuws. God wil dat alle mensen zich laten redden en de waarheid leren kennen. Daarbij schakelt hij de gemeente volop in.

De viering van het avondmaal is bijzonder geschikt om onze verbinding met de wereld zichtbaar te maken. Hier ontvangen we van God verzoening en vieren we zijn bevrijding. Het bindt ons samen tot een krachtige eenheid, die in de bijbel ‘één lichaam’ wordt genoemd. Juist het offer van Christus is de basis voor onze gebeden namens de wereld tot God: vergeef ons, vergeef uw wereld. Juist deze zegen van verzoening aan ons is bedoeld om aan mensen die God niet kennen, aan te bieden. Laten we ervoor waken dat het evangelie aan het avondmaal door ons persoonlijk wordt ontvangen, wordt gevierd door ons als gemeente en aangeboden wordt aan de mensen die God niet kennen.

Lokaal (in plaats van verkondiging)

Laten we nu met elkaar spreken over deze vraag: hoe laten wij aan de mensen die God niet kennen, het evangelie zien? Hoe brengen we ze bij God en God bij hen? Denk daarbij bijvoorbeeld aan de plek waar je woont, aan de plekken waar je komt als je aan het werk bent. En als er nu gasten onder ons zijn die God niet kennen, op zoek zijn naar Hem: spreek mee in deze ontmoeting en laat van je horen.

Vooraf bidden we om de Geest van God

Heer, onze God. U stelt ons aan als priesters in de wereld. Zegen de gemeente met uw Geest, zegen de ontmoetingen met uw Geest. Wijs ons de weg in onze woonplaatsen en ons werk, wijs ons de weg in deze samenkomst, hoe we tot zegen zijn voor elkaar. Schenk ons liefde voor uw schepselen, creativiteit om er voor ons dorp of onze stad te zijn. Verras ons. In de Naam van Jezus Christus, Amen

(Na een afgesproken tijd worden ideeën en getuigenissen verzameld.)

Gebed

Wij danken u voor wat u ons liet delen met elkaar. Zegen de woorden die gesproken zijn en werk er mee door in onze harten. Wij prijzen uw naam en maken u groot, God in de hemel, God die in ons woont. In Jezus Naam, Amen

Geloofsbelijdenis

(Persoonlijk hecht ik er aan elke viering de kinderen apart aan te spreken. Dat doe ik ongeveer alsvolgt. Gezien het thema van dit formulier kan het worden overgeslagen. Geef in ieder geval de kinderen hun plek bij het spreken over kerk zijn in de/hun wereld!)

Kinderen van de kerk

Wanneer we als gemeente ons best doen om ons heen te kijken naar die mensen die God nog niet kennen in ons dorp, onze stad of op ons werk, willen we jullie, de kinderen van de kerk, niet over het hoofd zien. Als je nog niet meedoet, weet dan dat je bij de gemeente hoort voor de volle 100%. Samen met alle anderen zongen jullie net nog mee met de geloofsbelijdenis van de kerk. En bij de doop is over jullie gezegd dat je deel bent van het lichaam van de kerk. Je hoort er helemaal bij. Je bent dus helemaal verbonden met de mensen die nu aangaan. In onze gemeente hebben we de gewoonte dat ieder aan de gemeente laat horen, dat hij/zij vertrouwt op God. Dat wordt van iedereen gevraagd, voordat hij/zij het avondmaal mee gaat vieren. Dat is het werk van God in jou, als je in je hart vertrouwt op God. Op hem mag je leunen je hele leven lang. Al is je catechisatie nog niet afgelopen of je bent er nog niet eens aan begonnen, durf op God te leunen. Spreek er over met je ouders en ouders, wees vrijmoedig om er met je ouderling of predikant over te spreken. Geef gehoor aan de stem van de Heer die ons roept aan zijn tafel.

Viering

Wie gelooft in Jezus Christus, wie in zijn eigen gemeente aan mag gaan, is uitgenodigd om aan de viering deel te nemen.

Kijk goed naar dit brood en naar deze wijn. Wie zijn vertrouwen stelt op Jezus Christus en het offer dat Hij bracht voor onze zonden, mag in deze tekenen de deuren zien van het rijk van God. Deze deuren staan open.

(aan tafel, in de kring, opstelling gaande viering)

Aan dit avondmaal laten wij onze liefde voor elkaar en de wereld zien, door in de collecte te geven voor de mensen die onze hulp nodig hebben in de gemeente en in de samenleving.

Brood:
Het brood dat we breken, maakt ons één met het lichaam van Christus. Neem, eet, gedenk en geloof, dat het lichaam van onze Heer Jezus Christus gegeven is om al onze zonden volkomen te verzoenen.

Beker:
De beker met wijn, waarvoor we God loven en danken, maakt ons één met het bloed van Christus. Neem, drink allen daaruit, gedenk en geloof, dat het kostbare bloed van onze Heer Jezus Christus uitgegoten is om al onze zonden volkomen te verzoenen.

Zegen over dorp. stad en werk

We zegenen in de naam van Vader, Zoon en Geest ons dorp/onze stad en onze werkomgeving met de vrede, de liefde en de genade van God. Mogen wij als gemeente gezegend worden met de Geest om het evangelie van Christus Jezus uit te dragen. Amen

Tips voor de liturgie:

  1. verwerk uit het groot kerkgebed (Groot Kerkgebed) delen uit de gebeden onder 2.4, 3.3 en/of 3.4;
  2. Liederen: Wij brengen U vijf brodenU neemt het broodNu ik uw verlangen ziePriesters in de wereldLeef!Een leerling van de Heer ben jijDe wereld is de gastheer
  3. Gedichten: Het kind dat voor mij staatHerfstHorizon

Sacramenten in en met de wereld – 7 / script voor de doop

Na de tocht die ik in de vorige blogs heb afgelegd (In en met de wereld voor GodSacramenten in en met de wereld – 1Sacramenten in en met de wereld – 2Sacramenten in en met de wereld – 3Sacramenten in en met de wereld – 4; Sacramenten voor en met de wereld – 5Sacramenten voor en met de wereld – 6), probeer ik in deze en de volgende blog een voorbeeld te geven van script voor doop (7) en avondmaal (8), waarin ‘de wereld’ wordt aangesproken vanuit het verlangen van God. Dat lukt niet kort… Helemaal onderaan staan suggesties voor een liturgie.

