De kerk weet niets – crisis in de CGK?

Over de grondhouding van de kerk van Christus

Binnen de CGK is er onrust. Binnen Bewaar het Pand is er een zeker weten, afgaande op het verslag in het ND van 17 juni van hun bijeenkomst op zaterdagmorgen 15 juni. Samenwerkingsgemeenten hebben soms de overtuiging dat ze lang genoeg hebben gewacht. Ze voelen zich bovendien met een kluitje in het riet gestuurd, wanneer ze steeds maar moeten wachten en er geen bereidheid is bij de CGK-zusterkerken om zaken te heroverwegen. Nu wordt er crisis geroepen. Crisis komt daar, waar mensen zeker weten wat God van ze vraagt of wanneer mensen erg overtuigd zijn van hun eigen gelijk. Of overtuigd zijn van de kracht van de afgesproken procedure. Ik heb de indruk dat ‘het eigen gelijk’ niet zo past bij de christelijke kerk. Als kersvers predikant van de 3G-kerk in Hengelo begin ik daar wat affiniteit mee te krijgen. De kerk van Christus weet in de kern niets. Zo zou ik het willen zeggen. En wat ze wel weet gaat over Jezus Christus, onze onvolprezen Gekruisigde en Opgestane Heer. Wat ze wel weet wordt haar geschonken als inzicht in God op haar gebed vol verwachting. Wat ze wel weet, is dat scholen, richtingen, horen bij de kerk. Die geven aan de kerk de kans om te laten zien waar het echt om gaat.

Efeze

Ik was laatst bezig met Efeze 1,17 en 18. Dat is nog maar het begin van de brief aan de Efeziërs. Vanaf hoofdstuk 4 blijkt er nogal wat te zeggen over de gemeenschap. Er deugt een boel niet. Maar vooraf aan alles bidt Paulus tot God. Hij schrijft het maar gewoon op in zijn brief aan de Efeziërs. Hij dankt God uitbundig voor alle zegeningen die de gemeente in Christus heeft ontvangen. En hij bidt daarna om inzicht in wat God zegt, om God te kennen. En hij bidt om geopende ogen van het hart van de gemeente. Aanpakken van zaken die om geestelijke aandacht vragen, begint bij Paulus bij danken en bidden. Dat zegt hij ook op andere plaatsen. En wie leert te bidden tot God om inzicht, om Hem te kennen en om open ogen van het hart, zegt hardop dat hij het zelf niet weet. De kerk van Christus heeft geen kennis van zichzelf en weet niks. Wat ze weet, moet haar geschonken worden. Steeds weer. Tot in de laatste brief van Paulus voor zijn sterven, zegt hij: ik heb het niet, ik strek me uit (Filippenzen 3). Opdat we met ons hele hart verwonderd blijven over Gods ontferming over zijn kerk. Begint Paulus dan aan die zaken waarover hij wat wil schrijven aan de gemeenschap, dan is zijn begin alsvolgt: ‘Ik, die  gevang zit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.’

Met alle heiligen

Waar er in de Efeze-brief gezegd wordt dat de heiligen samen kunnen vertellen over Gods liefde, wordt de mening van de één in een verhouding van aanvulling gezet tot de mening van de ander (Efeze 3). Dat maakt voorzichtig. In Korinte stelt Paulus dat er partijvorming moet zijn. Letterlijk staat er dat er ‘scholen’, ‘opvattingen’, ‘meningen’ moeten zijn (J. van Beelen, Doet dit tot Mijn gedachtenis. Een onderzoek naar de relatie tussen avondmaal en ambt: over avondmaalsmijding van amtsdragers en het probleem van de bediening, 1996, blz. 154-156, Leiden, uitgeverij J.J. Groen en Zoon). Verschil van inzicht is het probleem niet. Dat je de eenheid er om ter discussie stelt, dat is het probleem. Mooi in zo’n 3G-gemeente is, dat je daar volop mee oefent: verschillende ‘partijen’, één gemeente rond één tafel. Reden voor de geheel eigen dynamiek van zulke gemeenten (anders dan alleen een CGK-, een GKv-, een NGK-gemeente) en in mijn ogen reden om daar coulant en welwillend mee om te gaan. Ik zou dat voor de 3G-gemeenten in ieder geval heel erg waarderen.

Alle goeds!

Ik wens de CGK-synode toe dat ze veel werk maken van samen zeggen dat God goed is. Dat ze daarvan kracht en zegen verwachten en ervaren: God maakt één. Ik wens de CGK-synode toe dat ze vaak belijden niets te weten en alles van God te verwachten. En dat dan ook metterdaad als houding aan de dag leggen. Ik wens de CGK-synode toe dat ze verschillen in hun kerken blijven omarmen en de eenheid in Christus die ze steeds blijven belijden in hun dankzegging, blijven geloven. Opdat de liturgie van de kerk haar katholiciteit dient.

Advertenties

Geloven: over vertrouwen, twijfel en vragen

Bekentenis

Ik wil wat bekennen. Ik begin op een andere manier te snappen wat geloven is. Een mens kan niet anders dan leven naar wat hij snapt van de dingen die belangrijk zijn. Zo snapte ik de bijbel op een bepaalde manier, en ervoer het evangelie zo, leefde zo. Nu ik de bijbel anders ‘snap’, verandert mijn leven. Ik ervaar anders en leef anders op de manier van m’n lichaam, m’n lijf, m’n doen en laten, mijn wil, mijn voelen, mijn denken.

Het is een bijzonder proces geweest. Lastig ook. Veranderen is niet eenvoudig, omdat wat je snapt, zo vaak diep in je manier van doen verankerd is geraakt. Check daarvoor dit filmpje: Weten is niet hetzelfde als begrijpen.

 

Nieuw 

Ik merk een geestelijke groei die meer is dan ‘beter snappen waarover het gaat’. Dat ‘snappen’ heb ik altijd wel gehad. Door lezen en spreken en mediteren verder komen in verstaan van God en zijn Woord. Maar dit lijkt van een andere orde. Alsof panelen gaan schuiven. Alsof ik eerst bloemen tekende op papier en nu komen die bloemen tot leven in een heuse tuin. Loslaten en overgave groeien, vasthouden en willen doorgronden wijken. Maar het is meer dan dat, ik voel me geregeld nieuw. De dingen worden op ervaringsniveau anders. Ik pendel daarbij tussen oud en nieuw. (Kritisch) vragen helpt niet echt, tegenhouden als ik weer ‘terugpendel’ ook niet. Het voltrekt zich. In zekere zin ben ik op drift geraakt. En het is goed.

Twijfelend geloven

Ik raak vandaan bij wat ik twijfelend geloven noem. Ik bedoel daarmee niet te zeggen dat ik geen vragen meer stel. Integendeel, ik groei juist in het stellen van vragen. Des te minder ik twijfelend geloof, des te meer vragen ik stel. Dit paradoxale gegeven is een bewijs van vrijheid in Christus. Ik zal daarom uitleggen wat ik met twijfelend geloven bedoel. Dan wordt vanzelf wel duidelijk wat het onderscheid is met vragend geloven. Het thema ‘schuld’ verdwijnt uit mijn leven en het thema ‘vertrouwen’ doet intrede in volle(re) glorie. Dat is de samenvatting van wat ik hier uitleg.

Bij schuld horen woorden als aanklacht, onwaardig zijn om met God om te gaan, (nog) niet vergeven zijn, hopen op een herstelde relatie met de ander/Ander, twijfel of je er nog toe doet bij de ander/Ander, schaamte. Bij vertrouwen horen woorden als geliefd zijn, niet schuldig stellen en gesteld worden, waardevol zijn, naar elkaar verlangen, genieten van elkaar, zeker weten dat je ertoe doet, vreugde.

