Liturgie van de maaltijd – 3. overschot

Wie in de kerk leert genieten van de schuldloze ruimte die God schept, wordt daarbij stilgezet in de prediking, maar ook in de sacramenten. Aan het avondmaal wordt je er aan herinnerd, niet als iets van ooit, maar als iets van nu: vandaag leeft de kerk in de schuldloze ruimte die God schept en de kerk in navolging van God in Gods Naam. Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Wie God leert kennen als degene die vergeeft en liefheeft, leert tegelijkertijd zien dat Hij een God van overvloed is: zijn genade is genade op genade, zoals Johannes stelt in Johannes 1,16. Zichtbaar wordt die overvloed, niet alleen in vergeving en verzoening, ook aan tafel: water wordt wijn (Johannes 2) en een leeg visnet wordt een visnet dat overvol wordt binnengehaald (Johannes 21). Liturgie van de maaltijd – 2. overvloed

Overvloed – overschot

Iedereen weet dat een overvloedige maaltijd overschotten heeft. Wat doe je daarmee? Mijn moeder heeft de oorlog meegemaakt. Zij gooide geen eten weg. Eens in de week was er kliekjesdag en aten we wat over was van eerdere maaltijden. Mijn moeder had zelfs moeite met het weggooien van oude koffie. Ze warmde oude koffie geregeld op, altijd vermengd met melk, verwijderde de vellen en dronk de koffie. Ik denk er met afschuw aan terug. Maar het vertelt me ook iets van een generatie die wist dat voedsel kostbaar was en is. Ik gooi nu veel eerder eten weg en ben mijn schroom daarbij wat kwijtgeraakt. Mijn moeder was getekend door de oorlog. Toen ze stierf vonden we boven in haar kledingkast een behoorlijke voorraad blikgroente. Een soort overlevingspakket voor als er weer eens oorlog zou komen. Eten was voor haar kostbaar. Ze gooide niks weg.

In de bijbel zijn er ook van die ‘overschot-verhalen’. Ruth las aren op het veld en raapte bijeen wat de arbeiders lieten liggen van de oogst. Dat was in die tijd een normale manier van armenzorg. Rijkdom brengt met zich mee dat je over hebt om van uit te delen (I Timoteüs 6). Er is ook het verhaal van de twaalf manden brood die overbleven nadat Jezus van twee vissen en vijf broden meer dan vijfduizend mensen had gevoed. Bij dat laatste verhaal is het minder duidelijk wat de betekenis is van die twaalf manden. Het staat er in ieder geval niet bij.

God zorgt

In Lucas 9 worden de 12 uitgezonden, Israël in. Ze mochten niks meenemen, zelfs geen brood voor onderweg. Ze moeten ervan doordrongen raken dat God voor ze zorgt. Dat blijkt later ook zo te zijn uitgepakt (Lucas 22,35. Dat deze maatregel uit Lucas 9 geen aanbeveling is om altijd in blind vertrouwen op God op reis te gaan zonder voorbereidingen, wordt door het vervolg van Lucas 22 wel onderstreept…). Jezus lijkt ze op de proef te stellen. Als de vijfduizend een plekje moeten gaan zoeken om te eten, zijn er enkel vijf broden en twee vissen. Het zou kunnen zijn dat ze dit voedsel net hebben gekregen van mensen bij wie ze waren geweest. Zelf hadden ze niks, dit hebben ze gekregen. Jezus stelt vrolijk voor om dit voedsel aan Hem te geven. Dat is één keer weggegeven. Vervolgens bidt Jezus, zegent het en begint het te breken en te delen. Dat moet toch voor de leerlingen de omgekeerde wereld zijn geweest: dit voedsel was voor hun en Jezus geeft het weer weg. Zullen zij met een lege maag achterblijven? Durf in zo’n situatie je eten maar eens weg te geven. Maar ze doen het en komen niet bedrogen uit. De menigte krijgt genoeg en voor iedere leerling van de twaalf blijft één mand voedsel over: twaalf manden vol. Dat is een bijzondere manier om aan je voedsel te komen: door te delen van wat je hebt, hou je een overvloed over voor jezelf. Deze restanten in twaalfvoud vormen een getuigenis: God zorgt echt wel voor je. Ik heb geen idee wat er verder mee is gedaan. Hebben de leerlingen die manden meegenomen, ieder één? Omdat het verhaal er verder niks over zegt, lijkt me de betekenis in ieder geval te zijn dat Jezus zijn leerlingen wijst op God die te vertrouwen is. Zelfs als je je terecht ontvangen brood deelt met de mensen om je heen, laat God je niet los. Hij zorgt.

Verspilling

Dat is dus één betekenis van resten van je eten: God laat zien dat Hij voor je zorgt. Maar stel, je bent daarvan doordrongen. En dan? Wat zou je er dan mee doen als je de tafel afruimt? Ik vind het drinken van oude koffie door mijn moeder behoorlijk ver gaan (en overdreven: mijn moeder zou blij zijn met de Senseo’s van nu: nooit teveel, altijd precies genoeg!). Maar is weggooien dan het alternatief? Van rijkdom deel je uit, lijkt eerder het devies in de schrift. Ruth profiteerde van Boaz’ rijkdom en Paulus raadt Timoteüs aan om de rijken tot hetzelfde gedrag als Boaz aan te sporen. Nienke Boone (Nienke Boone) vertelt dat verspilling een groot probleem vormt in het kader van de uitstoot van CO2. Na China en de VS zorgt verspilling voor de grootste uitstoot van CO2 (3,3 gigaton). Ze maakte mij erop attent dat bijvoorbeeld een overrijpe banaan niet zomaar staat voor iets dat bedorven is en kan worden weggegooid. Met het weggooien van zo’n overrijpe banaan gaan land, water, tijd en energie (verplaatsen via vervoer over water) ook de prullenbak in. Al met al gooien Nederlanders per persoon per jaar gemiddeld 50 kg aan voedsel weg. Dat is heel erg veel overtollige uitstoot van CO2. Het is daarom belangrijk om stil te staan bij je afval en jezelf de vraag te stellen, of je er niet iets zinnigs mee kunt doen. Weggooien is vaak een vorm van verspilling, die je creatief zou moeten maken. Tenminste, als de aarde je lief is en de kwaliteit van jouw leven en dat van anderen.

Maar, zo vraag ik me af, wat voegt de kerk toe aan het rijtje dat Nienke Boone noemt? Wie eten weggooit, gooit land weg, en tijd, en water en energie. En wat nog meer? Als wij leven van genade in Gods schuldvrije zone, als wij leven in overvloed als teken van Gods overvloedige genade, als de resten van ons eten ons vertellen dat God echt voor ons zorgt en daarin betrouwbaar is en verder dat ontvangen rijkdom is om ervan uit te delen, dan durf ik het wel zo te zeggen: wie eten weggooit, gooit land weg, en tijd en water en energie…en overvloedige genade. Dat stemt me tot nadenken: hoe dien ik Jezus, hoe dien ik God met wat ik overhoud van mijn eten? Weggooien kan nodig zijn, niet alles is te bewaren. Maar Gods trouw zien in mijn afvalbak, dat prikkelt: moet het daar zijn, of kan ik er nog iets mee doen? Toen ik hier een preek over hield, noemde ik in het slotgebed onze vuilnisbak ‘zelfs een heilige plaats’. Het floepte er zomaar uit, maar ik vind dat er waarheid in zit. Zo wordt het een uitdaging om over etensresten na te denken met de vraag wat je er nog mee kunt.

Creatief

Vandaag wordt er heel wat gekookt met schillen (koken met schillen). Er zijn allerlei recepten voor die je helpen met wat we ‘culinair recyclen’ noemen. En herstel de kliekjesdag. Laat je uitdagen!

Liturgie

Je huisliturgie verandert er door. Je maaltijden laten zien dat voedsel kostbaar is, dat je bent gegroeid in je begrip van genade. Daar ga je gewetensvol mee om. Je gaat in de kerk vooral niet moeilijk doen over brood dat over is van de viering van het avondmaal en elders opgegeten wordt. Je kunt het zelfs zien als een voortzetting van deze maaltijd. Het is goed mogelijk om in de kerk een uitwisseling te bevorderen van recepten die iets doen met wat we nu afval van voedsel noemen.  Je kunt het natuurlijk ook  zoeken in zuiniger koken. Dat heeft alleen als nadeel dat je minder ziet van de overvloedige genade van God. Genade die bedoeld is om van uit te delen, omdat het altijd meer is dan wat je voor jezelf nodig hebt.

Advertenties

Liturgie van de maaltijd – 2. overvloed

Als ik nadenk over eten en drinken, klinken altijd de woorden uit Genesis 3 in mijn hoofd. Woorden die tot de man worden gesproken, omdat hij en Eva zich hebben vergrepen aan de boom van kennis van goed en kwaad. Je moet er van afblijven, van die boom en van de levensboom, had God gezegd. Als je er toch van eet zul je sterven. Dat hebben ze geweten, Adam en Eva. ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ (Genesis 3) ‘Sterven’ blijkt bij God een rekbaar begrip. Zeker betekent het dat mensen dood gaan. Maar het betekent ook dat de vrouw moeite zal ervaren bij het krijgen van kinderen en dat de man alleen met pijn en moeite zijn werk zal doen. Sterven doe je niet alleen aan het slot van je leven. Je doet het je hele leven. Dit resoneert in mijn hoofd als ik denk aan God in combinatie met eten en drinken: moeilijk, leven met een vloek van God die je leven kleurt als een stervensproces. Het leven zelf wordt geraakt in de vloek van God: nageslacht krijgen wordt moeizaam, brood op de plank net zo. Terwijl het toch vanaf het begin anders was bedoeld: een soort eten uit de hand van God (Genesis 1,29). Maar is het ook zo in het leven van alledag: what you see is what you get? Heb ik als christen misschien een te sombere blik?

Herschepping

Het begint voor het volk Israël al vroeg te kantelen. In de eerste hongersnood brengt God een ommekeer. Jakob en de broers van Jozef leven van onverwachte genade (Genesis 45,5.6). Onverwacht en onverdiend. God is een God van overvloed. En later in de geschiedenis stelt God zijn volk Kanaän in het vooruitzicht. Dat is een land dat overvloeit van melk en honing (Exodus 3,8). Zo ligt het klaar voor het volk, alsof ze in een gespreid bedje komen. Welkom, niet in eigen huis en haard, maar God schept ruimte voor zijn volk. Zelfs in ballingschap mag het volk zegen verwachten voor zichzelf als het aangespoord wordt om te gaan settelen in Babel: woon er, verwek er kinderen, bid voor de stad, bouw aan de stad. God zoekt ons geluk, staat er dan zelfs bij (Jeremia 29). In het Oude Testament is al veel te zien van Gods ontferming over zijn volk. Er is veel te zien van God die dan niet zuinig is in zijn ontferming, maar overvloedig. Als het gaat in de taal van de maaltijd, is Jesaja 25 niet te missen. Daar zie je in het hart van God. Het is een maaltijd waar nog geen rekening gehouden wordt met diëten en beperkte aantallen calorieën of koolhydraatarme recepten. Het gaat er uitbundig aan toe. God laat zich telkens kennen als een God van overvloed.