Formulier voor de bediening van het sacrament van de Doop

Geliefde gemeente, gezochte wereld,
Het ritueel van de doop is door Jezus ingesteld. Toen Hij naar de hemel ging, droeg Hij zijn leerlingen op de volken tot zijn leerlingen te maken. Dat moest gebeuren door de volken te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Aan de volken moest geleerd worden om zich te houden aan alles wat Hij zijn leerlingen had opgedragen (Mt.28). Hij motiveerde deze opdracht door te zeggen dat aan Hem alle macht is gegeven in de hemel en op de aarde. Het nieuws voor Israël over Jezus is het nieuws voor de wereld. Het is de koning van hemel en aarde die roept om dit ritueel steeds weer uit te voeren. De doop maakt duidelijk wat het verlangen van koning Jezus is: dat ieder mens Hem leert kennen en Hem eert als zijn onderdaan.

Wereld, machten, mensen, verlangen
Jezus heeft in zijn leven strijd gevoerd met krachten die tegen God en mensen optreden. Hij is het Licht in de duisternis en wijst in zonde en ziekte die duisternis aan. De uitdrijvingen van demonen zijn hierbij goede illustraties. Helder is het onderscheid dat Jezus maakt tussen de machten en de mensen. Hij bevrijdt de mensen, hij bestraft de machten. Zo werd iemand als Legioen bevrijd van de vele demonische machten die hem beheersten en na zijn bevrijding werd hij gezien bij zijn volle verstand en gekleed (Marcus 5). Ook Paulus brengt het onderscheid tussen machten en mensen aan: ‘Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen’ (Efeze 6,11.12 en 18). Deze inzet van Jezus en de apostelen, maken duidelijk dat Jezus de wereld ziet als een gevaarlijke wereld. Zij wordt beheerst door machten die mensen belagen en van hun Vader in de hemel verwijderen. Het kwaad als macht raakt ons mensen zo, dat wij inzien dat wijzelf en alle mensen leven in het klimaat van het kwaad. Wij ademen de lucht van dit kwaad in en uit en nemen er deel aan. Daardoor gaan wij zover dat wij zeggen en stellen voor het aangezicht van God die ons redt, dat wij schuldig zijn vanaf onze geboorte (Psalm 51,7). Jezus zet zich voor de volle honderd procent in om deze machten te breken en een weg naar veiligheid en geborgenheid te scheppen voor alle mensen.

Doop, begraven, wassen
Aandacht voor de wereld wordt door Jezus toegespitst op de persoon. Jij doet er toe bij Hem en jij wordt door Hem gezocht. Bevrijding uit de wereld van de machten van de duisternis wordt zichtbaar gemaakt in een symbool van sterven en opstaan. Wie in Christus wordt ondergedompeld (Romeinen 6,3), sterft symbolisch. Jezus stierf echt (Lucas 12,50), geen mens hoeft dat over te doen: je wordt gedoopt in de werkelijke dood van Jezus en met Hem begraven. Zijn sterven wordt jouw sterven. Daarmee sterft de macht van de duisternis in het leven van de dopeling, de slavernij van heerser zonde wordt gebroken (Romeinen 6,6-9). Wie is besprenkeld of ondergedompeld staat ook weer op. Je leeft een nieuw leven (Romeinen 6,4.5.8-11) en staat onder de heerschappij van God die bevrijdt (Romeinen 6,16).

Dopen is ook een ritueel van wassing. Zo noemt Paulus zijn doop als hij als gevangene zich verdedigt voor het Sanhedrin in Jeruzalem (Handelingen 22,16): de wassing is de reiniging van zonden die je vuil maken. Ook spreekt hij er zo over in zijn brief aan de Korintiërs, waar hij tot de gemeente zegt dat ze ‘gewassen’ zijn (I Korinte 6,11). Wassing heeft echter niet alleen te maken met wat vuil is geworden in het verleden en moet worden afgewassen. De doop bereidt ook voor op een ander leven dat is aangebroken voor de dopeling. Petrus noemt de doop een bede om een zuiver geweten. Daarmee doelt hij op een houding waarmee de dopeling toegewijd leeft aan God. De opstanding van Jezus Christus is de reden dat we om een zuiver geweten kunnen vragen. Het is het teken van nieuw leven na te zijn gestorven. Christus zit als de Levende aan de rechterhand van God en engelen, machten en krachten zijn aan Hem onderworpen (I Petrus 3,22). Hij die als overwinnaar leeft na te zijn gestorven, is bij machte te inspireren om in je leven gericht te blijven op God. Daarom is de doop een bede tot de God: vernieuw ons zoals U nieuw leeft!

Het is met deze redding uit de greep van de machten van deze wereld, dat Jezus de wereld zoekt met aandacht voor de persoon. Hij wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen (I Timoteüs 2,3.4) en leven voor Hem (I Petrus 3).