Twijfelend geloven is strikt gezien niet mogelijk. Geloven als ‘vertrouwen’ is overgave aan God, aan Jezus, aan het werk van Gods Geest. Twijfelen is jezelf niet kunnen en durven overgeven aan God, aan Jezus, aan het werk van Gods Geest. Ik merk dat ik op een tamelijk diep level twijfelend heb geloofd. Ik zeg ‘diep level’, dat suggereert dat het ver weg lag, diep onder de grond, moeilijk te vinden. Maar dat is niet zo. Het lag aan de oppervlakte, het was voor iedereen te zien inclusief mijzelf. Maar ik zag het niet als ondeugdelijk, omdat het het wezen van mijn manier van geloven was. Zo geloofde ik. Dat was mijn waarheid. Struikelend, gebroken, zondig, schuldig. En altijd met dat hele riedeltje naar God met de bede: vergeef me. En God is altijd zo geweest dat Hij vergeeft. Mij dus ook. Ik beleefde dat als een compleet evangelie, zo las ik mijn bijbel en zie, het was zeer goed. Ik pendelde heen en weer tussen schuld en vergeving. En neem die pendelbeweging nu eens op emotioneel niveau, op het niveau van psychische gesteldheid zo je wilt. Geloof je zo, dan zit er feitelijk altijd onbalans in je gemoed. Schuld, berouw, baalgevoelens, mislukking en (vooral korte) rust in Gods vergeving. Want na gebed om vergeving stapelen mijn ‘misdaden’ zich weer op natuurlijk. Het volmaakte komt immers nog. Maar goed, als dat mijn geloofsidentiteit is, dan leef ik daarmee, dan doe ik het daarmee.

Aangesproken

Toen ik hierop werd aangesproken, vragend, kritisch, kon ik goed uitleggen hoe mijn geloofsvork in de steel zat: er is schuld en bevrijding. Er is een strijd tussen oude en nieuwe mens, die we in dit leven niet te boven komen, er is daarom een blijvende pendelbeweging tussen goed en kwaad, tussen schuld en bevrijding. Lang leve Christus! Maar degene die mij bevroeg, merkte op dat het effect ervan is dat op deze manier altijd sprake blijft van schuld en schaamte. Kom je wel toe aan bevrijd leven, was de vraag. ‘In Christus, ja’, zo antwoordde ik. Maar vaag begon er iets te dagen: wat betekent ‘vrij in Christus’, als in mijn ziel de tonen van schuld en schaamte de zetting vormen van mijn lied van bevrijding? Een majeure tekst, een mineure zetting: dat wordt geen lied dat je graag zingt, omdat het wringt. Als ‘bevrijding’ het evangelie is, met als vaste begeleiding de woorden ‘ja, maar…’, dan is bevrijding geen bevrijding. Niet in je ziel, niet in je emotionele huishouding of ervaring. Grondtonen blijven dan schuld, schaamte, oordeel. Over elkaar en over jezelf. De jongste zoon uit Lucas 15 sterft dan in zelfveroordeling, de oudste zoon sterft dan in zelfverheffing, terwijl de vader beiden uitnodigt om feest te vieren. Het is opvallend dat in Lucas 15 de vaderfiguur wordt neergezet door Jezus, als iemand die niet meekomt met mensen die leven in zelfvernedering en zelfverheffing. Tenminste, het werd opvallend voor mij.

De schuldloze ruimte

Er is geen oordeel voor hen die in Christus Jezus zijn, stelt Paulus in Romeinen 8,1. The case is closed, zegt een Engelse vertaling. Er blijft niet iets hangen waarop ik terug moet komen. En ik hoef ook niet te leven alsof mijn zaak steeds heropend moet worden. Er is vrijspraak en vrijheid. Die werkelijkheid vormt al in Romeinen 6 de aanleiding om ons leven opnieuw vorm te geven, als dienaar van de Bevrijder en niet meer als dienaar van de zonde. Niemand hoeft te doen alsof er geen zonde meer is. Want die is er en die doen we. Maar er is geen schuld meer waarop ik aangesproken word, als ik leef met Christus. Je kunt met Jesaja 53 goed zeggen dat mijn schuld van Jezus is. ‘Het is uw schuld’, kunnen we zeggen tegen God en tegen zijn Zoon en het lijkt me volop het werk van de Geest om zo te spreken. Want God heeft mijn schuld op de schouders van zijn Zoon gelegd. Zeggen dat mijn schuld Gods’ schuld is, is niet een flauw afschuiven van mijn schuld op God en mijn verantwoordelijkheid willen ontlopen, het is antwoorden op het evangelie. God zelf eigende zich mijn schuld toe. Verbonden met Christus hoef ik niet te doen alsof mijn schuld van mij is. Dat is namelijk niet waar. Het is Jezus’ schuld. Bij Jezus vraag ik daarom met plezier en vrijmoedigheid om vergeving, omdat Hij mijn schulddrager is geworden. Je zou het zo kunnen zeggen: bij Christus ontdek ik mijn zonde en zijn schuld. Ik leef bij Hem in de schuldloze ruimte. Hij is mijn heiliging, mijn rechtvaardiging en verlossing, stelt Paulus in I Korinte 1,30. Dat mag ik leven.

Oordeel niet

Dit alles heeft gevolgen voor de omgang met mezelf en anderen. Het tilt onze omgang met onszelf, met elkaar en met God op de toonhoogte van feest.

Jezus spreekt in Lucas 15 de leiders van het volk Israël aan. Zondaren en tollenaars komen allemaal (!) naar Jezus toe en ze luisteren naar Jezus. En Hij eet met ze. De leiders van het volk duwen zondaren en tollenaars naar de rand van de samenleving, Jezus zet ze in de spotlights. En dan legt Jezus ze een paar dingen uit: wie is niet blij als hij terugvindt wat hij kwijt is geraakt? Dat zijn de twee korte gelijkenisjes over het verloren schaap en het verloren muntje. En vervolgens legt Jezus uit waarom de leiders niet blij zijn met Jezus. Ze blijven grossieren in zelfvernedering en zelfverheffing. Het is zeer waarschijnlijk dat de leiders van het volk zich goed kunnen vinden in de schets van de jongste zoon. Op je knieën terug naar vader, omdat je het echt verknald hebt bij die vader door je daden. Je bent het dan niet meer waard om zoon van je vader te heten. De zelfvernedering van de jongste zoon is dan ook passend bij de opvattingen van de leiders van het volk. Het is ook waarschijnlijk dat de leiders van het volk zich herkennen in de oudste zoon: als de vader feest wil vieren met de jongste weergekeerde zoon, doen de trouwe en hardwerkende zonen niet mee. Wie is er zo gek om zich in te laten met zo’n zondaar? Dat doe je niet. Terwijl de vader laat zien dat hij niet zo goed uit de voeten kan met mensen die ten onder gaan aan zelfvernedering of zelfverheffing. Jezus nodigt iedereen uit om feest te vieren met Hem. Omdat bij Hem geen dood meer is, maar leven is te vinden. Zij menen te moeten oordelen, zij zijn streng voor zichzelf en voor anderen en leren anderen om streng te zijn voor zichzelf en anderen. Dus duwt Jezus tegen hun geloof met zijn uitnodiging om het leven te vieren op de toonhoogte van het feest. Hoe moeilijk blijkt het om te veranderen! Wie oordeelt (zelfvernedering en zelfverheffing), kan niet feestvieren…

Oordeel niet, klonk het al in Matteus 7, dat is de wet en de profeten. Wie de balk uit zijn eigen oog verwijdert, ontvangt licht van Gods liefde en vergeving in zijn ogen en zou dat niet levensveranderend zijn? (Dat ontvangen van licht in je ogen als je de balk uit je eigen oog haalt, staat niet in Matteus 7,1-12, maar is in het geheel van het optreden van Jezus wel de verhoring te noemen van de bede tot God, waartoe Jezus indringend (9x) oproept). Schrijf elkaar niet af als je iemand ziet struikelen in zijn leven met God. Wees zachtmoedig en help elkaar. Dat is wat tucht moet zijn, elkaar trekken naar Jezus en elkaar op sleeptouw nemen. Niet wegduwen, maar elkaar helpen. Dat is in de stijl van Gods wet leven. Zo schrijft Paulus in Efeze 6,1-2.