Johannes 1 laat zien dat Gods Zoon lijkt op zijn Vader. Jezus wordt in Johannes 1 geportretteerd als Gods nieuwe begin. Alhoewel, nieuw. Hij was er ook toen God met de schepping begon. God heeft echter zijn schepping nooit losgelaten, ook niet toen deze schepping zich van Hem afkeerde. Er is sprake van duisternis en van mensen die horen bij deze duisternis. Maar er zijn ook kinderen van het licht, mensen die het Woord van het begin, Jezus, volgen. Deze mensen ontvangen genade op genade, stelt Johannes 1,16. ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt’, zo vertaalt de NBV het. Bij ‘genade op genade’ dacht ik tot voor kort vooral aan vergeving en bevrijding, mogelijk genezing. Maar het lijkt er sterk op dat Johannes dat breder ziet. Wie Jezus volgen is het recht gegeven om kinderen van God te worden, stelt Johannes 1,12. Natuurlijk gaat dat over vergeving en verzoening. Maar het eerstvolgende hoofdstuk gaat over iets anders. In hoofdstuk twee is er de bruiloft in Kana die beschreven wordt. Overvloed, overvloedige genade of genade op genade, krijgt daar de betekenis van feest, zichtbaar in verrassende, zeer goede wijn, die Jezus daar ter plekke schept uit gewoon water. God spreekt en het is er, wordt hier weer zichtbaar. Tot mijn verrassing in voedsel. Zomaar is de aansluiting bij Genesis herkenbaar. God die het leven goed en overvloedig inricht voor zijn schepselen. Ook in eten en drinken. Gods volk eet uit de hand van God. Je kunt zeggen: het is een bruiloft. Mooi dat Jezus met zijn eerste wonder het bruiloftsfeest redt. Maar mogelijk niet voor herhaling bedoeld. Ik vind het echter opvallend dat dat accent van de overvloed in het slothoofdstuk van Johannes, hst. 21, opnieuw wordt geraakt. Lees ik teveel in de scène van de wonderlijke visvangst als ik het vissen van de leerlingen eerst zie als een eigen poging om met veel moeite (vloek Genesis) brood op de plank te krijgen, en na de ‘tip’ van Jezus zie als een zoveelste uitwerking van ‘genade op genade’: Gods genade is zichtbaar tot in het dagelijkse voedsel toe. Voor en na de opstanding van Jezus is er de ruimgevende en royale God die in overvloedig voedsel zijn ruimhartigheid laat zien.

Delen en ontvangen 

De nieuwtestamentische gemeente blijkt dan ook een delende gemeente te zijn (Handelingen 2 en 4) en Paulus herinnert de Korintiërs er aan dat ze niks van wat ze hebben of bezitten, zelf hebben meegebracht (I Korinte 4). Het laat allemaal goed zien wie God is en hoe Hij graag ziet dat zijn overvloed wordt ontvangen en uitgedeeld, in plaats van gezien als eigen bezit, zelf verdiend en om voor jezelf te houden. God dompelt zijn wereld onder in zijn overvloed. Het zegt volgens mij veel, als op zoveel plaatsen in de wereld niet genoeg te eten is of zelfs honger is. Het heeft er alles van dat we er niet in slagen als mensheid om de ruimhartigheid van God in praktijk te brengen. We weten inmiddels dat er genoeg is voor iedere levende ziel op aarde. Maar kijken naar de honger op aarde stimuleert wellicht niet om te leren delen. Juist de overvloed die velen van ons hebben, nodigt ons uit om eerlijk te kijken: heb ik dat allemaal bij elkaar verdiend? Is het van mij of krijg ik het? Wie in die overvloed zijn genadige God gaat ontdekken, die leert te delen. Wat ik heb gekregen, is van God en vraagt om te worden gedeeld.

Soberheid

Als God een God van overvloed is, wat betekent het dan dat er in de bijbel ook aandacht wordt gevraagd voor soberheid? God heeft een hekel aan decadentie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de profeten (bv. Amos). Paulus maant ook om tevreden te zijn met wat je hebt en waarschuwt de rijken (I Timoteus 6). Geldzucht wordt in datzelfde hoofdstuk ook nog eens de wortel van alle kwaad. Mijn gedachte daarbij is dat in de schrift alert wordt gereageerd, als mensen hun eigen welvaart gaan organiseren (en veilig stellen). Dat loopt zomaar uit de hand. Wie rijk is wordt niet afgeserveerd als hebbert, maar wel gewaarschuwd om je vertrouwen vooral op God te blijven stellen. Je krijgt je rijkdom van God zelf en als zodanig kun je er volop van genieten en van uitdelen. Het mooie is dus dat God zelf niet vanuit de mogelijke ontsporing van mensen, zelf zuinig wordt. Integendeel. Juist omdat Hij een God van overvloed is, hoeft geen mens zich zorgen te maken. God zorgt.

Liturgie

Voor de liturgie betekent dit, dat we in onze huizen aan tafel volop kunnen genieten van de overvloed die God ons geeft. Het betekent dat we volop onze medemens kunnen laten delen in de rijkdom die God ons geeft. Geen zuinigheid alstublieft, maar vier de overvloed die God geeft en wees als God goedgeefs. Het zou weleens op z’n plek kunnen zijn, bij aangeleerde ‘calvinistische’ zuinigheid, om elkaar te leren om vrij te genieten van wat God geeft. Vrij, dus niet met weggestopte schuldgevoelens gepaard. Dat lijkt me in het licht van wie God zelf is, eerder aan God tekort doen dan dat we Hem met zo’n houding dienen of zichtbaar maken.

Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Eten met Jezus is een thema dat aandacht genereert. er zijn verschillende boekjes over verschenen (Tim Chester, Met Jezus aan tafel; Stefan Paas, Eten met Jezus en onlangs nog van Peter-Ben Smit (ed.), Rond de tafel). Geregeld gaat het dan over maaltijden waaraan Jezus deelneemt. Aan die maaltijden wordt van alles gezegd en gedaan, waarvan mensen leren. Terecht om dat aandacht te geven. Waar ik in deze blogs aandacht voor vraag, is voor de maaltijd zelf. Dus: hoe kijken we naar ons voedsel? Liturgisch geformuleerd: wat vieren we op deze wereld als wij eten? Zichtbaar voor elkaar als christenen, maar net zo goed voor mensen die God niet kennen. Wellicht zijn het je gasten aan tafel.

Allereerst sta ik stil bij het avondmaal. Een tweede blog gaat over een gewone maaltijd. Een laatste blog gaat over de ‘leftovers’, de restjes of de kliekjes van de maaltijd. In de vroege kerk was het avondmaal in de kerkelijke viering een onderdeel van de liefdemaaltijd. Men at met elkaar en liet elkaar delen in wat men voor elkaar meenam om op te eten. Nu is dat niet meer zo en dat is best jammer, omdat we nu meer moeite moeten doen om de samenhang tussen avondmaal en gewone maaltijd aan te wijzen.

Brood en wijn

Brood en wijn maken meteen duidelijk dat het aan het avondmaal gaat over de Heer Jezus Christus. We eten en drinken hem, in symbolische tekenen brood en wijn. Hij vergelijkt zich immers met brood en wijn. Het avondmaal is een gedachtenismaaltijd van de kerk. Echt niet alleen op z’n Zwingli’s, alsof het alleen een terugdenken is aan Jezus’ lijden en sterven. Het is een tegenwoordig stellen van dat gebeuren. Het is nu waar, nu van betekenis, deze maaltijd heeft impact op mijn leven nu. Maar wat is dan waar en van betekenis en hoe wil je leven dan?

Verkondigen en scheppen

De maaltijd van de Heer gaat over een door God geschapen schuldloze zone. Dat kleurt de maaltijd van de kerk. Die schuldloze zone betekent niet dat er binnen die zone geen zonde meer is, maar wel dat dat er geen schuld meer is (Matteüs 26,28). Je kunt zeggen dat Jezus deze zone schept. Je kunt evengoed zeggen dat Jezus het scheppende vermogen om deze schuldloze zone aan te bieden aan mensen, in handen legt van zijn kerk. Vooral in handen legt van zijn kerk, kun je wel zeggen.

Ik maak een kleine omweg en kom dan weer terug bij de schuldloze zone. Er zijn mensen die beweren dat de woorden van Jezus belangrijker zijn dan de woorden van Paulus bijvoorbeeld, of andere latere schrijvers.  Daar zou Jezus het niet mee eens zijn. Hij geeft immers de prediking met beloofd effect in handen van zijn leerlingen (Johannes 17,20, waarbij je zou kunnen stellen dat de brieven mogelijk kunnen worden gezien als een soort van eerste commentaar op het onderwijs van Jezus. Zo oppert tenminste Fleming Rutledge.) Later, in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs, stelt Paulus dat het woord over het kruis voor ons die gered worden, de kracht van God is. Dat ‘woord’ is het gepredikte woord door de leerlingen van Jezus. Daarom wordt het woordje ‘woord’ ook wel weergegeven met ‘boodschap’ (NBV) en ‘gepredikte woord’ (in de exegese).

Zo kom ik weer uit bij de betekenis van het avondmaal. De kerk verkondigt (I Korintiërs 11,26: niet op te vatten als verkondiging door het vieren zelf, maar als verkondiging met woorden. ‘Verkondigen’ is steeds ‘met woorden’.) het woord van het kruis. Dat woord bevat kracht van God. God spreekt en het is er. Maar nu spreekt de kerk en het is er: God geeft kracht aan die woorden, scheppingskracht. In navolging van Jezus schept de kerk door de prediking en door ieder die het woord van het kruis spreekt, de schuldloze zone. En aan de avondmaalstafel wordt deze schuldloze zone zichtbaar in brood en wijn die gedronken en gegeten wordt door de avondmaalsgangers. In volledige vrijheid!  Zelf ben ik allereerst een representant van die schuldvrije zone.

Uitnodigend leven

De maaltijd van de Heer wordt gevierd in de schuldloze zone. Het herinnert me aan de taak van mijzelf en van de gemeente in de wereld: het scheppen van zo’n schuldloze ruimte en de nodiging aan de mensen aan wie dit evangelie wordt gebracht, in die schuldloze zone te stappen. Het vraagt om een manier van leven die niet veroordelend is. Maar juist om een manier van leven die het oordeel van mensen over zichzelf en anderen aan de orde stelt en er uit haalt (Johannes 8:  ook ik veroordeel u niet). Een nodiging om de maaltijd als teken ervan mee te vieren.

Nieuw

Voor mij was het nieuw om over het woord van het kruis te spreken als een scheppende kracht. En ook dat we als volgelingen van Jezus de positie hebben ontvangen om met God mee te scheppen.  Waar dit bij het avondmaal zichtbaar wordt als een woord dat ruimte schept, blijkt in elke maaltijd de ruim gevende God aanwijsbaar te zijn. Daarop ga ik in in de volgende twee blogs.