Doop, ouders, gemeente en inlijving
Mensen die worden gedoopt, staan niet altijd op de schouders van hun voorgeslacht. Daarom worden mensen die op volwassen leeftijd hun vertrouwen stellen op God, pas dan gedoopt. Zij breken met de gewoonten van hun voorgeslacht, waaruit God is verdwenen. Zij beginnen een nieuw leven met God. Kinderen van gelovige ouders worden gedragen door hun voorgeslacht. In de hele schrift is aanwijsbaar dat de kinderen van gelovige ouders delen in de beloften die God geeft aan hun ouders.

(Wanneer de voorganger iets wil uitleggen over de doop aan de kinderen van de kerk: Als Abraham besneden wordt, worden de jongetjes op de achtste dag na hun geboorte ook besneden. De meisjes niet, maar ook zij hoorden er helemaal bij. Toen de leerlingen werden uitgezonden om God bekend te maken aan de wereld, heeft Jezus nergens deze gewoonte uit het Oude Testament gewijzigd. Bij de uitstorting van de Heilige Geest grijpt Petrus ter verklaring terug op de profetie van Joël 2: alle mensen, vrouwen en mannen, ouderen en kinderen delen in de gave van de Geest. Paulus geeft aan dat ‘onze voorouders’ door God werden beschermd en ‘door de zee trokken, dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee’. Men at ook allemaal ‘hetzelfde geestelijke voedsel’ en dronk ‘dezelfde geestelijke drank’. ‘Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus’. Die ‘voorouders’ vormden samen het volk van God, oud en jong, volwassen en kind. Het is Christus hoogstpersoonlijk die hen verzorgt! Om deze redenen heeft de christelijke kerk de kinderen altijd willen dopen in de Naam van Vader, Zoon en Geest.)

Doop en geloof horen bij elkaar. Maar de beloften van Gods trouw die gelovige ouders voor God en zijn gemeente belijden, strekken zich uit naar de kinderen van de kerk. Zoals ouders de zorg voor hun kinderen op zich nemen, zo doet God dat ook, betekend en verzegeld in de doop. ‘Voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor velen die God zal roepen’ (Handelingen 2,39). Gedoopte kinderen worden samen met het lichaam van de kerk één lichaam (I Korintiërs 12,13). Ze horen helemaal bij de gemeente.

Vragen aan de ouders (vanaf hier volg ik grotendeels het derde doopformulier van de GKv. Cursieve delen zijn door mij toegevoegd)
Geliefden in Jezus Christus, onze Heer, in geloof moeten we de doop verlangen en niet uit gewoonte of voor de vorm. Daarom vraag ik u eerlijk te antwoorden op de volgende vragen:

Erkent u dat N.N. zondig en schuldig ter wereld is gekomen en daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen is, maar dat hij toch in Christus voor God heilig is, en daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn?

Belijdt u dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament, zoals die in de Apostolische Geloofsbelijdenis samengevat is en in deze gemeente verkondigd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is?

Belooft u dat u uw zoon/dochter zult voorgaan in een christelijke manier van leven en hem zo goed mogelijk zult onderwijzen en laten onderwijzen, om hem te leren begrijpen wat het betekent gedoopt te zijn?

Vader en moeder…….. wat is daarop uw antwoord? (Ja)

Doopgebed
Almachtige, eeuwige God, u hebt als een rechtvaardige rechter de ongelovige wereld eens door de zondvloed gestraft, maar Noach en zijn gezin hebt u in uw grote barmhartigheid gered. Heel het leger van de onverzettelijke farao van Egypte hebt u doen omkomen in de Rietzee, maar uw volk Israël hebt u in uw barmhartigheid dwars door diezelfde zee, over droog land laten gaan. In beide gebeurtenissen hebt u toen al iets van de doop laten zien .
We bidden u, barmhartig als u bent, N.N. genadig te zijn. Maak dit kind van u door uw heilige Geest één met Jezus Christus. Laat het via de doop met uw Zoon in zijn dood begraven zijn en met hem opstaan in een nieuw leven. Laat het elke dag opgewekt de moeiten dragen die meekomen met het volgen van Jezus, aan hem verbonden met echt geloof, vaste hoop en vurige liefde. Schenk ook dit kindje het vurige verlangen in het hart, dat uw liefde delen wil met ons en met hen die U nog niet kennen. Geef dat N.N. eens, zeker van uw beloften dit leven zal verlaten en onbevreesd zal verschijnen voor Jezus Christus, zijn rechter en redder.
Verhoor ons in de naam van Jezus Christus, uw Zoon, die met u en de heilige Geest, één enig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen.

Doopformule
N.N., (volledige naam), ik doop je in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest.

Oproep aan de gemeente
Geliefde broeders en zusters, ontvang als gemeente dit kind met liefde in uw midden. Weet u geroepen deze ouders te steunen door uw voorbede en voorbeeld. Wees ook, wanneer dat nodig en mogelijk is, daadwerkelijk bereid, eraan mee te helpen dat dit kind groeit in het geloof, de genade en het kennen van onze Heer Jezus Christus. Immers, wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden. En leef het verlangen van God voor, zelf gegrepen door de liefde van de Heer voor u, het verlangen dat uitgaat naar zijn gemeente, uw broers en zussen in geloof, en naar uw medemens die God nog niet kent. Hiertoe helpe ons de Heer door zijn Geest.