Feest

Leven met een majeure tekst op een majeur-melodie. Wie het Wilhelmus zingt in een mineur-zetting, zal er verdrietig van worden: als dit je volkslied is, is treurnis wat het volk tekent. Maar wie het zingt in majeur-zetting, leert zich een trotse burger te voelen van Nederland! Dus waarom oordelen over jezelf en elkaar als je elkaar voor God plaatst en zijn Zoon? Waarom jezelf vernederen voor degene die je vrijspreekt? Waarom jezelf omhoog likken voor degene die je vrijspreekt? Beide, zelfvernedering en zelfverheffing putten namelijk uit dezelfde bron: oordelen over elkaar en over jezelf, leven in de vergelijking met anderen. Daar zit onze cultuur vol van en als we niet uitkijken de kerk van Christus ook. Maar Jezus laat ons feest vieren. De vader in Lucas 15 reageert niet eens op de onzin van de jongste zoon. Hij gaat feest vieren. En evengoed kan hij uit de voeten met de zelfverheffing van de oudste zoon: je kent me toch, ik was altijd bij je, wat van mij is, is van jou. Vier mee.

Onderscheid tussen persoon en zaak

In mijn denken hierover word ik herinnerd aan het onderscheid tussen persoon en zaak. Dat is nogal belangrijk: een mens heel laten en over opvattingen en gedragingen van elkaar van mening kunnen verschillen. Dat is op papier makkelijker gezegd dan in de praktijk gedaan. Van mening verschillen betekent maar zo een rappe desinteresse in de ander. Omgekeerd kan ‘niet oordelen’ een samenleving geven die lauw is. In beide gevallen gaat het nergens anders over dan over jezelf, over narcisme als cultuurkwaal.  ‘Niet oordelen’ betekent in afhankelijkheid van God (biddend) je ogen openen voor elkaar (Matteus 7). Dan ben je nooit gauw klaar, maar je blijft je verwonderen over elkaar in een niet aflatende nieuwsgierigheid en interesse in elkaar. Ten diepste weten we namelijk geen klap van de ander, dat is in ieder geval een mooie vuistregel voor het intermenselijke verkeer. In reactie op al het bovenstaande kun je dus zeggen: ik los ‘niet oordelen’ op door een goed onderscheid te maken tussen persoon en zaak. Dat is nodig! En het klinkt me wat te snel. Voor elkaar de ogen openen laat ook je oordeel over ‘de zaak van de ander’ wachten. Kijken, bidden, luisteren, wachten met je oordeel. Dat is moeilijk. Het kan niet rap. Laat God daarbij helpen.

Twijfelend geloven, vragend geloven

Aan het begin van dit blog schreef ik: waar twijfelend geloven verdwijnt, nemen de vragen toe. Daarmee bedoel ik dit: waar de twijfel uit mijn geloofsomgang met God verdwijnt, en mijn vrijheid meer en meer deel wordt van mijn ziel, leer ik vrij te vragen. Zaken ter discussie stellen die me vertrouwd zijn. Heerlijk is dat, ontdekkend geloven. In de zekerheid dat ik een kind van God ben en Hij mijn Vader blijft. Het helpt zo enorm in de omgang met anderen, om ze hun weg te laten gaan, ze te laten komen met hun eigen vragen. Eerlijk is eerlijk, ik vind het geregeld ook spannend, eigen vragen, andermans vragen. Gaat het wel goed, gaan we met elkaar de goede kant op? Ik heb de helpende handen nodig van mijn broers en zussen en zij die van mij. En van de Geest van God die leidt bij een open bijbel en in gebed. Maar vragend geloven is een vrucht van stoppen met twijfelend geloven. Het past bij vertrouwen en vrijmoedigheid. Zoveel is me helder geworden.

Liturgie

Ik schrijf blogs over liturgie. Raakt deze blog liturgie? Het is er de kern van. God ontmoeten, persoonlijk en in de samenkomst. Deze blog is het resultaat van jarenlange omgang met de Heer van de kerk in zijn gemeente. God leeft, God spreekt, God vormt en maakt in de gemeente nieuw. En het leidt – in mijn geval – tot nieuwe liederen die toch anders klinken dan voorheen.

Mascolori

Langzaam wordt het mijn deel. Ik pendel minder tussen schuld en vergeving, leef op in de schuldloze ruimte bij de Heer. Ik heb schoenen gekocht (zoals de jongste zoon nieuw schoeisel kreeg): real Mascolori’s, in Amsterdam. Supervette schoenen. Uitbundig. Er is altijd wel iemand die er iets over zegt. Prachtig. Ik draag ze bij de viering van het avondmaal, op de kerkelijke feestdagen, als ik me feestelijk voel of als ik me feestelijk voelen wil. Ze vormen een geloofsbelijdenis die ik probeer te leven.

Bijpassende liedteksten (helaas nog niet zingbaar):
Heer, wees met de oudste zoon
Jezus roept de tollenaren
Naar Gods beeld schiep Hij hen

Gedicht
In licht dat opkomt

Kerk in de stad, stad in de kerk

Laatst stelde ik me aan collega’s voor als iemand die de kerk graag in de burgerlijke gemeente zichtbaar maakt en de burgerlijke gemeente zichtbaar maakt in de kerk. Hoe ik dat dan doe, was de vraag? Ik probeer dat vooral te doen op de manier die me in Oegstgeest steeds is ingefluisterd: kiss: keep it simple, stupid. Ik heb het voor mezelf maar eens opgeschreven.

Lex orandi, lex credendi

Als kerk en omgeving op elkaar betrokken zijn, dan loopt de liturgie van de kerk altijd door. Een zondagse kerkdienst is belangrijk, maar niet alles. Het is zelfs niet het begin, je kunt met enig recht zeggen dat het een eind is. Maar dit einde is dan uiteindelijk meer een pleisterplaats. Om na korte tijd rust weer verder te gaan. Het scheppingsverhaal begint immers met een hard werkende God die pas op de zevende dag rust. En al kun je zeggen dat bij de keuze van de kerk voor de zondag als dag van samenkomen, de kerk wil beginnen met God en zijn opgestane Zoon, het blijft een feit dat ook de opstanding opkwam uit het ritme van werken en rusten. Het is het samenspel van werken en rusten, rusten en werken, dat door God op elkaar betrokken wordt. Daarom loopt de werkweek uit op de liturgie in de samenkomst op zondag (of sabbat), en die zondag (of sabbat) loopt weer uit op de werkweek. Omdat ze verweven zijn, beperkt de liturgie zich niet tot zondag (HC zondag 38): rust is van alle dagen en die dagen van werk beperken zich niet strikt tot zes dagen (Kolossenzen 2,16). Daarom heet de slotzegen van een eredienst ook wel ‘wegzending’ (M. van Leeuwen, Wegzending en zegen, in P. Oskamp, N. Schuman (red), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk, 4e druk, 2008, Meinema, Zoetermeer, blz. 257-265). De kerk is kerk in de wereld.