Samenkomen

Kerkdienst als ankerpunt
Kerken zijn zomaar gericht op de samenkomst op zondag. Daar is niks mis mee, want daar gebeurt iets moois. Het lichaam van Christus komt daar samen, het Woord wordt gebracht, de lofzang klinkt en doop en avondmaal worden daar gevierd. Kerk en wereld ontmoeten hier elkaar, in de gemeente die in de wereld leeft en deze meebrengt in de ontmoeting met God in de samenkomst. Gasten onderstrepen dit. En opgebouwd en geïnspireerd door de Heer van de kerk gaan de bezoekers van de diensten de wereld weer in. Hier werkt de Geest. Toch is de kerkdienst als ankerpunt van de christelijke gemeenschap een vorm die zichzelf zomaar verzwakt.

Verzwakt
Dat gebeurt wanneer de samenkomst hèt ontmoetingsmoment wordt van de kerk van Christus. Dat vindt plaats als, kort gezegd, de gemeente er vanuit gaat dat aanwezigheid in de samenkomst hoort en afwezigheid niet hoort; als opzoeken van gemeenteleden die niet komen in het teken staat van ‘terughalen naar de kerkdienst’. De kerkdienst als ankerpunt van de christelijke gemeenschap wordt helemaal verzwakt, wanneer de omgang door de week met broers en zussen in Christus achterwege blijft als deze niet komen in de kerkdienst. Of overgelaten aan ambtsdragers, soms met het motief dat we niks hebben met degenen die we (vaak al een poosje) niet meer zien.

Wat in de bovenstaande gedragslijn namelijk opvalt is dat de christelijke gemeenschap samenvalt met ‘naar de kerkdienst komen’. Daarmee wordt de kerkdienst zelf verzwakt, omdat de denkrichting is: de gemeente hoort hier samen te komen, dit is de plek van samenkomen. Verzuimd wordt om de andere kant op te denken: de gemeente hoort ook bij degenen die niet meer komen en dus moeten we de dienst uit en de ander opzoeken. Samenkomen is niet iets van de zondag alleen, het is iets dat christenen typeert op elke dag van de week.

Ik wil niks afdoen aan het belang van de ambtelijk gestructureerde ontmoeting tussen gemeente en God. Samenkomsten waar mensen samenkomen onder leiding van mensen die de gemeente heeft aangesteld om haar te leiden, mensen die ook door God tot die taak zijn geroepen, die zijn gewichtig. Daar mag je veel van verwachten, omdat God zich ook via deze geroepen mensen verbindt aan de gemeente. Het is dan ook te snappen als er een gevoel van gemis is bij de gemeente die samenkomt, als anderen wegblijven. Maar een gemeente die haar leden laat lopen in de wereld en ze niet meer zoekt, begrijpt haar verantwoordelijkheid niet voor haar leden. Een gemeente die haar leden opzoekt met het oog op hun terugkeer naar de kerkdienst, verzuimt te bedenken dat de Heer van de kerk het verlorene zoekt en blij is als Hij het vindt (Lucas 15,1-10: niet het terugbrengen staat centraal, maar het vinden). De kerk is daar waar je je als gelovige bevindt (vergelijk het spreken van Paulus over de individu en de gemeente als tempel van de Heilige Geest in de brief aan de Korintiërs, I Korinte 3,16 en 6,19). Waar ik een broer of zus door de week opzoek, daar is Christus in ons midden en daar is dan ook de kerk. Het is mooi om degene die je bezoekt, daarvan op de hoogte te stellen. Verder moet er vooralsnog even helemaal niks. Geen agenda ‘kerkgang’ alstublieft, maar ter plekke de kerk vieren.

Aanhaken
Waarom is dit belangrijk? Omdat de broer en zus die de kerkdienst niet meer bezoeken, daar kennelijk geen boodschap meer aan hebben. Dat kun je erg vinden, maar dat oordeel zit me zomaar in de weg om te laten gebeuren wat ik kom doen bij die ander: kerk-zijn vieren. Hen terug willen halen, is hetzelfde als investeren in wat als irrelevant of als obstakel wordt ervaren door die broer en zus. Dat gaat ‘m niet worden. Stoppen met terugroepen naar de kerk is natuurlijk niet hetzelfde als meedoen met de ander en suggereren dat de kerkdienst eigenlijk onbelangrijk is. Maar het is wel aanhaken bij die ander. En waar je de ander eraan herinnert dat jij-bij-hem-en/of-haar ook kerk-zijn is, is evangelie. Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan.

Mini-liturgie
Een goede vriendin van mij heeft voor het pastoraat mini-liturgietjes gemaakt. In de sfeer van Bid, Luister, Leef, met een lied, een lezing, een stilte, een gedicht en een zegen. Zieken en aan huis gebonden gemeenteleden vinden het prachtig: je brengt de kerk aan huis in je aandacht en meeleven, maar ook in een korte liturgie. Dat zou iedereen op zak moeten hebben, ook als je op bezoek gaat bij mensen die de kerkdiensten om wat voor reden dan ook mijden. Als het kan, samen bidden, luisteren, zingen. En van opdringen van zo’n gezamenlijk liturgisch moment kan natuurlijk geen sprake zijn.

Mogelijk heeft dit zijn weerslag op de mensen die je bezoekt en komen ze ook weer in de kerkdienst. Mogelijk ook niet. Maar de kerk is zo tenminste volop en krachtig aanwezig bij diegenen die zomaar van de gemeenschap vervreemden. De wekelijkse samenkomst wordt niet verzwakt, maar krijgt zijn uitlopers in de week. En iedereen kan dit doen.

Hebreeën 10: samenkomsten
Hebreeën 10 is vanouds een tekst die gaat over samenkomen. Vaak is deze tekst gelezen als woord om mensen van het belang van de kerkdienst te doordringen. Verzuimen is wat wordt verboden. In de Hebreeënbrief staat (10,24-25): ‘Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen.’ Het is heel duidelijk hoe belangrijk de schrijver samenkomen (enkelvoud in het grieks) vindt. Het is meteen duidelijk dat wegblijvers het belang van samenkomen niet onderkennen!
Maar het Griekse woord voor ‘samenkomsten’ is niet zomaar te vereenzelvigen met onze samenkomsten. Je kunt goed zien dat het woord ‘samenkomen’ wordt gekwalificeerd door wat er in zo’n samenkomst gebeurt: bemoedigen, aanvuren om lief te hebben en goed te doen, opmerkzaam blijven, zoals vers 24 zegt. Die woorden vallen op hun plek als je het woord ‘samenkomen’ beter begrijpt. Van Bruggen schrijft er over in het commentaar van H.R. van de Kamp, Hebreeën. Geloven is volhouden, CNT, 3, 2010:
‘Het betekent ‘bijeenvergadering’ of ‘samenbrenging’. Een hele stad kan zijn ‘samengedromd’ op het plein (Mc. 1,33), een duizendkoppige gemeente kan ‘samenstromen’ (Lc. 12,1), gieren ‘komen met elkaar af’ op een lijk (Lc. 17,37) en een kip brengt haar kuikens bijeen onder haar vleugels (Mt. 23,37). Het werkwoord episunagein is dan heel geschikt als aanduiding voor de uiteindelijke bijeenvergadering van alle gelovigen vanaf de vier windstreken (Mt. 24,31). (…) Dit woord wordt nergens gebruikt voor repeterende vergaderingen of bijeenkomsten. Er is dan ook aanleiding om Heb. 10,25 iets specifieker op te vatten.’
Bijeenkomen hier is dus gericht op elkaar meenemen op weg naar Gods reddende en oordelende ingrijpen. Dat bevat meer momenten dan alleen de bijeenkomsten op zondag, maar ook het elkaar opzoeken, met elkaar optrekken, vanuit deze grote drijfveer: blijf gefocused op je redding!

Kinderen en avondmaal

Peter Sinia promoveerde onlangs (20 april 2018) op het onderwerp kindercommunie. Hij studeerde 7 jaar en schreef From the least to the greatest. Children at the Lord’s Supper. Paedocommunion in the Dutch Reformed Tradition. Peter Sinia zou graag ruimte zien voor kinderen aan het avondmaal (Kuijper, ND 20/4). Zelf ben ik jaren bezig geweest met dit thema, maar heb mijn voorbereidingen voor een promotiestudie afgebroken om verschillende redenen. Nu het boek van Peter er ligt, verschijnen ook de eerste reacties.

Geen avondmaal zonder bekering, reageerde Arnold Huijgen (Huijgen, ND 25/4). Wel zegt hij dat catechisatie eerder kan beginnen, zodat kinderen jonger belijdenis kunnen doen en aan het avondmaal mogen. Maar wat is het doel van catechisatie? Wat gebeurt er in het sacrament en wat betekent het om kerk te zijn, met de kinderen erbij?

1. Catechisatie is je doop leren begrijpen.
Catechisatie zou vanuit liturgisch oogpunt onderwijs moeten zijn dat helpt om je doop te gaan begrijpen. Zo beloven ouders bij de doop van hun kinderen dat ze hun kinderen onderwijzen en door de kerkgemeenschap laten onderwijzen. Dat betekent dat catechisatie niet is gericht op wat nog moet gebeuren (tot persoonlijk geloof komen), maar op wat er met de dopeling is gebeurd. Concreet betekent dit, dat de dopeling zou moeten horen dat hij door God op zijn weg is geplaatst vanaf zijn eerste levensbegin. Dooponderricht onthult de werkelijkheid van de gedoopte en plaatst dat in het kader van de leer van het Oude en Nieuwe Testament, zoals de doopouders bij de doop belijden. De Vader beschermt, de Zoon verlost, de Geest eigent die verlossing toe. De ware en volkomen leer van de verlossing gaat over de verlossing waar de gedoopte in ondergedompeld is. Daarmee bedoelt de gereformeerde theologie geen verbondsautomatisme te verwoorden, maar wel de werkzame kracht van God die kenbaar wordt gemaakt bij de bediening van de doop.

De vragen die aan doopouders worden voorgelegd bij de doop van hun kindje, zijn de volgende. Ik gebruik hier de vragen uit de formulieren van de GKv.

Erkent u dat N.N. zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets
goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn, maar dat
hij toch in Christus voor God heilig is en daarom als lid van zijn gemeente
behoort gedoopt te zijn?
Belijdt u dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament die in de Apostolische
Geloofsbelijdenis samengevat is en in deze gemeente verkondigd wordt, de
ware en volkomen leer van zijn redding is?
Belooft u dat u uw zoon/dochter zult voorgaan in een christelijke manier van
leven en hem zo goed mogelijk zult onderwijzen en laten onderwijzen om hem
te leren begrijpen wat het betekent dat hij gedoopt is?