Dankgebed
Barmhartige God en Vader, dankbaar prijzen we u, want u vergeeft ons en onze kinderen al onze zonden. U hebt ons als leden van uw Zoon en daarmee als uw kinderen aangenomen. In Jezus’ naam bidden we u voor N.N.: Leid N.N. altijd door uw Geest. Laat N.N. volgens uw woord worden opgevoed en in Christus tot geestelijke groei komen. Dan zal N.N. uw goedheid en barmhartigheid erkennen en daarvan getuigen. Laat N.N. gehoorzaam onze enige leraar, koning en hogepriester, Jezus Christus volgen. Dan zal N.N. dapper strijden tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk en uw liefde verspreiden aan anderen. Geef hem de overwinning zodat hij u, de enige en betrouwbare God – Vader, Zoon en heilige Geest – eeuwig zal loven.
Hier bidden wij u als gemeente ook voor de wereld die U niet kent. Vergeef de mensen het kwaad dat ze doen, breek de machten van het kwaad in hun leven en zet ze in de vrijheid die U ze geven wilt. Wij bidden U in Jezus’ naam.
Amen.

Tips voor de liturgie:

  1. verwerk in de liturgie of er omheen een ontmoetingsmoment met de gasten die er zijn van buiten de gemeente;
  2. verwerk uit het groot kerkgebed (Groot Kerkgebed) delen uit de gebeden onder 2.4, 3.3 en/of 3.4;
  3. Liederen: Een leerling van de Heer ben jij; Nu ik uw verlangen ziePriesters in de wereldDe schriften hebben ogen
  4. Gedichten: VeertjeHorizonHerfst

Sacramenten in en met de wereld – 6

Avondmaal

In deze blog spinnen we verder aan de draad van de plaats van sacramenten voor en met de wereld. Het avondmaal wordt geregeld beleefd als iets ‘van en voor de kerk’. Dat lijkt me vanuit de oproep van Jezus om Hem te gedenken (bij de instelling van het avondmaal) een bedenkelijke versmalling van wat het avondmaal is. Het is de gemeenschap met Christus die de kerk viert met het avondmaal. Intiemer kun je het niet krijgen, kun je zeggen. Mystieker ook niet. Wie alleen maar mensen brood en wijn ziet eten, ziet niet wat er werkelijk gaande is. Wat er werkelijk gaande is, vind plaats in geloof: geestelijk éénworden met Christus. Hij in ons en wij in Hem. Hij is waar wij zijn en wij zijn waar Hij is. Je kunt zeggen dat wat er zich werkelijk afspeelt aan het avondmaal, zich onttrekt aan het oog van het lichaam. Het kan slechts gezien worden met het oog van het hart (Efeziërs 1). Ik zou er meteen voor willen waken om te suggereren dat de  zichtbare tekenen van brood en wijn minder belangrijk zijn. Juist het breken, nemen, eten en drinken zien en doen vormen de concrete ingang naar de mystieke betekenis van het avondmaal.

Maar is het daarmee vooral van betekenis voor de mensen die deelnemen en vieren,  is het alleen iets door en voor de kerk? Wie Christus kent, weet dat dit onzinnig is om te beweren. Christus zoekt immers zelf voortdurend de mensen die Hem niet kennen, maar wel nodig hebben. Hij zoekt zondaars (geen gezonde mensen, maar zondaars, Matteüs 9,12) en zieken, armen, lammen, blinden (Lucas 14,12vv). Hij stuurt zijn mensen de wereld in om het goede nieuws bekend te maken: Hij is de verlosser voor alle mensen. Paulus smeekt bijkans: laat u met God verzoenen (2 Korintiërs 5)! Christus gaat niet op in persoonlijke beleving en eenwording met Hem aan het avondmaal. Hij zoekt de mensen op, ook buiten Israël (Matteüs 15,21-28). Wat betekent deze beweging voor de viering van het avondmaal?

Script

Het beeld van de wereld in de vijf formulieren voor de viering van het avondmaal is niet helemaal vergelijkbaar met het script over de doop: het is ook negatief over de wereld. Wel is er sprake van een helder geluid over Gods barmhartigheid voor alle mensen. Opvallend is dat het werk van Christus in de avondmaalsformules beperkt blijft tot verzoening van de zonden van de gemeente. En de wereld als adres dat wordt aangesproken, is geheel buiten beeld.