Wegzending kan de indruk wekken dat je wordt weggezonden van de kerkdienst de wereld in. Het kan de indruk wekken dat de liturgie op zondag toch op zichzelf staat, los van de wereld. Maar wegzending laat altijd de relatie tot de wereld voelen. Wat verkondigd en gehoord is, wat gebeden is en wordt verwacht, wat beleden en gegeven is, vraagt om leven als kind van God in de week die komt.

De liturgie als dienst aan God en aan elkaar, is een doorlopend iets, een continuüm. Ik relativeer daarmee de kerkdienst niet, maar vul deze aan door het doordeweekse leven te benoemen als een leven op de toonhoogte van de liturgie op zondag. Zo heb ik er eerder al over geschreven in vorige blogs (In en met de wereld voor GodSacramenten in en met de wereld – 2). Als ik hierboven zet ‘lex orandi, lex credendi’, kun je als lezer verzuchten: keep it simple, stupid! Ik licht ze toe. Met die latijnse woorden wordt in de kerk gezegd: wat je bidt (orandi) is waar je voor staat, wat je gelooft en uitdraagt (credendi). Dat hoort met elkaar in overeenstemming te zijn (lex). Wat je in de kerk doet (‘orandi’ wordt ook wel toegepast op het geheel van de liturgie op zondag), breng dat ook naar buiten. Maar je kunt het ook omkeren: wat je uitdraagt, breng je ook weer in de kerk in je gebed bij God. Ik vind het een mooie samenvatting van de verhouding tussen kerk en wereld, wereld en kerk. Geregeld staat er bij ‘lex vivendi’: leef het evangelie in de praktijk van alledag. Zo zijn ze op elkaar betrokken: bidden, geloven, leven.

Drie vragen

Om die verbinding door de week actief te leggen, heb ik drie vragen op zak. Ooit kreeg ik ze mee van iemand die veel doet aan missionair gemeente-zijn. Het zijn vragen die je aan willekeurige mensen op straat kunt stellen: 1. Wat gaat er goed in ons dorp/onze stad?; 2. Wat is een wond van ons dorp/onze stad?; 3. Wat kan de kerk betekenen in het zorgen voor die wond?

En het werkt. Ik vermoed omdat het niet rechtstreeks gaat over het geloof van je gesprekspartner. Maar wel over dorp of stad waarin hij/zij leeft. De tweede vraag is belangrijk: je vraagt niet naar wat er fout gaat in dorp of stad, maar waaraan mensen zelf lijden in hun dorp of stad. Je nodigt mensen uit om hun hart te betrekken bij wat ze vertellen over hun leefomgeving. En de derde vraag doet toch nadenken over geestelijke relevantie: wat kan de kerk betekenen? Zomaar krijg je te horen wat mensen die niet of anders dan jij geloven, graag zien van een kerkgemeenschap. Hoe belangrijk is dat voor een kerk om aan te kunnen sluiten bij de mensen uit je buurt of omgeving! En gemakkelijk verglijdt het gesprek richting een geloofsgesprek. Dat zoek je niet opzettelijk, maar juist omdat je iemand uitnodigt om na te denken over het belang van de kerk voor de stad, komt het er zomaar van. Heel fijn als je dat meemaakt.

Snijvlakken tussen kerk en samenleving

In die drie vragen verbind ik me met mensen en zij met mij. Dat heeft me verder op het spoor gezet van zoeken naar verbinding tussen stad en kerk, kerk en stad. Een seculiere organisatie zal zich niet (willen) bezighouden met religie in haar werk. Maar heel veel bedrijvigheid van mensen heeft te maken met mens en welzijn. Dat is meteen zichtbaar in de gezondheidszorg. Een fysiotherapeut, een dokter, een psycholoog, die richten zich allemaal op mens en welzijn. Maar ook veel bedrijvigheid op het gebied van techniek en politiek is bezig op dit snijvlak. Mensen zijn idealistische en betrokken wezens. Ook al willen ze graag een goede boterham verdienen met hun werk, hun drijfveren liggen vaak anders: een bijdrage leveren aan mens en welzijn is vaak duidelijk aanwijsbaar. In mijn ogen is dat een heel geschikte verbindende schakel tussen kerk en wereld. Als je je geloof in God niet delen kunt, is de noemer ‘mens en welzijn’ vaak iets waar verbondenheid tastbaar wordt.

Tim Vreugdenhil, pop-up-predikant in de PKN in Amsterdam is hier duidelijk in: hij zoekt verhalen uit het dagelijks leven die spreken tot de verbeelding en raken aan elementen van het evangelie. Denk aan de ‘opstanding’ van Ajax of het doorbreken van een voetballer als Frenkie de Jong. Denk aan een jongeman die iets bedenkt om de plastic soep in de oceaan aan te pakken en de handen voor zijn plannen op elkaar krijgt. Dan gaat het niet over Jezus, over verzoening en zo. Maar je legt wel verbinding met gebeurtenissen die er bij mensen toe doen en die raken aan bijbelse thema’s als hoop, saamhorigheid, betekenis van individuen. En wie zo kijkt, ziet al snel dat je niet alleen met het thema ‘mens en welzijn’ uit de voeten kunt. Maar ‘hoop’ en ‘saamhorigheid’ en ‘van betekenis zijn’ liggen als vanzelf op tafel. Ik vind het boeiend om de verhalen van de straat te verzamelen. Wat is het verhaal dat de stad vertelt over zichzelf? Hoe breng je dat in de kerk ter sprake, verbind je dat met het evangelie op een manier die hoop geeft?

Priesterschap

In dit geheel beweeg ik me vrij. Omdat de kerk bestaat uit priesters, die hun taak gekregen hebben van God zelf (I Petrus 2). Ik ben niet afhankelijk van mensen die me een taak geven of toedichten, maar van God die mij en iedere gelovige deze taak geeft. Met God als gever opent zich een bron voor wijsheid (Jakobus 1), voor inspiratie (Handelingen 2), voor liefde, genegenheid en offerbereidheid die Jezus had (Matteüs 13,45/6), voor een houding waarin geen oordeel is (Matteüs 7,1-12; Lucas 15). Als priester ben ik een vertegenwoordiger van God bij de mensen en van de mensen bij God (I Petrus 2). Ik hoef die positie niet te verdienen, ik heb deze positie gekregen. Noem het het ambt van alle gelovigen, maar het maakt mij vrij. Het boek van Stefan Paas, Vreemdelingen en Priesters, is voor mij hierin beslissend geweest. In mijn gebeden treed ik op namens de mensen om mij heen. Zoals in de bijbel Daniël en Jezus dat doen. En ook vertegenwoordig ik God bij de mensen. Ik maak me niet zo sappel meer als ik op zondag naar de kerk ga en veel deuren blijven dicht. Namens al die mensen ga ik graag naar de kerk en breng ze daar (en thuis) bij God in mijn gebeden. En in de dienst zegen ik in Gods Naam de plaatsen waaruit de gemeenteleden komen. Ik bezoek een gevangenis in de buurt en ben in woorden en door er te zijn, aanwezig namens mijn Heer. Ik ga naar de voedselbank, toon mijn belangstelling en vraag tenslotte of ik voor de mensen daar mag bidden (dat was mooi om te doen: bidden met de voorzitter van het bestuur van de voedselbank!). Ik ga naar een conferentie over eenzaamheid in de stad, een conferentie die is georganiseerd door het stadsbestuur. Ik netwerk daar met organisaties die allemaal bezig zijn met mens en welzijn en peil eens of we de expertise van deze organisaties niet ook zichtbaar kunnen maken in de kerk. Zo is er een academie voor geluk, die bulkt van de kennis op het gebied van welzijn. Zouden deze mensen niet eens in een samenkomst of aansluitend er op in een workshop, kunnen worden uitgenodigd om een grote groep vrijwilligers (zo zullen ze kijken naar de kerkgemeenschap vanuit hun perspectief) iets te vertellen over hun werk!? En hoe mooi is het om dan in de samenkomst voor zulke mensen te bidden.