2. Het sacrament onderwijst zelf.
Bovenstaande laat zien dat God door het sacrament heen werkt. Hij laat de kinderen van de kerk leven uit genade. Ze mogen dat als een werkzame werkelijkheid ontdekken in de loop van hun leven. Hun ja op God, als ze dat geven, is een ja in tweede instantie. Het eerste ja is Gods belofte en bewerkt en draagt het tweede. Waar dat bij de doop zo is, is er bij het avondmaal geen reden om te veronderstellen dat het bij dit sacrament ineens een doel is geworden waaraan je deel krijgt na persoonlijk geloof te hebben beleden. Temeer omdat het in de kern van beide sacramenten gaat om dezelfde dingen. Een verschil tussen doop en avondmaal is dat in de doop God handelt aan de mens en dat in het avondmaal de gemeente de handelende persoon is (Schee, v.d.). Maar het is, lijkt me, niet aan de gemeente gegeven om bij het avondmaal anders dan God zelf om te gaan met zijn genade.

Dit is meer dan een gedachte per consequentie, het is ook aanwijsbaar in de schrift zelf. In het Oude Testament was het Pascha de maaltijd waaraan de kinderen deelnamen en zo kwamen tot gedenken van God die zijn volk uitleidde uit Egypte. Jezus gebruikt het avondmaal bij de eerste viering net zo. Leerlingen willen geen lijdende en stervende Christus, al erkennen ze Hem als Messias. Toch viert Jezus deze maaltijd met hen. Pas vlak voor zijn heengaan naar de Vader, opent Jezus het verstand van de leerlingen, opdat ze gaan begrijpen hoe de schrift spreekt over Jezus.

3. Zelfonderzoek is gericht op vieren met de gemeente.
Zelfbeproeving bevat in de gereformeerde avondmaalsformulieren een ongemakkelijke eenzijdigheid. Namelijk haar gerichtheid op het ‘ik’. De gemeente komt in de zelfbeproeving niet of nauwelijks aan bod, terwijl de zelfbeproeving van Paulus in I Korinte 11 juist gericht is op de verbinding met de gemeente. Het is belangrijk om dit ruime aandacht te geven. Zelfbeproeving leidt tot geloven in verbondenheid met de gemeenschap. Dit raakt onze voorstelling van de gemeente en onze verbinding met de gedoopten bij het avondmaal. We worden gedoopt tot één lichaam en we worden gevoed tot één lichaam. Wie stelt dat Paulus in I Korinte 12,13 zegt dat gedoopten in de Geest één lichaam zijn, kan niet eenvoudig zeggen met I Korinte 10,17 dat zij die van het brood eten, één lichaam vormen, en daarbij beweren dat de kinderen niet mogen deelnemen. Terwijl juist het eten en drinken maken dat je bij het ene lichaam hoort. Er zit in de gereformeerde liturgie een ongemakkelijke spanning bij het weghouden van de kinderen van de kerk bij de viering van het avondmaal. Juist het belijdende lid zou door de zelfbeproeving moeten uitkomen bij het omarmen van andere belijdende èn niet-belijdende leden van het lichaam.

4. Het avondmaal alleen voor wedergeborenen?
In de confessies (NGB art. 35 [NGB], HC v/a 81 [HC]) krijgen de wedergeborenen en de gelovigen hun tegenhanger in de goddelozen en de huichelaars. Kinderen van gelovigen krijgen in HC 27 een plaats binnen de gemeente. Ze moeten ‘bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden’. Daarmee horen de kinderen van de kerk in ieder geval niet tot de contrastgroep van de wedergeborenen en de gelovigen in de confessies: het zijn geen goddelozen en huichelaars. Ze horen nadrukkelijk bij de kerk. DL I.17 (DL) spreekt in verband met jong gestorven kinderen zelfs over hun uitverkoren zijn vanwege het genadeverbond. Hoe intens verdrietig de situatie ook is waarover de Dordtse Leerregels spreken, is deze belijdenis van geloof te beperken tot jong gestorven kinderen of zegt het iets over hoe we in de kerk naar de allerkleinsten kijken? Hier blijkt toch de zeggingskracht van het verbond voor de kinderen van de kerk, verwoord in dankbare verwondering? Ik weet dat kleine kinderen gebracht moeten worden door kerkelijk onderwijs tot persoonlijk geloof. Maar de kerk is intussen bepaald niet zuinig of terughoudend in te benoemen hoe ze naar haar gedoopte kinderen kijkt.
Er zijn goede redenen voor de stelling dat over kind en avondmaal confessioneel niets wordt beweerd. Een andere vraag is hoe onze manier van avondmaal vieren past bij de rest van de kerkelijke praktijk. Vraag & antwoord 117 van de Heidelbergse Catechismus gaat over bidden. Wat daar beweerd wordt over een gebed dat voor God aangenaam is, gaat over een wedergeboren bidder.

HC 45, v/a 117

Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?

Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden. Ten tweede dat wij onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen. Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Er is geen ouder die tegen zijn kind zegt: eerst zelf tot geloof komen, dan mag je pas bidden. Nog een illustratie: onze liturgische praktijk zegt bij het uitspreken of zingen van de geloofsbelijdenis in de dienst niet tegen de kinderen: hou je maar stil, want je weet nog niet goed wat de kerk hier in geloof belijdt. De gemeente belijdt, gelovig en lerend, en kinderen doen mee als leden van het ene lichaam. Je ziet dat waar de confessie en de liturgie de toonhoogte treffen van de wedergeboren christen, de kerk er zomaar de kinderen mee laat oefenen. De kinderen verkondigen op die momenten van de liturgie vrijuit het evangelie mee met de rest van de gemeente. Zou er in het verlengde van deze plaats van de kinderen in de confessie en de liturgie, geen ruimte zijn voor aangaande kinderen aan het avondmaal?

Het zou wat waard zijn als de vraag wordt beantwoord of de verbleekte relatie tussen kinderdoop en avondmaal niet een oorzaak is van het uitblijven van openbare geloofsbelijdenis in onze tijd. En oog hebben voor hoe we in de kerk leren, kan een ontspannen omgang met deze vraag opleveren.

Deze blog is in iets verkorte vorm ook gepubliceerd in het Nederlands Dagblad (Roth ND 11/5).

Promotie

 

 

Zegenend leven

Onlangs las ik het boekje ‘”Nou, het beste…”. Over zegenen gesproken’ van André de Haan (6e druk, 2008). Het gaf me een beeld bij ‘zegenend leven’. Zegenend leven is belangrijk, omdat de volgelingen van Jezus samen een koninkrijk van priesters vormen (1 Petrus 2,5 en 9), en priesters zegenen (I Petrus 3,9). Tenminste, dat doen ze onder andere. Ze bidden ook, ze onderwijzen en ze offeren. Maar in dit blog ga ik het hebben over zegenen. Zegenend leven. Wie niet zegenend leeft, onthoudt zichzelf veel.

Roeping

Het valt meteen op dat Petrus het heeft over ‘roeping’. Volgelingen van Jezus zijn geroepen om te zegenen. Wat is dat woord ‘roeping’ voor een woord? We kennen het uit onze eigen taal: wie geroepen wordt (aan tafel om te eten bijvoorbeeld), wordt geacht om te komen. Als iemand ‘een roeping’ heeft, dan heeft iemand een sterke overtuiging om iets wel of juist niet te gaan doen. Iemand roepen betekent dat er een soort verwachting wordt duidelijk gemaakt: de persoon die roept wil graag dat je gaat doen wat gevraagd wordt. Zo zie je het in de bijbel ook terug. In I Petrus 2,21 kom je het tegen als Petrus zich richt tot de slaven, die geregeld onverdiend leed moeten verdragen (vers 19). ‘Dit is uw roeping: ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam (vers 21-22). Ook in I Petrus 5,10 kom je het tegen. Dan gaat het over waakzaamheid in de strijd tegen de duivel die als een brullende leeuw rond gaat. Daar kun je van schrikken en je kunt er bang van worden. Maar Petrus zegt dan: ‘Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, heeft u geroepen om in Christus Jezus deel te krijgen aan zijn luister. God zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet meer zult wankelen’ (vers 10). Tenslotte een voorbeeld uit de brief van Paulus aan de Romeinen (Romeinen 8,30). Paulus schrijft daar: ‘Wie hij hiertoe heeft bestemd, heeft hij ook geroepen; en wie hij heeft geroepen, heeft hij ook vrijgesproken; en wie hij heeft vrijgesproken, heeft hij nu al laten delen in zijn luister’ (vers 30).

In alle gebruik van het woord ‘roeping’ zit dit patroon: wat gevraagd wordt, wordt niet vrijblijvend gevraagd. Als God ons roept, wil Hij dat die roeping in ons leven werkelijkheid wordt. In I Petrus is het gelinkt aan de navolging van Christus, in hst. 2,21: beantwoord geen kwaad met kwaad, is daar de boodschap, in navolging van Christus. I Petrus 3,9 heeft precies dezelfde structuur als 2,21 en het heeft ook de setting van vijandschap en bedreiging (zie onder). Zo gelezen wordt I Petrus 3,9 op dat punt helder. ‘zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen.’ God wil in het leven van zijn kinderen zien, dat zij zegenend leven, voor hun eigen bestwil. Zo deed Christus het ook (Lucas 6,27-28). Van Houwelingen zegt het zo in zijn commentaar (I Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, CNT-3, 1991, Kok Kampen: ‘Zo geldt voor allen dat wie Christus kent ook de roeping heeft om te zegenen; alleen in die weg zal men Gods zegen erven. Wie gezegend wil worden, moet zelf gezegend hebben.’).

In vers 8 en 9 hoor je het rommelen achter de aansporingen: ‘Tot slot vraag ik u: wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn. Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug.’ Petrus vind het nodig om die aansporingen te doen. Want achter de tekst kun je vermoeden wat er aan de hand is: groepsvorming, verdeeldheid, gebrek aan liefde, hoogmoed, je rekening vereffenen met iemand, terugschelden, hoe makkelijk doe je dat niet? Maar je roeping is anders, schrijft Petrus: zegen juist. Dat wil God zien. Geroepen ben je om te zegenen. Met de brief van Petrus voor ogen, maar ook andere teksten die gaan over zegenen (Lucas 6,27-28; Jakobus 3,9.10; Spreuken 11,25 [NBG]), is deze roeping gericht tot alle gelovigen.

In het begin: zegen verspreidt wat goed is

Zegenen komen we al vroeg in de bijbel tegen, al in Genesis 1. God maakt de dieren en de mensen en wat Hij maakt is goed. Dat is opvallend. Wat al goed is, wordt alsnog gezegend. In Genesis heeft dat te maken met verspreiding, vruchtbaarheid. God wil graag dat het goede dat Hij aan ons geeft, zich verspreidt. Zijn zegen markeert dat. In de context van Genesis mag je dat sterker zeggen. Spreken heeft in Genesis 1 scheppende kracht. Het woord van God richt iets uit, de schepping krijgt vorm! Het is wat Gods spreken doet: de daad bij het woord voegen. Zo is het Woord van God Woord. Het keert nooit vruchteloos terug, zegt Jesaja later (Jesaja 55,11). Zegenen heeft daarom ook de kracht van vruchtdragen in zich.