Een overzicht ter illustratie (als je het niet wilt lezen, je kunt ook verder lezen na dit kader): ‘God wil iedereen die door de heilige Geest zo in het leven staat, graag aan de tafel van zijn Zoon ontvangen. Maar wie die houding niet heeft, haalt Gods veroordeling over zich door toch het avondmaal te vieren. Daarom geven we, op bevel van Christus en zijn apostel Paulus, iedereen die in ernstige zonden leeft, de waarschuwing: blijf weg van het avondmaal! Je moet namelijk beseffen dat je buiten het rijk van Christus staat, als je […] hebzuchtig of verkwistend opgaat in deze wereld […], kortom, als je je met woord en daad als een ongelovige gedraagt. Zolang je aan je zonde vasthoudt, mag je niet aan het avondmaal deelnemen; anders word je des te zwaarder veroordeeld.’ (opmerking: hoe gaat een gast die de beweging naar de kerk een keertje maakt, hierop reageren?); ‘We vieren het avondmaal om Christus te gedenken. Dan staan we erbij stil dat God de Vader onze Heer Jezus Christus in deze wereld gezonden heeft, zoals hij onder het oude verbond aan de aartsvaders had beloofd. Het Woord is mens geworden. Heel zijn leven op aarde heeft hij de toorn van God, waaronder wij eeuwig hadden moeten bezwijken, voor ons gedragen. Zo heeft hij gehoorzaam alles gedaan wat Gods wet van ons vraagt.’ (opmerking: hier is het evangelie van betekenis voor alle mensen); ‘…om al onze zonden volkomen te verzoenen.’ (opmerking 1: ‘onze’ = gemeente; opmerking 2: hier wordt het heil in de bediening versmald tot de deelnemers); ‘God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen worden gered en niet veroordeeld. Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door zijn leven.’ (opmerking: en hier is het heil weer zo breed als de wereld is) [formulier 1]; ‘God wil iedereen die door de werking van de heilige Geest verdriet heeft over zijn zonden zeker in genade aannemen. Als je met heel je hart verlangt tegen je ongeloof te strijden en volgens al Gods geboden te leven, wil hij je graag aan de tafel van zijn Zoon Jezus Christus ontvangen. Daar mag je zeker van zijn, al heb je zonder het te willen nog zonden en zwakheden. Maar voor iedereen die geen berouw heeft en zich niet wil bekeren, klinkt deze waarschuwing: blijf van het avondmaal weg, anders straft God je nog zwaarder.’ (opmerking: dit is een sterk voorwaardelijke manier van spreken. Hoe zal een goedwillende gast in de gemeente dit beluisteren?); ‘Christus heeft ons bevolen deze maaltijd te houden om hem te gedenken. Daarom gedenken we dat onze Heer Jezus Christus door de Vader in deze wereld gezonden is. Het Woord is mens geworden. Van het begin tot het einde van zijn leven op aarde heeft hij voor ons de toorn van God gedragen, waaronder wij eeuwig hadden moeten bezwijken.’ (opmerking: dit is open en breed geformuleerd, uitnodigend); ‘…om al onze zonden volkomen te verzoenen.’ (opmerking: ‘onze’ = gemeente) [formulier 2]; ‘Luisterend naar deze woorden van onze Heer Jezus Christus, staan we erbij stil dat hij door zijn Vader naar deze wereld gestuurd is en zich voor ons, zondaars, heeft prijsgegeven. […] We danken onze redder, die als een goede herder zijn leven gaf voor zijn schapen.’ (opmerking: Let op de versmalling in de aanspraak, van ‘ons, zondaars’ (= de wereld) naar ‘Christus die zijn leven gaf voor zijn schapen’ (= de gemeente): onnadenkend achter elkaar geplaatst?); ‘…om al onze zonden volkomen te verzoenen.’ (opmerking: ‘onze’ = gemeente) [formulier 3]; ‘In het avondmaal gedenken we hoe onze Heer Jezus aan het kruis zijn lichaam en bloed voor ons offerde. Dit offer verzekert ons van zijn grote liefde, want hij gaf zich over in de dood voor zondaars die oprecht belijden dat ze nietig zijn voor God. Dat maakt ons blij en dankbaar, want door zijn dood ontvangen wij het leven. Als broers en zusters van één huisgezin vieren we ons geluk met dit geestelijke feestmaal. Aan tafel worden we door Christus gevoed en bemoedigd en wordt onze verlossing zichtbaar gemaakt.’ (opmerking: hier weer een smalle toepassing van het offer van Jezus (= voor de gemeente); ‘Het avondmaal is vol van vergeving en vreugde, maar we mogen het niet achteloos of zonder geloof gebruiken. De Heer vraagt van ons een oprecht besef van schuld en maakt zich boos over ons, als we ons niet dagelijks van harte tot hem bekeren.’ (opmerking: hoe zal een welwillende gast die Christus nog niet kent, hierop reageren?); ‘…om al onze zonden volkomen te verzoenen.’ (opmerking: ‘onze’ = gemeente); ‘God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen worden gered en niet veroordeeld. Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven.’ (opmerking: en hier is het werk van Christus weer heel breed voor de hele wereld) [formulier 4]; ‘We gedenken dat de Heer Jezus aan het kruis zijn lichaam en zijn bloed gegeven heeft voor de zijnen. In grote liefde voor ons heeft hij zich geofferd, zodat wij niet zouden sterven maar leven.’ (opmerking: een smalle toepassing van het werk van Christus, enkel op de gemeente); ‘We beleven aan deze tafel samen de vreugdevolle eenheid met Christus en met elkaar. Vanuit de viering van het avondmaal willen we elkaar dienen in de gemeente.’ (opmerking: een knusse gemeenschap gericht op elkaar); ‘Daarom mogen we het avondmaal ook niet achteloos en zonder oprecht geloof vieren. We moeten dat juist doen met eerbied voor God en in heilige, gespannen verwachting.’ (opmerking: het is de wereld uitsluitend geformuleerd); ‘…om al onze zonden volkomen te verzoenen.’ (opmerking: ‘onze’ = gemeente) [formulier 5].

Dit roept om nadere overwegingen.

Christus gedenken

Allereerst roep ik in herinnering dat de gemeente van Christus een priesterlijke taak heeft. Namens de wereld voor God en namens God aan de wereld (Sacramenten in en met de wereld – 4). Zij representeert de wereld bij God. Zij spreekt namens die wereld woorden van lof aan de Heer en bidt tot God voor die wereld. Ook als die wereld er niet om vraagt of geen aanstalten maakt, de priesterschap representeert de wereld. Wie daarbij bedenkt dat het offer van Christus voor de hele wereld genoeg is (Johannes 3,16.17), zou aanhoudend moeten laten doorklinken in het script van de kerk dat Gods verlangen uitgaat naar iedereen in de wereld. De boodschap van verzoening houdt geen halt bij de kerkelijke gemeente.