Netwerk

Hierop gericht richt ik mijn netwerk in de stad in. Bedrijven en bedrijfjes, instellingen, het stadsbestuur, contacten met andere kerken, ik probeer er mee in contact te zijn. En zo af en toe spreek ik mensen aan op straat en stel de drie vragen. Ik heb er een balenwagen voor gekocht en heb er een oud bureaublad op gemonteerd: altijd een bankje bij me als ik met de balenwagen op pad ga. Koffie mee, altijd goed. En wat er van komt, dat weet ik niet. Dat probeer ik aan God te laten. Hij geeft me deze taak, dus dat is wat ik probeer te doen. Zoals deze taak uit de lucht komt vallen, zo zal dat ook wel gebeuren met de zegen die God er aan verbinden wil.

Tips voor de liturgie

Naar Gods beeld schiep Hij hen
Buitengewoon
De kerk van God
U neemt het brood
Priesters in de wereld

Liturgie van het conflict

Binnen niet al te lange tijd zal er weer gesproken worden over vrouw en ambt op de GKv-synode. Dat zal ook wel het geval zijn op de CGK-synode. Hoe dan ook speelt het in locale gemeenten. Laatst las ik in het ND (30 maart 2019) over de groeiende aanhang van christenen die aansluiting vinden bij het Oude Testament en hun keuze met verve verdedigen. En ergens tussenin sta ik en ik ben er moe van. Ik moet bekennen, ik heb meegedaan aan wij-zij-denken. Ik weet ook wel dat je soms helemaal opnieuw moet beginnen met nadenken over zingevingsvragen en dat kost tijd en inspanning. Ik haper echter steeds meer bij het eureka-moment: ik heb het gevonden! Ik kan mijn nieuwe inzicht onderbouwen en funderen en iedereen moet nu luisteren naar mij. De Heer heeft dan nog net niet zelf tot mij gesproken, maar mijn overtuiging van mijn inzicht grenst daar aan. Een eureka-moment heeft zomaar iets in zich van een (impliciet) oordeel over anderen: die zien het vanaf nu niet meer goed. Er komt in mee dat mensen over elkaar gaan denken dat de andere partij zondigt en zijzelf trouw zijn aan de Heer van de kerk. Het leidt tot conflict, schurende onenigheid en in het slechtste geval tot afscheid nemen van de gemeente waarvan men lid is. En dan ook tot aansluiting bij nieuwe gemeentes en oprichting ervan. Of, als het eureka-moment uitgaat van de kerk die andersdenkenden moeilijk verdraagt, tot het afstoten van hen. Het leidt tot moeilijke gesprekken op synodes en zelfs tot vragen over bijvoorbeeld het voortbestaan van de CGK, tot vriendschappen die uithollen en breken, enzovoorts. Ik heb de groeiende indruk dat hiermee de waarheid niet wordt gediend. Dat zeg ik omdat ik meen te zien dat Jezus een andere koers vaart in conflicten in de kerk.

Eureka!

Overtuigingen hebben zomaar een eureka-karakter: ik heb het gevonden. Jezus verschuift de betekenis ervan in zijn optreden: ik heb jou gevonden. En dat maakt een wereld van verschil. Allereerst leert Jezus zijn leerlingen af om elkaar te oordelen. Je zicht op anderen is belemmerd door de balk in je eigen oog. En als je die er uit haalt met behulp van wijsheid (parels niet voor de zwijnen) en gebed (9x), dan valt het licht van het evangelie in je ogen. Dat verandert je houding totaal: een oordelende houding wordt een milde houding, naar anderen en jezelf. Niet oordelen, maar elkaar biddend helpen is de Wet en de profeten in praktijk brengen (Mt 7; Gal 6,2).

Maar dat is niet het enige. Het lukt Jezus op de een of andere manier om zondaren en tollenaren om zich heen te verzamelen. Als mensen die graag bij Hem zijn en naar Hem luisteren. De geestelijke leiders vinden dat maar niks en voeden hun conflict met hen door afstand te houden van hen. Dit zijn mensen die zich hebben misdragen. Maar Jezus zet niet in op hun gedrag maar op hun ziel. Als Hij ze vindt en deze mensen laten zich vinden door Hem, is er feest in de hemel (Luc 15).

In de daaropvolgende gelijkenis van de verloren zoon wordt duidelijk wat het gevolg is van mensen die oordelen. De verloren zoon (de zondaren en tollenaars) gaat zelf denken dat hij niet meer bij God kan horen als zoon. En de oudste zoon (de leiders van het volk) zou dat het liefst zo houden. Onder het volk van God wordt gewerkt met angst kweken voor God, als je niet leeft in gehoorzaamheid (zoals de andere partij die meent te moeten bewaken). Het oordeel van oudste zonen over jongste zonen breekt de gemeenschap stuk: met God, met zijn jonge broer. Hun oordeel over zichzelf (ik ben beter dan mijn jongste broer) leidt tot een vorm van zelfmedelijden bij de ervaring van afwijzing, die omgekeerd evenredig is aan het schulddenken van zijn broer. Wat een eenzame mensen creëert het oordelen van elkaar.

Het allermerkwaardigste en ook het allerleukste en meest uitdagende is, dat de vader niet uit de voeten kan met deze schuldbewuste houding (jongste) en oordelende houding (oudste) onder het volk van God. Hij reageert er niet eens op (jongste) en gaat feestvieren en nodigt zijn oudste zoon ook uit voor het feestje. Niet je geloofsinzicht (eureka, ik heb het gevonden) of je gehoorzame gedrag met de bijbehorende overtuiging van het eigen gelijk, scheppen gemeenschap. Maar het ‘ik heb jou gevonden’ van Jezus schept gemeenschap. Daarom wil Jezus ons laten feestvieren. Als je dan nog wat hebt te bespreken met elkaar, dan graag tijdens dat feest vol van verwondering over Gods liefde.

In wat voor ruimte komt de kerk als zij stopt met oordelen over kinderen van God die Jezus van harte willen volgen? Ik heb de groeiende indruk dat het koninkrijk van God dan zichtbaar wordt op aarde. Daarvoor moet er dus een shift plaatsvinden in kerkmensen en mogelijk in de kerkelijke praktijk. Gevonden zijn, wat zegt ons dat? Ik denk dat dat voor een boel christenen een pittige weg is, waar we elkaar bij mogen helpen. Wat mij betreft is dit één van de redenen om zeer geregeld avondmaal te vieren. Om helder te houden: ik ben gevonden en dat leidt tot feest, ook met broers en zussen die anders denken en doen, ook met broers en zussen die iets op hun kerfstok hebben (als ik) en zich laten vinden door Jezus. Oefenen in ervaren dat je liefde hebt ontvangen van Jezus in zijn feestelijke setting van bevrijding en vreugde.

Zichtbaar Koninkrijk

Dat zou een mooi getuigenis zijn in de wereld: in de kerk lossen ze hun conflicten op bij een goed glas wijn en een goed stuk brood. En om de gelijkenis van Lucas 15 niet alleen maar op het avondmaal te betrekken: bij een overvloedige maaltijd waarin bevrijding wordt gevierd.