Na de zondeval: Gods zegen blijft

De zondeval doet niet af aan de zegen die God over de aarde wil brengen. Abraham zal een zegen zijn voor de volken (Genesis 12). Het volk Israël is een koninkrijk van priesters (Exodus 19,4-6) en juist de priesters zijn zegenend aanwezig (Numeri 6). Ook in het nieuwe testament is de gemeente een koninkrijk van priesters of een heilige priesterschap (I Petrus 2,4-5.9) en geroepen om te zegenen (I Petrus 3,9). In de zegen hoor je wel dat er iets is gebeurd. De zegen in Numeri spreekt over het aangezicht van God dat lichtend gewend is naar zijn volk, het spreekt over bescherming, genade en vrede. Het laat iets zien van spanning tussen God en mensen, alsof het niet vanzelfsprekend is dat God zich met zijn volk bemoeit, of dat de mensen zelf het steeds nodig hebben om te horen dat God zich met hen blijft bemoeien. Achter bescherming gaat dreiging schuil, achter vrede onvrede, achter genade gaat schuld schuil. Alledrie worden met Gods lichtend aangezicht tegemoet getreden. Dat is bijzonder, want in Gods heerlijkheid kan geen mens overeind blijven. Toch zegt God het tegen zijn volk: Ik ben er en Ik blijf, beschermend ben ik om jullie heen, met vrede voor jullie en genade. Gods zegen blijft en het herschept ons. Zijn woord is immers nooit alleen maar woord, maar scheppend woord, zijn daad bij zijn woord.

In Gods’ Naam – de meerdere zegent de mindere

Zegenen doe je in Gods Naam. Dat is af te leiden uit Numeri 6,27. Het lijkt wel een soort keurmerk. Je hoort er aan dat degene die zegent, God zelf is. Hij zegent graag. Je zou in Numeri 6 nog kunnen denken, als je het Nederlands leest, dat het afwachten is of God wel of niet zegenen zal. Maar dat is niet waar. Wat er staat in vers 27 is heel duidelijk: God zal zegenen als zijn Naam uitgesproken wordt over zijn volk. Soms kom ik mensen tegen die het spannend vinden om te zegenen. Het is zolang iets geweest van de predikant! En mag ik het nu dan zelf doen? Er is veel schroom. Die wordt nog groter als mensen in Naam van God mogen zegenen. Zelf zeg ik dan: stel je voor dat je Gods Naam niet noemt en zegent. Dan kunnen mensen denken dat jouw woorden kracht hebben en dat is niet zo. Gods woorden hebben kracht. Laat het een eer zijn om de bron van al het goede zonder schroom te noemen. Aan God alle eer.

Dit inzicht kan ook helpen bij het beantwoorden van de vraag die gesteld wordt bij Hebreeën 7,7. Het staat buiten kijf dat de meerdere de mindere zegent, staat daar te lezen. Mensen gebruiken dat woord dan om te zeggen: wie ben ik dan om anderen te zegenen? Allereerst, als je zoiets zegt en wilt vasthouden, zijn er talloze mogelijkheden om te zegenen. Ouders kunnen hun kinderen zegenen, leraren hun leerlingen, een koning zijn onderdanen. Maar ook moeten we willen nadenken over de zegenpraktijk in de tijd van de bijbel. Er zijn veel teksten aan te wijzen, waarin de mindere de meerdere zegent. De werknemers van Boaz zegenen hun werkgever. In Spreuken 11,25 is er sprake van een gulle gever, iemand die anderen zegent, waarbij niet helder wordt gemaakt of het een meerdere is of een mindere. De woorden waarmee we in het nieuwe testament opgeroepen worden om onze vijanden te zegenen, staan niet in het kader van meer of minder. Ook in I Petrus 3,9 is dat bijvoorbeeld helemaal niet het geval. Ik vind het een moeilijk woord, dat ik in het geheel van het bijbelse spreken over zegenen niet goed kan plaatsen. Het gaat me veel te ver om te zeggen dat je ambtsdrager moet zijn om te mogen zegenen. Daar geeft de bijbel geen enkele grond voor, integendeel. Zegenen in de bijbel hoort bij het leven van alledag, zoals wij elkaar gedag zeggen. Ook kan gezegd worden, dat wie zegent, dat doet in Gods Naam. God is degene die zegent. Zo bezien zegent de meerdere altijd. Ik vind echter dat ik daarmee geen recht doe aan wat er in Hebreeën staat. Daar gaat het namelijk om het aan te tonen gezag van Melchisedek, de meerdere van Abraham. Hopelijk krijg ik over Hebreeën meer helderheid.

Vice versa

Zegenen is prachtig, omdat de zegen die je uitspreekt over de ander ook afstraalt op degene die zegent. Het is vaak zichtbaar hoe de ander geniet van de zegen. Alleen dat al is een prachtig geschenk voor degene die zegent! In I Petrus 3,9 staat het alsvolgt: ‘zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen’. Je ziet hier goed het wederkerige karakter van zegenen: degene die zegent, deelt in de zegen. In Spreuken 11,25 wordt het ook gezegd: wie zegent, deelt in de zegen in dit leven (‘De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt, wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.’). Zoals ik al eerder zei: anderen zegenen doe je voor je eigen bestwil.

Is bidden niet genoeg?

Is bidden niet genoeg? Bidden is spreken namens jezelf of namens andere mensen tot God. Zegenen is spreken namens God tot je medemens. Beide horen ze bij je priestertaak. Vergelijk het met een kerkdienst, waar wel gebeden wordt, maar de zegen aan het einde achterwege blijft. Dat zou niet fijn voelen. Wel spreken tot God, maar zijn zegen niet ontvangen? Dat is te weinig.

Zegenen

Je kunt toch ook zeggen dat zegenen ‘op een bepaalde manier’ een vorm van bidden is. Dat heb ik eerder niet zo gezien en er dus ook wel eens te stellig stelling tegen genomen. Maar Wolter Rose, docent Oude Testament aan de Theologische Universiteit, werkt dat enigszins uit (Wolter Rose, zegenen). Zelf blijf ik altijd dicht in de buurt van de zegen uit Numeri. Ik zegen met Gods goedheid, genade, vrede en heelheid. Heelheid met God, mijn naasten, de schepping, rust in soms moeilijke omstandigheden. Altijd zegen ik in de Naam van God. Zou ik zijn naam niet vermelden, dan zou de gezegende kunnen denken dat ik degene ben die zegent. Dat is nooit het geval (Numeri 6,27). Soms vergeet ik het onderscheid te maken tussen de aanvoegende wijs (de Heer zegene). Toch is het goed om dat onderscheid wel te gebruiken. Het heeft niets te maken met dat het onzeker is of God je wel of niet zegent. Het houdt wel helder dat niet degene die zegent een zegen geeft, maar God.

Wanneer zegen je?

Ik zou bijna zeggen: wanneer zegen je niet? Soms hoor ik mensen zeggen dat je vooral zegenen kunt in situaties van ernstige problemen, een ziekbed of een psychische ziekte. Dat zijn situaties waarin je zeker zegenen kunt. Maar daartoe is zegenen niet te beperken! Zegenen blijkt een goed middel tegen situaties van onmin, onenigheid en wrijving. I Petrus 3,8 en 9 laten dat goed zien. Ook de oproep om je vijanden te zegenen, onderstreept dat. Zie ik op tegen een gesprek, dan zegen ik dat gesprek op voorhand. Merk ik wrevel bij een ander ten opzichte van mij, dan zegen ik hem of haar. En als ik die wrevel voel, dan zegen ik mijzelf of vraag ik om een zegen. Het haalt geregeld de angel uit het gesprek, het stemt mij mild en hoopvol. Het doet gewoon goed.

Verder kun je zegenen in de kerkdienst, of thuis je man, je vrouw, je kinderen. En niet te vergeten je vrienden en je buurt. En vergeet je werk en je collega’s niet. Ik zegen niet alleen als er ruzie dreigt of is. Ook als de kinderen naar school gaan, of als ze naar bed gaan. Soms als ze al slapen, maar vooral als ze wakker zijn. Soms hoor ik dan: ‘je hebt mij nog niet gezegend…’.

Voor in de liturgie: Zegenlied

De liefde laat geen ruimte voor angst

Gesprek

Ik heb wel eens een gesprek gehad met iemand die aangaf dat liefde geen ruimte liet voor angst. Toen ging het over bang zijn om te sterven. Dat vond ik maar een lastig gesprek. Jezus was immers ook bang voor zijn weg van lijden en sterven. In Gethsemane blijkt dat overduidelijk. Daar bidt Jezus tot God of zijn lijden van Hem kon worden weggenomen en Hij transpireert als iemand die intens angstig is. Jezus wist dat Hij weer zou opstaan en zou worden verheerlijkt bij God. Toch was Hij bang om te sterven. Liefde laat geen ruimte voor angst. Dat moet je goed lezen in de context van de eerste Johannesbrief (I Johannes 4). Ik maakte in dat gesprek het onderscheid tussen aan de ene kant zonder angst uitzien om bij God te zijn, en aan de andere kant bang te zijn voor het stervensproces, de aftakeling en de pijn. Maar ik herinner mij de ander als iemand die daar niet zoveel ruimte voor had. Ik heb het idee dat twee dingen dan door elkaar heenlopen: aan de ene kant de normale angst die waarschuwt tegen pijn. Je moet er niet op hopen dat je dat kwijt raakt. Mensen die lepra hebben, hebben die prikkel verloren en het resultaat is verschrikkelijk (zie Philip Yancey, Waar is God als ik pijn heb?, vierde druk, 2008, Kok Kampen). Aan de andere kant de angst die verlamt en wanhopig maakt. Angst die je de regie om zelfstandig te reageren ontneemt. Die angst hoeft zich geen meester van je te maken. Ik ben niet bang om te sterven, ik kom bij God en daar verlang ik naar. Maar ik kan heel goed snappen dat mensen het stervensproces met angst tegemoet zien.

martin_luther_king_jr_quote

Martin Luther King

Op de dag dat ik dit blog schrijf is het vijftig jaar geleden dat Martin Luther King werd vermoord. Predikant en voorvechter van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging. Ik lees in deze maanden de trilogie van Ken Follett en  ben in het derde deel, Kou uit het Oosten, bezig. Net in dat deel waar King zijn rede houdt, I have a dream. Fascinerend is dat moment in de geschiedenis geweest. Vandaag heb ik dus de Trouw gekocht, met in de bijlage, de Verdieping, een sterk ingekorte en bewerkte preek van Martin Luther King en wat achtergrondinformatie over deze man. Vandaag eer ik deze inspirerende predikant. In de preek die in Trouw staat, blijkt een man aan het woord die kan schilderen met woorden en ergens hoor je het ritme van de bruine bariton van deze zwarte predikant zelfs in de Nederlandse vertaling terug. Hij neemt je mee en laat je delen in zijn vergezichten, die hij laat opkomen uit het verhaal van verlossing van het Oude en Nieuwe Testament. Zijn preek gaat ook over angst en wat er tegen te doen is. Hij deelt de preek in vieren in. Angst hoort bij mensen, het waarschuwt en maakt creatief. Dat is een prima eigenschap van mensen. Dat stelt hij als eerste. Zie je angsten onder ogen en kijk er niet van weg. Geregeld is je angst om te lachen als je hem in het licht zet. Zijn tweede punt is dat we er als mensen iets tegenover kunnen plaatsen: moed. Met verwijzingen naar Plato, Aristoteles en Thomas van Aquino. Een derde opmerking stelt dat angst kan worden beheerst door liefde. Daarbij sluit hij aan bij I Johannes 4,18. De liefde van Christus ‘deinst er niet voor terug om zich tegen het kwaad te verzetten en heeft een oneindig vermogen om het ‘te slikken’. Dit soort liefde kan de wereld aan, zelfs vanaf een ruwhouten kruis.’ In allerlei conflict is het de werkzame kracht die de haat onderuit haalt. ‘Liefde, begrip en georganiseerde welwillendheid kunnen angst uitsluiten’. Wat een geweldige zin volgt dan in de context van de rassenstrijd: ‘Als onze witte broeders de angst willen beheersen, zijn ze niet alleen afhankelijk van hun eigen toewijding aan christelijke liefde, maar ook aan de door Christus geïnspireerde liefde waarmee de zwarte hen tegemoettreedt.’ Het vierde aandachtspunt is dat angst overwonnen wordt door geloof. Geloof opent de ogen voor weerstand die de liefde kan ontmoeten. Geloof maakt ons realistisch en moedig. Zonder geloof zal de angst het winnen en blijft het zomaar bij het oude omdat we ons gedragen als slachtoffers van moedeloosheid. Geloof vult ons met moed, omdat we weten dat God er is die liefdevol is en wijs.