Kijk naar het slot van Matteüs: maak alle volken tot mijn leerlingen en doop ze. Altijd weer die focus op zijn brede plan voor de wereld: de zegen van God is nooit beperkt tot de kerk alleen, maar wil zich als een olievlek verder uitbreiden. Denk ook aan het bekende Johannes 15 over de ware wijnstok en de leerlingen die op weg zullen worden gestuurd om vrucht te dragen (15,16 = gemeenten te stichten). Ik roep ook de vader in de gelijkenis van de Verloren Zoon in herinnering, zijn houding en zijn handelwijze. Als hij zijn zoon ziet vertrekken, blijft hij wachten op zijn terugkeer. Dan staat er ‘Zijn vader zag hem in de verte al aankomen’. Vader staat op de uitkijk! Dat is zijn houding. En als zijn zoon met een negatief Godsbeeld van jewelste aankomt bij zijn vader (‘ik ben niet waard uw zoon te heten’), breekt zijn vader dat beeld meteen in stukken: haal het mooiste gewaad, trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. En dat moet allemaal vlug. En tenslotte: mest het kalf, we gaan eten en feestvieren (Lucas 15). Deze zoon komt zonder vertrouwen bij zijn vader en vader brengt hem tot vertrouwen, door zijn schaamte en schroom te overspoelen met liefde en genegenheid. Dit is zijn handelwijze.

Christus gedenken, het geeft mij weleens de vraag of geloof om aan tafel bij de Heer te zitten, wel nodig is als voorwaarde. Zo is het in de GKv geregeld: eerst belijdenis van je geloof, dan aangaan. Maar in bovenstaande voorbeelden zit iets van Gods ongeduld: zijn evangelie zelf trekt mensen naar Hem toe (verloren zoon). Zoals iedereen zich onder het Woord van het evangelie mag scharen, zou niet ook iedereen mogen eten van brood en wijn, die teken bij het Woord genoemd wordt (Zondag 25 HC)? Gedacht vanuit de kracht van het evangelie zelf: de overrompelende liefde maakt tot leerlingen en schenkt vertrouwen. Trekken verkondiging en meedoen aan de viering niet samen het hardst aan de mens die je bereiken wil? Vanzelfsprekend komen gedachten op over I Korinte 12, over de zelfbeproeving vooraf aan vieren. Moet je niet overduidelijk geloven om aan tafel te gaan? Maar in Korinte is de situatie heel anders: dat zijn bekeerde, gelovige mensen die tot de orde worden geroepen. Ze laten zien dat ze Christus niet eren in hun omgang met andere gemeenteleden. In de situaties die ik beschrijf gaat het over mensen die gezocht worden met het evangelie en verrassend in het licht van Gods liefde worden geplaatst.

Het zijn vragen die me bezig houden en afgeronde gedachten heb ik er niet over. Maar het zitten van Judas aan de tafel van de Heer, geeft te denken. En dat mag dan mogelijk een helder voorbeeld zijn dat te denken geeft. Maar het geloof van de overige leerlingen zou in de ogen van kerkenraden van vandaag ook een onvoldoende krijgen. Ze beleden Jezus wel als de Zoon van de levende God. Maar zijn lijden, sterven en opstaan dat op handen was, verwierpen ze geheel (Matteüs 16), om pas inzicht en vertrouwen van Jezus zelf te ontvangen na (!) zijn opstanding (Lucas 24,44-48). Om dan toch brood en wijn aangereikt te krijgen om te eten en te drinken, maakt verrassend helder hoe Jezus ook hier werkt: Hij gaat voorop, Hij deelt uit, en dan volgt het vertrouwen of de verharding. Christus gedenken, hoe handelde Christus met de mensen om zich heen? Mag dat gevolgen hebben voor wie we nodigen aan tafel?

Het mooiste lijkt me als de avondmaalsgemeenschap tijdens de viering aan tafel deze vraag steeds opnieuw stelt en zoekt naar antwoorden die vandaag gegeven willen worden door de gemeenschap: hoe gedenken wij hier en nu Christus? Hoe leven wij daarnaar, in de gemeenschap en daarbuiten? Dat vraagt wellicht minder verkondiging en meer bezinning en onderlinge aansporing (Hebreeën 10,25vv). Mijn vermoeden is dat het meer gemeenschap geeft, die de eenheid(sbeleving) van de gemeente versterken kan.

Wel overtuigd ben ik dat we ons in onze viering van het avondmaal ook en nadrukkelijk moeten richten met woorden van verlangen van God tot de mensen die God nog niet kennen. Het mag best worden gezegd dat ‘de wereld’ een plaats is om uit gered te worden. Maar de gast in de kerk die God nog niet kent, maar mogelijk zoekt, moet niet slechts veroordelend met woorden over een slechte wereld toegesproken worden (of zonder aangesproken te worden in het script van de kerk gecategoriseerd te worden als behorend bij de boze wereld). Hij mag persoonlijk aangesproken worden als de niet-gelovige, waar God met verlangen naar uit kijkt.

In een volgende blog probeer ik eens iets uit in de vorm van nieuw script.

Sacramenten in en met de wereld – 5

Samenvattende beschrijving vorige blogs

Wanneer ik nadenk over liturgie, dan gaat het over dienst aan God en zijn dienst aan de mensheid. Begonnen in het paradijs was daar God in zijn goede schepping en Hij genoot er van. Bovendien gebood Hij er zijn zegen over (Genesis 1,21.22 en 25.26). Zijn schepping was vruchtbaar en bedoeld om zich te verspreiden over de hele aarde. Zo kregen de mensen dan ook de taak om te heersen over het geheel van de aarde. Gods goedheid moest wereldwijd worden bekendgemaakt en worden beheerd. Was dit de prelude op de geschiedenis van de aarde, waar het kwaad zich zou manifesteren als tegenkracht? Het heeft er iets van weg. Toen de liefde tussen man en vrouw verkilde door de macht van de slang, was dat een aanslag op de zegen die tot vruchtbaarheid gebood. Waar de liefde verdwijnt, verdwijnt immers de intimiteit die nodig is om te komen tot voortplanting? Maar God gaat door: in zijn beloften aan Abraham blijft de zegen voor de wereld overeind. In zijn aanstelling van Israël als koninkrijk van priesters (Exodus 19) wordt die gerichtheid op de wereld bevestigd, in Christus verankerd en in de aanstelling tot koninkrijk van priesters (I Petrus 2) vernieuwd. Het volk van God is zelf een zegenend volk (I Petrus 3,9) en wordt ingezet om de vijanden van God en zijn volgelingen niet met haat, maar met liefde en zegen van God tegemoet te treden. In de strijd tussen wereld en kerk is de liefde het wapen dat de kerk in handen krijgt van God. God maakt het heel helder dat Hij wil dat zijn schepping gedijt onder zijn zegen.