Liturgie van het conflict

1. Votum en groet.
2. Omhelzing met de heilige kus.
3. Dankliederen.
4. Viering van het avondmaal: Jezus heeft je lief, ik dank God dat ik je aan zijn tafel mag ontmoeten.
5. Gebed om wijsheid (9x).
6. Eventueel gesprek over geschillen onder aanhoudende dank voor elkaars zicht op Gods woorden en voor dit gesprek in de ruimte waar geen oordeel is, waar slechts verzoening wordt gevierd (vrouw en ambt, homoseksualiteit, sjabbat en zondag, vul in).
7. Viering van het avondmaal: Jezus heeft je lief, ik dank God dat ik je aan zijn tafel mag ontmoeten.
8. Zegen uitspreken over elkaar.
9. Uitbundige gezamenlijke maaltijd.

Draag elkaars lasten – verlangen naar een nieuwe kerk

Aan bloggers is gevraagd zich uit te laten over het visiestuk over de nieuwe kerk (welke kerk zie je als je de kerk voor je ziet gevormd uit NGK en GKv). Ik schrijf een korte bijdrage.

Verlangen naar een nieuwe kerk, zoals verwoord in dit visiestuk (nieuwe kerk gkv-ngk), getuigt van moed, van kwetsbaarheid, van hoop, van geloof in God die iets nieuws brengen kan. Ik kan meekomen met de zes punten die geformuleerd zijn, al is er iets op af te dingen en aan te vullen (Jos Douma).

Realisme – de onveilige kerk

Ik mis echter realisme in dit stuk. Ik lees over geloofsdromen en -verlangens, maar bar weinig over wat ons is overkomen in de jaren 60 van de vorige eeuw. Tijdens de Generale Synode 2017 heb ik in de bespreking van de stukken over toenadering tussen NGK en GKv aangedragen dat we bij het huwelijksaanzoek van de NGK te maken hebben met iets bijzonders. Het is niet te vergelijken met een verliefd stelletje. Het is een eerder getrouwd koppel dat ooit is gescheiden. En nu komt het weer bij elkaar. Hoogst uitzonderlijk, maar het lijkt te gebeuren. Waar vandaag veel gesproken wordt over een veilige kerk, zou ik bij dit groei-visiedocument meer willen horen over de onveilige kerk. Veiligheid is een mooi streven, maar zoals het onzin is om te spreken over zuivere prediking en zuivere bediening van de sacramenten onder mensen die getekend zijn door de aanwezigheid van de zonde (in daden, in eigen onmacht om het goede te doen, in vervreemding van God), en het de kerk alleen maar rest zich te richten op het zuivere Woord van God, zo is het spreken over een veilige kerk niet zinvol. Waar een kerk zich moet uitspreken (NGB art. 29) om zich uit te strekken naar het zuivere Woord van God, doet diezelfde kerk impliciet ook een uitspraak over wie ze is: niet zuiver en wat mij betreft ook onveilig. Onveiligheid is een grondtrek van de kerk.

Als er iets is in onze recente geschiedenis, is het dat we dit aan elkaar hebben laten zien: de kerk is onveilig. Het eerste kernpunt ‘Jezus centraal, Gods Woord in het midden’ is me daarom veel te waar en daarmee naïef geformuleerd. Begrijp me goed, naïviteit is prachtig in de kerk. Je kunt niet zonder. Maar twee gescheiden mensen die weer aanpappen met elkaar, proberen elkaar uit. Voortdurend. Omdat schade en onveiligheid uit het verleden bij ze is gaan horen en krassen achterlieten op hun ziel.

Ik zie uit naar een kerk met een onveiligheidsbelijdenis. Opgezet vanuit een diep begrepen idee van wat genade is. Omdat volstrekte genade van God ons de mogelijkheid geeft om volstrekt eerlijk te zijn over de bagger aan ellende die we in de kerk geregeld over elkaar uitgieten (vergelijk de vrolijke noot van zondag 1 HC, die als uiting van gelukkig leven en sterven die bagger benoemt in zondag 2-4: genade maakt realistisch over de onveilige kerk). ‘Natuurlijk: Hij is onze redding’, het is me veel te lichtzinnig geformuleerd. Er is namelijk nooit iets ‘natuurlijks’ aan. Veiligheid en betrouwbaarheid bieden aan elkaar betekent eerst de uitgesproken belijdenis en erkenning dat we onveilig zijn bij elkaar. Ook met Jezus er bij blijft dat het diep tragische van kerkzijn. Want in zijn woord klinkt het aanhoudend: draagt elkaars lasten, zo leeft u de wet van Christus na. Juist omdat het er staat is mijn conclusie dat het geleefde geloof getekend wordt door onveiligheid.

Twee partijen die opnieuw trouwen, zouden hiervan rekenschap moeten afleggen. Ik zou dus adviseren aan GKv en NGK om gesprekken te zoeken met mensen die gescheiden zijn en weer samen op zijn gaan trekken. Om dit punt boven tafel te krijgen en er gelovig ruimte aan te bieden. Dan krijgt genade als kern van de kerk ook haar betekenis: in een onveilige kerk waar mensen het met elkaar proberen te rooien in trouw.

Jezus, wees aanwezig, Geest, maak ons realistisch, Vader, maak ons één.

De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – II (doop/avondmaal)

Een vaste burcht is onze God,
een wal die ’t kwaad zal keren;
zijn sterke arm houdt buiten schot
wie zich niet kan verweren.
De vorst van het kwaad,
de aartsvijand staat
geharnast in ’t veld;
in list en in geweld
kan geen hem evenaren.

Gezang 898, eerste couplet, Een vaste burcht is onze God, uit: Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk, BV Liedboek, Zoetermeer, 4e druk, 2013.

 

Schrift

Wat verandert er in de liturgie als er meer aandacht komt voor de duivel? Willem Smouter heeft in zijn Christus in de lage landen enig begrip voor het verdwijnen van de ‘verzakingsvragen’ uit de doopformulieren in de tijd van de Reformatie (verzakingsvragen zijn vragen aan de dopeling om duivel en kwaad vaarwel te zeggen): ‘Ik begrijp overigens wel iets van de versobering: het was ook een reactie op de magische rituelen die in die tijd sterker naar voren kwamen dan de leer en de inhoud. Het is met de duivel altijd balanceren: je kunt hem te veel eer geven door achter elke holle boom een duivel of boze geest te zien. Je kunt hem ook te veel ruimte laten door zijn macht helemaal te negeren.’ Ik ben van mening dat de laatste zin onze aandacht vraagt. Het is niet zo dat in het huidige script van de liturgie in de GKv de duivel ongenoemd blijft. Maar hij blijft me teveel genoemd en te weinig uitgewerkt. Ook dan komt de duivel niet ‘tot leven’ en dat speelt deze grootmacht in de kaart. De bijbel is er klip en klaar over dat de duivel tot en met de jongste dag een factor van betekenis is. Hij is dé tegenstander van God in het gevecht om de mens. Dat God steeds wordt aangewezen als de winnaar van die strijd mag de kerk enerzijds zeer bemoedigen en rust geven. Maar zij moet de duivel en zijn demonische handlangers niet uit het oog verliezen. Integendeel, de kerk wordt opgeroepen om zich te kleden met de wapenrusting van het geloof en zo met God mee te vechten tegen deze krachten (Efeze 6,12; vgl. ook Psalm 91,13 [zie voor een bespreking van psalm 91 als gericht tegen demonische krachten, G.C.Vreugdenhil, Onheil dat voorbij gaat. Psalm 91 en de (oudoosterse) bedreiging door demonen, 2013, Boekencentrum, Zoetermeer]). Petrus waarschuwt in zijn eerste brief (3,9) voor de vijand, de duivel, die rondzwerft als een brullende leeuw, op zoek naar prooi. Daar moet weerstand tegen geboden worden met geloof, men moet waakzaam zijn. Kennelijk brengt verlost zijn en de overwinning van Jezus op de duivel geen rustig leventje met zich mee. Maar een leven waarin je op je hoede moet zijn. Wie wat gevoel wil ontwikkelen bij die strijd, doet er goed aan om het boek Openbaring aan Johannes te lezen. Laat je daarbij niet afschrikken door moeilijk te begrijpen passages, de strijd tussen God en duivel wordt helder geschetst. In een sfeer van overwinning door God. Maar hoe intens is het gevecht!