Wat opvalt is het militante karakter van de liefde. De liefde treedt op. Wijs, liefdevol en incasserend. King wijst een weg die Christus gaat.  Vergeleken bij het verhaal daarvoor, lees ik dat ook King het onderscheid hanteert tussen angst die hoort bij een mens en angst waar de liefde een antwoord op is waardoor de angst wordt verdreven. Toch is er iets dat me in deze preek treft. Ik mis een accent dat ikzelf ben gaan zien en waarmee ik nog bezig ben: wat zijn de consequenties van wat ik lees in I Johannes 4,18? Christenen zijn de mensen die de liefde van God op aarde laten zien in hun daden en hun woorden. Geïnspireerd door Christus houden ze vol. Maar de woorden van I Johannes 4,18 zijn mogelijk wel militanter dan dat King ze uitlegt.

De liefde laat geen ruimte voor angst

Johannes schetst in zijn eerste brief, hoofdstuk 4, de christelijke gemeenschap die leeft van de liefde van Christus. Als Gods liefde in je is en die leert kennen en vertrouwen, dan wordt angst naar buiten gewerkt. De liefde maakt zelfs dat je niet bang bent voor het moment dat Jezus terugkomt. We zijn als Jezus, net zo vrijmoedig en zeker dat we bij God zullen zijn. En dan staan daar die woorden ‘De liefde laat geen ruimte voor angst’. In het Nederlands is dat al een intimiderende uitspraak over de liefde ten opzichte van de macht van de angst. Angst veronderstelt straf (de ander en/of de Ander wijst/wijzen mij af of gaan me pijn doen) en dat is nu juist bij God achterhaald door Jezus. De liefde laat geen ruimte voor angst, want er is geen straf over voor christenen (Romeinen 8,1).

Maar de vraag blijft hoe dat ‘geen ruimte laten voor angst’ in zijn werk gaat. Johannes wijst in vers 12 en 13 naar de Geest in ons. Die Geest maakt ze bijzonder zeker van hun zaak: we hebben Gods liefde en die liefde redt. Wie de liefde van God leert vertrouwen, leert snappen dat er geen kamer over is in je huis voor angst die je vertrouwen op God ondermijnt. De Vader heeft de Zoon gezonden als redder van de wereld. King krijgt gelijk in zijn volharding in de liefde. God stond achter hem en staat vandaag nog achter christenen die uit liefde aan angst en haat het hoofd willen bieden. Wat mij opgevallen is, is dat de uitspraak in I Johannes 4,18 sterker is dan ik eerder dacht. In de NBG 51 staat: liefde drijft de vrees uit. Die manier van zeggen doet sterk denken aan uitdrijvingspraktijken van Christus en zijn leerlingen ten tijde van het leven van Jezus op aarde. Steeds wanneer over Jezus verteld wordt dat Hij geesten uitdrijft, wordt dat gezegd met vrijwel dezelfde woorden als in I Johannes 4,18 (in I Johannes 4 staat ‘exoo ballein’ [naar buiten drijven], in twee woorden, in de evangeliën ‘ekballein’ [uitdrijven], vgl. Matteüs 8,16; Marcus 1,34.39; 3,22).

Dit is dus wat de liefde doet. Zij zegt angst de wacht aan. Dat doet ze net als Jezus. En dat is niet verwonderlijk, het is God zelf die liefde is (I Johannes 4,8). Ze is meer dan de kracht die angst tegenwerkt door lief te hebben. Ze gaat vierkant tegenover angst staan als kracht die Gods liefde barricadeert en tegenwerkt en wijst hem de deur. Nu wordt in I Johannes 4 de liefde zelf de handelende persoon genoemd: liefde wijst angst uit. Dat maakt in ieder geval duidelijk dat ik dat als mens niet kan. Ik kan angst niet de deur wijzen. Het is God zelf die werkzaam is in en door mensen (I Johannes 4,11-16). Maar uitwijzen en elkaar liefhebben zijn in mijn ogen niet hetzelfde. Elkaar liefhebben is een breed begrip (zie bv. de leefwijze van de gemeente in Handelingen 2 en 4). Uitwijzen is een daad die gesteld wordt in de Naam van God. Zo werden ook de leerlingen van Jezus op pad gestuurd om zieken te genezen en demonen uit te drijven in zijn naam (Lucas 10,17). Daarom denk ik dat het bij de kerk past als gelovigen in Gods Naam angst uitwijzen, als deze angst de liefde voor God in de weg staat en hun moed klein houdt. In het besef dat God door de gelovigen heen werkt en het gebied van de liefde vergroot. Het is wat merkwaardig om zo te zeggen, maar liefde is militanter ten opzichte van het kwaad dan je mogelijk zou denken. Ik zeg er bij dat ik de laatste ben om goede, therapeutische hulp onnodig te vinden. Zelf heb ik er ooit heel veel baat bij gehad. Maar de bovengenoemde weg licht ook op in de bijbel.

Illustratie

Een mooie illustratie vind ik in Lucas 8,26-39. De demonen maken duidelijk dat ze zelf bang zijn (Lucas 8,28) en ze erkennen Jezus’ macht. In liefde wijst Jezus deze demonen de deur, een naakte man tussen de doden wordt een geklede man tussen de mensen.

 

 

Carnaval – protestants

Toen ik predikant was in Breda, maakte ik mee dat ook leden van onze gemeente (GKv) er aan meededen. Rasechte Brabanders die het carnaval beleefden als onderdeel van de cultuur daar. Ik heb me niet zo bezig gehouden met de vraag wie er in Nederland carnaval vieren en of daar veel protestanten aan meedoen. Maar toen ik me wat verdiepte in het vieren van carnaval, kreeg ik wel idee waarom protestanten dit feest kunnen vieren.

Carnaval

Gedurende vier dagen (zaterdag tot en met dinsdag) wordt de burgerlijke macht ‘ontzet’, de stad of het dorp wordt overgenomen door Prins Carnaval. Deze Prins viert samen met zijn onderdanen de vestiging van het narrenrijk. De lokale bestuurders worden op de hak genomen en er is een uitbarsting van creativiteit, zichtbaar in kleurrijke praalwagens waar maanden tevoren al aan gewerkt is. Dinsdagavond laat is het afgelopen, woensdag doet iedereen weer gewoon.

Als protestant beweeg ik me er niet echt vrij in, maar carnaval kan een goede betekenis hebben binnen het kerkelijk jaar. Carnaval is een woord dat komt uit het latijn. ‘Carnaval’ komt van het latijnse ‘carne(m) levare’. Dat betekent ‘verwijderen van vlees’. De oorsprong van dit carnaval is niet helemaal duidelijk: is het een oorspronkelijk heidens feest dat de rooms-katholieke kerk een christelijke betekenis heeft gegeven? Of is het een feest dat de kerk in de Middeleeuwen heeft bedacht, om een afkeer van een leven met een puur aards (vleselijk) karakter op te wekken? In het laatste geval worden de mensen (op een gekscherende manier) ondergedompeld in dat pure aardse bestaan: narren, duivels, heksen, de mens heeft het voor het zeggen voor een paar dagen. Het doel daarvan is dat er een afkeer groeit van dit leven met een puur aards karakter.

Ik kan de zin er niet van inzien als het gekscherende karakter van het carnaval wordt omgezet in daadwerkelijke bras- en slemppartijen. In de geschiedenis van het carnaval is dit zo geweest en mogelijk nog, of je nu de roots van het carnaval plaatst in het heidendom of in de gekerstende vorm die de kerk er aan gaf in de Middeleeuwen: Achtergronden Carnaval. Het ervaringselement dat hierin educatief zou uitwerken, lijkt me gepaard gaan met schade aan lichaam en geest, van jezelf en van anderen. Juist de christelijke kerk wil zich van dit soort ontsporingen verre houden, ook in educatief opzicht.

Hosea, de profeet die huwde met een hoer, is hierbij een voorbeeld dat me te binnen schiet. Het lijkt in de buurt te komen van ‘persoonlijk ondergaan in de ontsporing van de wereld’. Toch is dat geen juiste waarneming: Hosea moest huwen met deze prostituee, waardoor zijn leven en dat van zijn vrouw nu juist niet te typeren is als hoererij. Maar wat mij wel tot nadenken stemt, is de ‘beeldtaal’ die God hier inzet: aan het huwelijk van zijn profeet met een hoer, moet Israël zien dat het zich opstelt als een hoer in zijn omgang met God. Dat kritische aspect van de uitbeelding van een leven dat leeg is van God, kan op een ludieke manier in het carnaval worden vormgegeven. Niet omdat het ludiek moet, maar omdat binnen het kader van het carnaval het ludieke het middel is om maatschappij en overheid op de hak te nemen.

Op Aswoensdag kun je in de kerk (doorgaans een rooms-katholieke mis) een askruisje (op je voorhoofd getekend) halen. De priester zegt daarbij: ‘bedenk mens, dat je stof bent en tot stof zult weerkeren’ of ‘bekeer u en geloof in het Evangelie’. Het askruisje roept op tot inkeer en bezinning: hoe leef ik en voor wie? De veertigdagentijd daarna is een tijd van soberheid (‘het vlees verwijderd’), waarbij de kerk de mensen op het spoor van Christus zet. Veertig dagen soberheid zoals Jezus veertig dagen in de woestijn was. Uitlopend op de Stille Week met Goede Vrijdag als dieptepunt (verzoening van de zonden voor de wereld) en Pasen als het feest van opstanding en hoop.