Het script van de kerk (zie mijn vorige blog hierover) weerspiegelt deze insteek lang niet altijd: de wereld is in ons script vaak een gevaarlijke, slechte, zondige wereld. Zelden neemt de kerk het voor de wereld op bij God in de formulieren van de kerk. Wel doet ze dat ruim in het groot kerkgebed.

Doop

We zoomen nu in op de sacramenten, in deze blog op de doop. Hoe kan de doop ten aanzien van de wereld de taal van liefde en verlangen van God naar haar vertolken?

Ik ga dit niet laten uitlopen op een proeve van nieuw script. (Ik bedoel hiermee script in de vorm van een vaststaand en te gebruiken formulier. Wel zal ik na mijn volgende blog over het avondmaal een blog schrijven met voorbeeldteksten voor doop en avondmaal die in mijn ogen het thema van priesterdienst verdisconteren.) Script is uit in de GKv. En in de afgelopen blogs is wel gebleken dat script zomaar betekenis versmalt of de viering zo stuurt en vormt dat andere facetten die er toe doen, steevast buiten beeld blijven. Immink stelt dan wel dat script de kerkdienst niet doodslaat, maar de deelname van de kerkgangers ‘kanaliseert’ (Sacramenten in en met de wereld – 4), toch ben ik minder positief over script in de kerk. Want script kanaliseert ook het bijbelse getuigenis, omdat het interpretaties geeft van de schrift en keuzes maakt uit relevante gegevens in de schrift. Dan gaat het zomaar ook over de vervormende werking van script.

  • Entree-ritueel

De doop wordt vanouds gezien als een entree-ritueel (HC 27). Mensen die tot geloof komen, ontvangen de doop als teken van hun overgaan van ‘leven in de wereld zonder God’ naar ‘leven voor God in de wereld’. God richt met hen een verbond op en belooft hen bescherming, verlossing en vernieuwing. Daarmee zitten we meteen op de inzet van priesterdienst. Onderwijs en zegen brengen de liefde en de herstellende krachten van God bij de mensen. Biddend en pleitend op het offer van Christus brengen we de mensheid voor God (I Timoteüs 2). Wanneer er mensen door deze liefde van God worden geraakt en veranderen, dan is het de doop die deze overgang markeert. Wat is dan taal die daarbij past?

  • Strijd

Wanneer de doop in de formulieren kan worden getypeerd met woorden als bescherming, verlossing en vernieuwing en deze woorden met dezelfde vaart worden gekoppeld aan de drieënige God (Vader = bescherming, Zoon = verlossing, Geest = vernieuwing), dan wordt volgens de kerk het hart van God zichtbaar in de doop. Zijn schepping ligt onder de doem van duistere machten en Hij beschermt, verlost en vernieuwt zijn schepselen daar. De doop is een overwinningsteken in die strijd: gewassen van zonden die de mens aankleven, met Christus gestorven zelfs, in water waarin men ondergaat of waarmee men wordt besprenkeld. Daarbij kan een duidelijke typering van de wereld waaruit men wordt gered, niet worden gemist. Redding is redding, dan dreigt er dus gevaar. Tegelijk moet bij die typering van strijd helder zijn dat Paulus aangeeft dat we niet strijden tegen mensen, maar tegen machten (Efeze 6). Wie hier priester wil zijn moet de gemeente en haar gasten dienen met helder onderwijs (I Petrus 2,9).

  • Verlangen

Petrus laat zien dat in de confrontatie met mensen die God (nog) niet willen volgen, de stijl van liefde, geduld, vriendelijkheid en zegen de christelijke gemeente past (I Petrus 2-4). Je kunt zeggen dat er een dubbel front is. De geestelijke machten waartegen gelovigen zich moeten wapenen en de mensen die door deze machten worden aangestuurd, bevangen als ze zijn door hen. In de bijbel wordt het gevecht met geestelijke machten geschetst als hevig, gericht op vernietiging van deze machten (Openbaring). Maar in de confrontatie met mensen die God niet erkennen, wordt een ander klimaat zichtbaar: als ze je vervolgen, zie er een erkenning in van de werkelijkheid en kracht van je geloof (I Petrus 4,14-16). Treedt je ze tegemoet, doe dat met liefde, zegen en geduld. Niet met geweld. Wees licht in hun duisternis, wees zout in de wereld, wees een stad van hoop voor mensen in een dal van donkerte. Hier past de stijl van verlangen bij: God ziet naar deze mensen uit en de kerk van Christus is geroepen om die stijl van verlangen aan de dag te leggen. Het is juist dat verlangen van God dat leidt tot de doop van mensen die zijn gered uit de wereld. Bewust van de machten waarin ze waren verstrikt, worden ze gereinigd en staan ze op in een nieuw leven. Hier is de stijl van de priesterschap (I Petrus 2,4.5.9) goed te zien in een houding van belangeloze toewijding aan de wereld. Petrus schetst een gevaarlijke wereld, waar de kerk niet tegen, maar om strijd (I Petrus 210.15; 3,1.2; 4,1-6). En in rapport met mijn vorige blog, is er bij de bediening van de doop een uitgelezen kans om namens de mensen die God niet kennen en dan juist voor je zitten in de kerk, te bidden tot God.