In G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek. Een inleiding, 2012, Boekencentrum, Zoetermeer, blz. 304, wordt gezegd dat het in het spreken over zonde en kwaad allereerst gaat over de menselijke verantwoordelijkheid. Het is de mens die het kwaad toelaat en niemand anders. Ik wil die menselijke kant volop honoreren, maar ook nuanceren. Ik begin even aan de andere kant, de kant van vertrouwen op God. God is voor de mens een zegen: de weldaden voor de mens zijn overweldigend groot. Met de nadruk op ‘overweldigend’: het is veel meer dan hij bij zijn kiezen voor God voor mogelijk kan houden. Zo is het ook met de keuze voor het kwaad. Het is de mens die ervoor kiest, maar de gevolgen zijn veel groter dan de mens heeft kunnen overzien. Het kwaad heeft de mens zonder God in de tang. Dat blijkt ook keer op keer, omdat de mens uit zichzelf niet anders kan dan tegen God ingaan. Het is dan ook niet vreemd dat God zijn strijd in Christus niet aangaat met de mens (Openbaring 12), maar met de duivel zelf. De verantwoordelijke mens kan zichzelf niet aan zijn haren uit het moeras trekken, hij moet verlost worden van het kwaad (vgl. Matteüs 6,13).

Zo zijn er een paar dingen te zeggen over de duivel: hij is overwonnen door Jezus. Halleluja!; hij is er altijd op uit om het werk van God kapot te maken, maar zijn kracht haalt het niet bij de kracht van Jezus en van God; de mens wist niet goed aan wie hij zich overgaf: sinds zijn overgave aan de duivel blijkt de kracht van satan groter dan de mens. De mens is verantwoordelijk en staat tegelijk machteloos tegenover de duivel; de mens moet worden verlost van de duivel door Jezus; nu dat is gebeurd en de gelovige mens uit mag gaan van zijn verlossing, wordt de mens opgeroepen tot waakzaamheid (de duivel is nog steeds actief) en strijd.

Genade als kracht

Voor déze blog focus ik verder op de plek van de kinderen in de gemeente in de liturgie. Waarbij ik wil laten zien dat aandacht voor de machten van het kwaad de kracht van de genade alleen maar sterker laat uitkomen. In mijn vorige blog (De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – I) schreef ik dat er in de bijbel gestreden wordt om de mens en niet tegen de mens. Er wordt gestreden tegen de machten (Efeze 6,12). Er wordt een zwart-wit-schema in de bijbel gehanteerd tussen licht en duisternis, waarbij de duisternis staat voor alles dat zich van Christus afkeert (vgl. Matteüs 4,16; Lucas 1,78-79; Johannes 1,5; 3,19; 8,12; 12,46; Handelingen 26,18; Romeinen 13,12; 2 Korinte 4,6; 6,14; Efeze 4,18; 5,8; 6,12; Kolossenzen 1,13; I Tessalonicenzen 5,4.5; I Petrus 2,9; 1 Johannes 1,5; 1 Johannes 2,8-11). Als er één ding zichtbaar wordt, is dat de mens die wordt gered, daarvoor volstrekt afhankelijk is van Gods ingrijpen. En God doet dat dan ook.

Uit de verwijzingen die ik noem, onderstreep ik Efeze 5,8 en Kolossenzen 1,13 en 14. Efeze 5,8 laat zien dat de overgang van duisternis naar licht wordt gekenmerkt door ‘uw bestaan in de Heer’.

Gedraag u dus niet zoals zij (7), want eens was u duisternis maar nu bent u licht, door uw bestaan in de Heer. Ga de weg van de kinderen van het licht. (8) (Efeze 5,7-8).

En Kolossenzen 1,13 en 14, omdat de overgang van duisternis naar licht ‘redding’ wordt genoemd door God, die ons heeft ‘overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden.’

Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. (Kolossenzen 1,13-14)

Dat overbrengen gaat op een bijzondere manier, blijkt uit de verzen 3-6: er wordt verteld over het goede nieuws, het evangelie, het draagt vrucht en het groeit, vanaf het moment dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep. Het is die kracht van God, die genade heet, die het enige antwoord is dat licht brengt in onze duisternis. Die duisternis is de macht van de zonde, van het kwaad, van satan zelf, van de machten in de lucht, die ons in de tang houdt en waartegen wij geen verweer hebben, sinds Adam en Eva kozen om te luisteren naar de slang in het paradijs. Genade is de tegenkracht! Dit contrast tussen duisternis en genade maakt goed duidelijk dat het in onze verlossing maar niet alleen gaat om verlossing van persoonlijke schuld, maar van bevrijding uit de alomvattende, in-de-tang-houdende macht van het kwaad zelf. Schuld en onmacht van de mens om zich ertegen te verweren worden door genade weggenomen.

Doop

Bij de doop hebben we dit goed begrepen. Het verbond tussen God en mens wordt daar zo uitgewerkt, dat hij die geboren wordt uit gelovige ouders het teken krijgt van Gods verzoening. Hier is de genade de levensveranderende motor voor de dopeling. Vrijuit wordt de gemeente opgeroepen om de dopeling heen te gaan staan, omdat het gedoopte kind hoort bij het ene lichaam van de kerk (verwezen wordt naar I Korinte 12,13, Gereformeerde kerkboek I, 2017, blz. 667vv.). Samen worden we geroepen om die motor te laten draaien. Niet omdat wij dat nou zo goed kunnen als gemeente, maar omdat de Geest in ons zijn werk heeft gedaan en voortzet: de gemeente is gedrenkt in één Geest.

Vanaf het begin dus wordt de genade ingezet om het contrast met de duisternis te maken. De kinderen horen bij de gemeente die in het licht gezet is en leeft van genade. Ze zijn dan ook ‘in Christus’ (Efeze 5,8).

Je ziet dit contrast tussen duisternis en licht terug in HC 27, v/a 74. Kleine kinderen moeten worden gedoopt, want ze horen ‘als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente.’ Aan kinderen wordt ook ‘door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd.’ Dat is de reden dat ze door de doop als teken van het verbond ‘bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden.’ De doop maakt zichtbaar dat je in het rijk van Gods genade wordt grootgebracht. En niet in het rijk van de duisternis. Voedsel dat daar wordt gegeten is genadebrood. Genade, zo heeft de kerk begrepen, brengt tot vertrouwen in God. Dus gaat de genade zichtbaar aan alles vooraf.

Avondmaal

Hoe anders is dit bij het Heilig Avondmaal! Daar is het grote thema licht en duisternis op de achtergrond geraakt. Het grote thema op de voorgrond is dat van je persoonlijke schuld en bevrijding door Jezus Christus en je eigen gevecht tegen ‘de wereld van de zonde’. Tenminste, in het formulier voor openbare geloofsbelijdenis overheerst dat thema. En één van de vragen is of je trouw zult deelnemen aan het avondmaal – na je ja-woord (Gereformeerde kerkboek I, 2017, blz. 685v.). Hier komt het eten van genadebrood dus ná de geloofsbelijdenis. Dat spreekt vanzelf, als je dat pas mag eten nadat je tot geloof bent gekomen. Maar bij de doop heeft de kerk juist duidelijk gemaakt dat genade weliswaar is ingebed in de geloofsgemeenschap (alleen kinderen van gelovige ouders worden gedoopt), maar zo dan voor het gedoopte kind aan zijn persoonlijke groei voorafgaat. Genadebrood is de motor van en het voedsel voor komen tot geloof. Niets anders dan genade brengt je op de knieën voor God.