Mogelijk

Carnaval kan een tijd zijn waarin de kerk aan de wereld en zichzelf zichtbaar maakt dat leven zonder God leeg kan aanvoelen, tastbaar in overdaad en ik-gerichtheid. Humor is daarbij een mooi middel: een sterke grap stemt eerder tot nadenken dan een wijzend vingertje. En in de veertigdagentijd kunnen kerken laten zien of ze het zelf begrepen hebben: leven in soberheid, gelukkig in Christus alleen, vervuld van Hem.

Protestant

Een protestant is iemand die in vol contact staat met zijn en haar omgeving. Het woord ‘protestantisme’ is afkomstig van het Latijnse woord ‘protestari’. Het betekent ‘publiek verklaren’ of ‘getuigen’. Het verwijst naar het Protest van Spiers. Tijdens de Rijksdag van Spiers in 1529 verklaarden lutherse vorsten dat ze het niet eens waren met de besluiten die hun godsdienstvrijheid terug draaiden. Ze lieten de keizer van het Heilige Roomse Rijk weten dat ze deze besluiten niet zouden uitvoeren. Christenen die zijn voortgekomen uit de Reformatie, worden daarom protestanten genoemd. Protestanten verhouden zich met hun omgeving. Kritisch, bevestigend, bemoedigend: ten aanzien van andere kerkgenootschappen, maar net zo goed ten aanzien van overheden, cultuur en maatschappij. Daarmee raakt de naam ‘protestants’ een kern van de liturgische praktijk van de kerk. Deze verhoudt zich namelijk altijd met de wereld om haar heen. God verhoudt zich niet alleen met zijn volgelingen, maar wil onder andere via de kerk tot zegen zijn voor de wereld. De kerk is een uithangbord voor de waarheid (I Timoteüs 3,15) en dat is niet slechts om leden naar de ingang van de kerk te leiden, maar ook een getuigenis voor de wereld. Gods verzoening is immers op de wereld gericht (II Korintiërs 5,19). In dat kader zie ik (liturgische) kansen voor de kerk om het carnaval juist binnen de protestantse kerken te herwaarderen. In de dienst aan God die wil dat alle mensen behouden worden.

(deze tekst is in verkorte vorm gepubliceerd in de Oegstgeester Courant als column namens de Raad van Kerken Oegstgeest, 31 januari 2018)

Liturgische teksten misvormen

(Onderstaande is een artikel dat ik schreef in Onderweg (20 januari 2018), naar aanleiding van mijn blogs hieraan voorafgaand.)

Het draagvlak voor formuliergebruik in kerkdiensten neemt af. Deze tijd vraagt om variabele inzet van formulieren. Creatief hergebruik kan ook. In veel gemeenten wordt er al gevarieerd, in andere wordt vastgehouden aan de lezing van de formulieren. Wat je ook doet, de impact van teksten die in de liturgie eeuwenlang zijn gebruikt, is groot. Het is naïef te veronderstellen dat die impact weg is als je formulieren ‘in eigen woorden’ weergeeft. Mijn conclusie na lezing van teksten voor de liturgie (GKv, ook geregeld in gebruik bij NGK-kerken, zo is me eerder gebleken) in het licht van Stefan Paas, Vreemdelingen en Priesters, is deze: deze liturgische teksten zijn niet goed bruikbaar voor kerken met betrekking tot hun missionaire roeping.

Voorbeelden

Waarom blijft een niet-gelovige, welwillende gast bij een doopdienst zitten na de eerste zin van het eerste doopformulier: ‘Bij de doop word je in water ondergedompeld of ermee besprenkeld: je wordt als het ware gewassen. Dan wordt zichtbaar gemaakt dat je in de ogen van God vuil bent, belast met zonde. Je bent al schuldig als je wordt geboren, al zondig sinds je moeder je ontving. Zo wil God je niet accepteren. Je kunt zijn koninkrijk alleen binnengaan als je opnieuw geboren wordt en een nieuw leven krijgt. De doop wil je dus laten beseffen hoe slecht je van nature bent.’? Ik beweer niet dat in deze zinnen onwaarheid staat. Maar hoe moet deze bezoeker uit deze formuleringen halen dat God naar hem verlangt? Zeker als aan het slot de strijd met ‘de zonde, de duivel en heel zijn rijk’ (dat lees ik inclusief de niet-gelovige, welwillende gast) wordt aangebonden.

‘We beleven aan deze tafel de vreugdevolle eenheid met Christus en met elkaar. Vanuit de viering van het avondmaal willen we elkaar dienen in de gemeente.’ (formulier 5) Dit is waar, maar zonder enige aandacht voor de gast die Christus niet kent.

Liturgische setting

Liturgie is een middel om het grote verhaal van God te vieren, te vertellen aan broeders en zusters en aan de wereld. Liturgie gaat over een intiem verhaal met een enorme expansiedrang. Het is de gemeente die een verloste gemeenschap is, waarbinnen het individu alle aandacht krijgt, met het oog op het heil voor de wereld. Liturgie is nooit enkel op de gemeente gericht. Kerk en wereld zijn altijd vervlochten, maar hebben in die vervlechting wel richting. Je zou het zo kunnen zeggen: in de liturgie draait het om de kerk, maar het gaat daar om de wereld.

Priesterschap

Priesters zijn christenen met twee gezichten. Ze zijn daartoe aangesteld door God. Priesters zijn vertegenwoordigers, van God en van mensen. Sterk gezegd kun je zeggen dat priesters samenvallen met God en wereld, al naar gelang de ‘partij’ die ze vertegenwoordigen. De priester offert namens de wereld aan God (I Petrus 2,4.5) lof. Of er wordt op basis van het offer van Christus gebeden om vergeving van de zonden van de wereld (vgl. bv. Job in Job 1,5 en Abraham in Genesis 18). Andersom vormt het koninkrijk van priesters de mond van God in de wereld. Dit rijk is geroepen de grote daden van God te verkondigen (I Petrus 2,9). Vanouds is ze ook geroepen om te zegenen namens God (I Petrus 3,9). Die priesterschap wordt gevormd door de gemeente. Het betreft een oude roeping, die teruggaat op de aanstelling van het volk tot priesters (Exodus 19,4vv). Abraham zal tot zegen zijn voor de volken, het volk deelt in die taak. Het laat iets zien van Gods verlangen, zoals verwoord in I Timoteüs 2,3.4: ‘God, onze redder (…) wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.’ Deze positie van de kerk stelt eisen aan teksten die worden gebruikt in de liturgie. Gods verlangen naar de wereld moet er in door klinken. De gemeente moet aan haar positie worden herinnerd en zij moet worden gestimuleerd deze positie in te nemen.

Script

Script is een term die doet denken aan een film of een toneelstuk. Het script is tekst die door acteurs moet worden uitgesproken. Ook de kerk heeft script. ‘Dat houdt in dat bepaalde zaken vooraf geformuleerd zijn. (…) Het is kenmerkend voor een kerkdienst dat er vaststaande formuleringen en teksten zin die bij iedere dienst terugkeren. Kortom, er is een draaiboek’, zo stelt F.G. Immink, Het heilige gebeurt, 2011, blz. 27. Je kunt hierbij denken aan votum en zegen, maar ook aan schuldbelijdenis en genadeverkondiging, of aan de formulieren die de GKv rijk is, zoals deze achterin het Gereformeerd Kerkboek (2017) staan. ‘Die tekstuele vorm slaat de kerkdienst als tussenmenselijke handeling niet dood, maar kanaliseert juist de participatie van de kerkgangers’, aldus Immink, blz. 29.

Toen ik met de bagage van Paas op zak het script doornam op het punt van de priesterlijke functie van de kerk, was ik verrast. ‘De wereld’ is in 90% van de gevallen de vijand, om tegen te strijden, zondig, gevaarlijk. De aangesprokenen zijn de gemeenteleden, de ongelovige is niet in beeld of wordt samen met de wereld afgeschilderd als slecht. Er is maar heel weinig sprake van het verlangen van God naar de wereld en dan zit het doorgaans nog in een uitgeschreven bijbelcitaat. Het heil is voor de gemeente geformuleerd. Als je let op de verwoording van de priestertaak van de gemeente, is dat binnen het GKv-script feitelijk buiten beeld (het Groot Kerkgebed in Gereformeerd Kerkboek, blz. 629vv., par. 2.4, 3.3 en 3.4, is hierop een fijne uitzondering). Als Immink stelt dat script de deelname van kerkgangers kanaliseert, vind ik dat je daarover aanvullend meer kunt zeggen. De lange traditie van script dat geregeld gebruikt wordt in GKv- en NGK-kerken, misvormt de gemeenschap tot een naar binnen gerichte gemeenschap, gericht tegen de wereld. Ook de niet-gelovige gast die het script aanhoort, wordt tot karikatuur. Dat is ernstig, aangezien de kerk niet te strijden heeft tegen mensen, maar tegen machten (Efeze 6,12; Lucas 8,26-39).

Blogs en voorbeeldformulieren voor doop en avondmaal

In negen blogs werk ik mijn punt uit en illustreer uit het script van de GKv. Deze monden uit in twee voorbeeldformulieren voor doop en avondmaal. Je kunt ze lezen op www.robertrothblog.wordpress.com, ‘In en met de wereld voor God’, ‘Sacramenten in en met de wereld – 1 tot en met 8’.

Sacramenten in en met de wereld – 8 / script voor het heilig avondmaal

In deze laatste blog lever ik een voorbeeld van script voor de viering van het heilig avondmaal. Wil je de achtergronden van de keuzes die ik maak in dit script begrijpen, lees dan de blogs die hieraan vooraf gingen. In en met de wereld voor God; Sacramenten in en met de wereld – 1; Sacramenten in en met de wereld – 2; Sacramenten in en met de wereld – 3; Sacramenten in en met de wereld – 4; Sacramenten voor en met de wereld – 5Sacramenten voor en met de wereld – 6. Helemaal onderaan staan suggesties voor een liturgie.

Formulier voor de viering van het heilig Avondmaal

Wat is avondmaal vieren? Daarover horen u en jij het een en ander, door te luisteren naar deze voorbereiding op de viering van het avondmaal. In de kern heeft het avondmaal te maken met verzoening van ons leven met God. Maar met het avondmaal hangt veel samen, omdat het samenhangt met Christus. Omdat hij ons die verzoening schenkt, hangt het samen met hoop die hij geeft op een nieuwe toekomst; op genezing, omdat hij de Genezer is; op troost in verdriet, omdat hij troost zoals geen ander dat kan. Deze voorbereiding gaat over de betekenis van Christus voor de gemeente en voor de wereld.

Woord

‘En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt” (Lucas 22,19-21).

Het is Gods verlangen ‘dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen. Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd’ (I Timoteüs 2,4-6). We willen het avondmaal dan ook vieren met de wereld voor ogen. De beperkte tafel van de viering in de gemeente is een tafel vol verlangen naar mensen die God nog niet kennen, een uitnodiging om Christus te leren kennen en mee te vieren met ons. Laten we hem gedenken!