  • Kerkdienst

Dopen in de kerk is meestal dopen van kinderen van gelovigen. Zomaar wordt dat iets van een binnenkerkelijk gebeuren. Het is een ritueel dat door en voor de kerk wordt bediend. De kerk weet zich door God tot dopen geroepen en stelt het ook zo in het script van de kerk: dat de doop wordt bediend aan de dopeling en als herinnering van Gods handelen met degenen die eerder zijn gedoopt. Terwijl de doop (en ook de besnijdenis in het OT) zijn oorspronkelijke betekenis heeft in het aanbrengen van onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen (zie hiervoor Matteüs 28 en HC 27). Een hoopvol onderscheid, want God zoekt de gevallen mensheid met het oog op bescherming, verlossing en vernieuwing.

Nu kun je zeggen, dat we dat als kerk toch hebben begrepen. Immers, het script van de kerk schetst de wereld als vijandig en het evangelie van redding voor de dopeling. Een duidelijk contrast toch? Maar als dat het enige verhaal van de kerk is, worden zomaar niet slechts de geestelijke machten geschetst als vijandig, maar ook de mensen die niet geloven. In de korte formuleringen over de wereld in de drie formulieren, wordt dit aan te brengen onderscheid ook niet erg helder. (Wie geen behoefte heeft aan illustraties uit de doopformulieren: lees de laatste alinea en lees dan verder onder onderstaande kader.)

Een overzichtje: ‘Bij de doop word je in water ondergedompeld of ermee besprenkeld. Zo wordt zichtbaar gemaakt dat je in de ogen van God vuil bent, belast met zonde. Je bent al schuldig als je wordt geboren, al zondig sinds je moeder je ontving. Zo kan God je niet accepteren. Je kunt zijn koninkrijk alleen binnengaan als je opnieuw geboren wordt en een nieuw leven krijgt. De doop wil je dus laten beseffen hoe slecht je eigenlijk bent.’ [formulier 1]; ‘Je moet met de wereld van de zonde breken, wat zondig in je is laten afsterven en vol ontzag voor God leven.’ [formulier 1]; ‘Laat hem gehoorzaam onze enige leraar, koning en hogepriester, Jezus Christus volgen. Dan zal hij dapper strijden tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk.’ [formulier 1]; ‘Laten we eerst luisteren naar wat de Bijbel zegt over de instelling en de betekenis van de doop. Voordat onze Heer Jezus naar de hemel ging, droeg Hij zijn leerlingen op de wereld in te gaan en alle volken tot zijn leerlingen te maken. De mensen die tot geloof kwamen, moesten gedoopt worden in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Bij deze instelling van de christelijke doop heeft Jezus gezegd: Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld.’ [formulier 2]; ‘Het water waarmee wij gedoopt worden, laat ons zien dat wij door de zonde onrein zijn en dat onze zonden afgewassen moeten worden. Als nageslacht van Adam zijn wij in zonde ontvangen en geboren. Job weet zeker dat geen mens tot reinheid kan brengen wat onrein is. Van nature staan wij bloot aan Gods toorn. Daarom kunnen we slechts door een algehele reiniging het koninkrijk van God ingaan.’ [formulier 2]; ‘Beiden, ouders en kinderen, worden opgeroepen om de zondige wereld de rug toe te keren en te vechten tegen de zonde.’ [formulier 2]; ‘Laat hem gehoorzaam onze enige leraar, koning en hogepriester, Jezus Christus volgen. Dan zal hij dapper strijden tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk.’ [formulier 3].)

Opmerking: Ik beweer niet dat in deze zinnen bijbelse onwaarheid staat. Maar hoe moet een ongelovige bezoeker van een doopdienst, uit deze formuleringen halen dat God naar hem verlangt? Het is Gods toorn over leven zonder Hem, de mens zonder God leeft in zonde, is slecht, niet acceptabel, en geestelijke machten en alle mensen die God niet dienen worden samen op één hoop gegooid. Een heldere typering van de machten van het kwaad, de invloed op mensen en het verlangen van God om al deze mensen uit deze gevangenis te redden, ontbreekt.

Dat zou terecht kunnen zijn, als die mensen die God niet erkennen zich ten opzichte van de kerk vijandig gedragen. Maar dat betreft in Nederland niet een aanwijsbare meerderheid. Maar dan roept het zomaar vervreemding op: tegen welke vijand vecht de kerk, als ongelovigen zich vriendelijk gedragen en nota bene welwillend in de kerkdienst komen als er wordt gedoopt, mee met de familie?

Belangrijker is, dat de schrift de gelovigen zelf oproept om de mensen die God niet kennen, zelfs de vijandige, juist met liefde en verlangen tegemoet te treden. De wereld zonder God mag niet alleen als vijand worden neergezet waartegen je je moet wapenen en vechten. Het is ook een wereld waar God naar omziet. Juist de doop herinnert daaraan! De mens die niet gelooft en wel in de kerkdienst aanwezig is bij een doop, heeft er recht op om met Gods verlangen naar hem en haar tegemoet te worden getreden. Hij heeft er recht op dat er onderscheid gemaakt wordt tussen kwade machten en hijzelf die daarin verstrikt is. Hij heeft er recht op dat de kerk het voor hem/haar opneemt bij God. Waar de kerk een goede slag kan slaan ten aanzien van ongelovige bezoekers, benut de kerk die mogelijkheid verre van optimaal. Ze gebruikt taal voor ongelovigen die eerder contraproductief is en mensen bang kan maken voor God. Feitelijk, omdat het allemaal script is vol onderwijs gericht op de gemeente, wordt de wereld niet aangesproken en als aanwezig in de kerkdienst over het hoofd gezien.