Gedenken

Opgeroepen om Jezus te gedenken, staan we stil bij de betekenis daarvan. Wie gedenkt, denkt terug aan wat ooit is gebeurd. Omdat het belangrijk was toen en belangrijk is voor de tijd van vandaag. Zo gedenken wij bijvoorbeeld oorlogen, sterfdagen en geboortedagen. In de bijbel heeft gedenken een extra dimensie. Wie in de bijbel ‘gedenkt’, smelt samen met wat hij of zij gedenkt. Het volk Israël krijgt immers de opdracht om de uittocht uit Egypte te gedenken, samen met hun kinderen. Als hun kinderen vragen ‘Wat betekent dit gebruik?’ dan moeten de ouders zeggen dat de Heer de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard’ (Exodus 12,27). Christus gedenken is dan ook dat zijn geschiedenis onze geschiedenis is, één worden wij met het verhaal van Christus (Gedenken). Vanouds vinden we in avondmaalsformulieren deze passage, waaruit blijkt dat gedenken ons in het verhaal van Christus trekt:

‘We vieren het avondmaal om Christus te gedenken. Dan staan we erbij stil dat God de Vader onze Heer Jezus Christus in deze wereld gezonden heeft, zoals hij onder het oude verbond aan de aartsvaders had beloofd. Het Woord is mens geworden. Heel zijn leven op aarde heeft hij de toorn van God, waaronder wij eeuwig hadden moeten bezwijken, voor ons gedragen. Zo heeft hij gehoorzaam alles gedaan wat Gods wet van ons vraagt.

Gebogen onder de zware druk van onze zonden en van Gods toorn werd hij in de olijfgaard Getsemane overvallen door doodsangst, zodat zijn zweet in grote druppels als bloed op de grond viel. Daar liet hij zich boeien om ons vrijuit te laten gaan.

Daarna dreef men de spot met hem, zodat wij nooit meer te schande gemaakt zouden worden. Hij werd onschuldig ter dood veroordeeld, zodat wij voor Gods rechterstoel zouden worden vrijgesproken. Hij heeft zich zelfs laten kruisigen en de aanklacht tegen ons vernietigd door haar aan het kruis te nagelen. Door dit alles heeft hij de vloek die op ons lag, op zich genomen om ons met zijn zegen te vervullen. Ja, aan het kruishout heeft hij met lichaam en ziel de angstaanjagende verlatenheid van de hel ondergaan, toen hij uitriep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’, opdat wij door God aangenomen en nooit meer door hem verlaten zouden worden. Tot slot heeft hij door zijn bloed uit te gieten het nieuwe verbond van genade en verzoening voor eeuwig rechtsgeldig gemaakt. Toen riep hij uit: ‘Het is volbracht!’’ (Avondmaalsformulier 1)

Christus verzoent, vervult en vernieuwt

Het lijden en sterven van Christus is heel concreet in zijn uitwerking. Kernachtig wordt ons dat aangereikt bij de uitstorting van de Geest. De mensen die verantwoordelijk zijn voor het sterven van Christus krijgen in hun schaamte en wanhoop daarover verzoening van hun zonde aangereikt. Gedoopt onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving van hun zonden, zal hen de Heilige Geest worden gegeven ter vervulling van de ruimte die vrij komt in hun ziel. En dat maakt dat ze zich als nieuw gaan gedragen (Handelingen 2,36-47). Toen al bleek de uitwerking van de liefde onder de eerste christenen een enorme aantrekkingskracht te hebben voor de mensen rond de gemeente. Velen kwamen tot geloof (Handelingen 2,47; 5,14). Je ziet hier wat het goede nieuws uitwerkt in de gemeente: er is verzoening, vervulling en vernieuwing. We zien daarbij het begin van wat later door Paulus wordt gezegd: God wil dat alle mensen worden behouden.

Priesterdienst

Vanouds is het volk van God een koninkrijk van priesters (Exodus 19.4-6). Het volk heeft deze positie niet waargemaakt. In plaats van de wereld bij God te presenteren en haar met de zegen van God tegemoet te treden, omhelsde het volk de goden van de wereld. In de ballingschap van het volk in Assur (8e eeuw voor Christus) en Babel (6e eeuw voor Christus) wordt echter duidelijk dat God zijn volk niet aan zichzelf overlaat. Het zal verlost worden door een figuur, in wie Christus Jezus wordt herkend. God zelf heeft zijn volk weer gemaakt tot volgelingen van Hem (Jesaja 44,1-6; 46,13; 49,1-13; 53; 55; 57,14-21) en maakt zijn volk toegankelijk voor mensen die God willen dienen (Jesaja 56,1-8). De Geest van God wordt opnieuw gegeven en woorden van God zal dit volk slechts kunnen spreken (Jesaja 59,21). Opnieuw worden ze priesters genoemd die tot zegen zullen zijn voor de volken (Jesaja 61, zie vers 6). In de eerste brief van Petrus horen we dan ook over de gemeente die een heilige priesterschap is en een koninkrijk van priesters wordt genoemd (I Petrus 2,4.5.9). Er zijn twee bewegingen zichtbaar: van de wereld naar God (offerdienst, vers 5) en van God naar de wereld (verkondiging, vers 9). Namens de wereld brengen wij lof aan God, namens de wereld bidden wij om verzoening van de wereld met God, ook al vraagt die wereld daar niet om. Namens God zegenen wij de wereld (I Petrus 3,9) en brengen wij het goede nieuws. God wil dat alle mensen zich laten redden en de waarheid leren kennen. Daarbij schakelt hij de gemeente volop in.

De viering van het avondmaal is bijzonder geschikt om onze verbinding met de wereld zichtbaar te maken. Hier ontvangen we van God verzoening en vieren we zijn bevrijding. Het bindt ons samen tot een krachtige eenheid, die in de bijbel ‘één lichaam’ wordt genoemd. Juist het offer van Christus is de basis voor onze gebeden namens de wereld tot God: vergeef ons, vergeef uw wereld. Juist deze zegen van verzoening aan ons is bedoeld om aan mensen die God niet kennen, aan te bieden. Laten we ervoor waken dat het evangelie aan het avondmaal door ons persoonlijk wordt ontvangen, wordt gevierd door ons als gemeente en aangeboden wordt aan de mensen die God niet kennen.

Lokaal (in plaats van verkondiging)

Laten we nu met elkaar spreken over deze vraag: hoe laten wij aan de mensen die God niet kennen, het evangelie zien? Hoe brengen we ze bij God en God bij hen? Denk daarbij bijvoorbeeld aan de plek waar je woont, aan de plekken waar je komt als je aan het werk bent. En als er nu gasten onder ons zijn die God niet kennen, op zoek zijn naar Hem: spreek mee in deze ontmoeting en laat van je horen.

Vooraf bidden we om de Geest van God

Heer, onze God. U stelt ons aan als priesters in de wereld. Zegen de gemeente met uw Geest, zegen de ontmoetingen met uw Geest. Wijs ons de weg in onze woonplaatsen en ons werk, wijs ons de weg in deze samenkomst, hoe we tot zegen zijn voor elkaar. Schenk ons liefde voor uw schepselen, creativiteit om er voor ons dorp of onze stad te zijn. Verras ons. In de Naam van Jezus Christus, Amen

(Na een afgesproken tijd worden ideeën en getuigenissen verzameld.)

Gebed

Wij danken u voor wat u ons liet delen met elkaar. Zegen de woorden die gesproken zijn en werk er mee door in onze harten. Wij prijzen uw naam en maken u groot, God in de hemel, God die in ons woont. In Jezus Naam, Amen

Geloofsbelijdenis

(Persoonlijk hecht ik er aan elke viering de kinderen apart aan te spreken. Dat doe ik ongeveer alsvolgt. Gezien het thema van dit formulier kan het worden overgeslagen. Geef in ieder geval de kinderen hun plek bij het spreken over kerk zijn in de/hun wereld!)

Kinderen van de kerk

Wanneer we als gemeente ons best doen om ons heen te kijken naar die mensen die God nog niet kennen in ons dorp, onze stad of op ons werk, willen we jullie, de kinderen van de kerk, niet over het hoofd zien. Als je nog niet meedoet, weet dan dat je bij de gemeente hoort voor de volle 100%. Samen met alle anderen zongen jullie net nog mee met de geloofsbelijdenis van de kerk. En bij de doop is over jullie gezegd dat je deel bent van het lichaam van de kerk. Je hoort er helemaal bij. Je bent dus helemaal verbonden met de mensen die nu aangaan. In onze gemeente hebben we de gewoonte dat ieder aan de gemeente laat horen, dat hij/zij vertrouwt op God. Dat wordt van iedereen gevraagd, voordat hij/zij het avondmaal mee gaat vieren. Dat is het werk van God in jou, als je in je hart vertrouwt op God. Op hem mag je leunen je hele leven lang. Al is je catechisatie nog niet afgelopen of je bent er nog niet eens aan begonnen, durf op God te leunen. Spreek er over met je ouders en ouders, wees vrijmoedig om er met je ouderling of predikant over te spreken. Geef gehoor aan de stem van de Heer die ons roept aan zijn tafel.

Viering

Wie gelooft in Jezus Christus, wie in zijn eigen gemeente aan mag gaan, is uitgenodigd om aan de viering deel te nemen.

Kijk goed naar dit brood en naar deze wijn. Wie zijn vertrouwen stelt op Jezus Christus en het offer dat Hij bracht voor onze zonden, mag in deze tekenen de deuren zien van het rijk van God. Deze deuren staan open.

(aan tafel, in de kring, opstelling gaande viering)

Aan dit avondmaal laten wij onze liefde voor elkaar en de wereld zien, door in de collecte te geven voor de mensen die onze hulp nodig hebben in de gemeente en in de samenleving.

Brood:
Het brood dat we breken, maakt ons één met het lichaam van Christus. Neem, eet, gedenk en geloof, dat het lichaam van onze Heer Jezus Christus gegeven is om al onze zonden volkomen te verzoenen.

Beker:
De beker met wijn, waarvoor we God loven en danken, maakt ons één met het bloed van Christus. Neem, drink allen daaruit, gedenk en geloof, dat het kostbare bloed van onze Heer Jezus Christus uitgegoten is om al onze zonden volkomen te verzoenen.

Zegen over dorp. stad en werk

We zegenen in de naam van Vader, Zoon en Geest ons dorp/onze stad en onze werkomgeving met de vrede, de liefde en de genade van God. Mogen wij als gemeente gezegend worden met de Geest om het evangelie van Christus Jezus uit te dragen. Amen

Tips voor de liturgie:

  1. verwerk uit het groot kerkgebed (Groot Kerkgebed) delen uit de gebeden onder 2.4, 3.3 en/of 3.4;
  2. Liederen: Wij brengen U vijf brodenU neemt het broodNu ik uw verlangen ziePriesters in de wereldLeef!Een leerling van de Heer ben jijDe wereld is de gastheer
  3. Gedichten: Het kind dat voor mij staatHerfstHorizon