Ik blijf dat een opvallende verschuiving vinden. Tegenover de duisternis komt God met zijn licht en dompelt zijn gemeente onder in zijn genade. En levend van die genade, stelt de kerk die kinderen uitsluit van het avondmaal, diezelfde genade voor als bereikbaar na je geloofsbelijdenis. Terwijl die genade juist als groeibron van geloof is gepresenteerd bij de doop. Dat moet er mijns inziens toe leiden dat doop en avondmaal beide worden aangeboden aan de kinderen van de kerk. Een driedubbel aanbod van genade: Woord, Water en Wijn dat ons voedt tot erkenning van Gods bestaan en onze verlossing. Anders lijkt het er op alsof het jongste deel nog wat in duisternis leeft. Dat zal geen kerk die kinderen doopt erkennen. En terecht. Maar het vraagt echt om een andere praktijk rondom het avondmaal. Waar zou iemand anders van moeten eten en drinken, als deel van het lichaam van Christus, bron van Licht, dan van genade die hem onderscheidt van duisternis?

Afrondend

Ik weet dat er discussie is over schriftgedeelten. I Korinte 11,17vv. is zo’n gedeelte. Maar Paulus heeft het daar niet over de vraag of kinderen aan mogen schuiven bij het avondmaal of niet. Het gaat daar over gastvrijheid (vs. 33). Dat thema maakt het niet waarschijnlijk dat de kinderen niet aan mogen. De volwassenheid van de eerste avondmaalsvierders en hun geloof (Matteüs 16) is ook zo’n issue in de discussie. Maar wat vaak niet wordt gezien is dat de leerlingen van Jezus niets moesten hebben van Jezus’ lijden en van zijn kruisiging. Uitgerekend de kern van de viering van het avondmaal geloofden ze niet. Pas in Lucas 24, na Jezus’ opstanding, geeft Jezus hen het broodnodige inzicht. Ook de gedachte dat bij een praktijk waarbij kinderen aangaan, de grond wegvalt onder kerkelijk onderwijs (want ze gaan al aan het avondmaal), mist scherpte. Genade bij de doop geschonken leidt tot onderwijs (vgl Matteüs 28,19-20 en de doopformulieren). Genade ontvangen is geen uitkomst van geloven. Geloven is uitkomst van ontvangen genade. Vanzelfsprekend blijft het belang van een aparte daad van geloofsbelijdenis overeind. Dat miskent niemand die voor kindercommunie is. Hoe mooi is het als de ontvangen genade uitmondt in een oprecht en volmondig ‘ja’. Maar genade aanbieden na geloofsbelijdenis is de omgekeerde wereld van de doop en een niet goed inschatten van de genade als onderscheidende markering tussen duisternis en licht.

Als het waar is dat de kerk leeft van genade, als het waar is dat genade vooraf aan alles gaat in de kerk, als het waar is dat alleen Gods genade de scheidslijn tussen duisternis en licht markeert, gun dan de kinderen van de kerk de maaltijd van de Heer. Anders vertragen we hun groei.

Vergelijk verder over kind en avondmaal: Kinderen en avondmaal.

Kerkasiel en verlies: typisch christelijk

Ik loop rond met een vraag over het kerkasiel in Den Haag. Zelf ben ik er voorgegaan, overtuigd van het nut ervan om mee te doen. Ondersteunen van de familie en mensen in soortgelijke situaties is een belangrijke drijfveer. En tijd ‘kopen’ voor onderzoek dat nieuwe gegevens kan opleveren voor een betere rechterlijke uitspraak, het was voor mij meer dan voldoende om mee te doen. Ik vind het ook een mooie, vreedzame manifestatie van Gods koninkrijk vanuit de liturgie. Een legale manier van doen om als christenen te zeggen tegen de overheid dat we graag een andere weging zien, en dat een wet navolgen naar het gevoelen van christenen nog iets anders is dan recht doen.

Verlies

Mijn vraag wordt echter gevoed door een sentiment dat ik rond deze aandacht voor het kerkasiel merk. We willen zo graag dat de familie Tamrazyan blijft (en dat er een ruim kinderpardon wordt toegpast), dat het niet slagen gepaard gaat met behoorlijke gevoelens van verlies. Ik ben de laatste om te zeggen dat ik daarvan opkijk. Zelf ben ik één van degenen die willen dat de familie blijft en met hen vele anderen die feitelijk Nederlander zijn geworden. En toch heb ik een vraag bij die ervaring van verlies.

Jezus

Ik heb een aanloop nodig om mijn vraag te kunnen stellen. Het voorbeeld voor christenen is Jezus. En zij zijn zo eigenwijs dat ze zeggen dat Jezus dat voor iedereen zou moeten zijn. Er is immers maar één weg die naar het leven met God leidt en dat is Jezus zelf. Halleluja! Jezus roept ons op om ons kruis op te nemen. Dat is de weg van verlies, de weg die onherroepelijk leidt tot de dood. ‘Wie zijn leven verliest, zal het behouden’, zegt Jezus. Dat is een merkwaardige belofte, die afschrikt en het leven van christenen meteen op scherp zet. Sterven om te behouden, gekker kun je het niet zeggen. Maar Jezus doet vóór wat het is. Hij sterft zelf en mensen zien Hem na zijn sterven weer opduiken. Sterven om te blijven leven. Paulus zegt het in zijn brief aan de Korintiërs (I Korintiërs 1,18) zo: ‘de boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.’ Dat is ook zo’n gekke uitspraak. Je zou iets verwachten als ‘de boodschap van de opstanding is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.’ Maar het gaat toch echt over de boodschap van het kruis. En ‘kruis’ is afzichtelijk, is sterven op een manier dat iedereen om je heen zegt dat ze je willen vergeten. Tussen hemel en aarde, uitgejouwd aan de kant van de weg door jan en alleman. Het is zo niet-goddelijk, zo gelynched worden door de wereld op de manier van de wereld. Dat is kruisiging. Het is verliezen…zou je zeggen. Maar dat zegt Paulus niet. Het is voor de mensen die worden gered de kracht van God. ‘De kracht van God’ is een uitdrukking die terugkomt op die momenten dat er gepreekt wordt, gepaard met tekenen van kracht. Gods glorie wordt zichtbaar. Nou, bij een kruisiging van een mens moet je verdraaid goed kijken om Gods kracht te zien. Maar Paulus stelt het zo. Het betekent dat in de kruisiging van Jezus God aan het werk was om een wonder te voltrekken. Dat wonder is níet de opstanding! Het is het kruis zelf. Even later zegt Paulus in I Korinte (1,30) dat Jezus onze rechtvaardiging, verlossing en heiliging is. Dat is het kennelijk. In mijn eigen woorden: de macht van het kwaad lijkt te winnen als Jezus sterft op de meest afzichtelijke manier die je kunt bedenken. Maar de werkelijkheid van God is dat die macht van het kwaad juist onderuit wordt getrokken in Jezus’ sterven. In de ondergang wordt het licht ontstoken. Het is daarom niet moeilijk om te bedenken waarom Jezus opstond: waar de macht van het kwaad dat de dood brengt, wordt uitgeschakeld, staat het gestorven leven weer op. Dat kan niet anders. Maar het is een gevolg van Gods getoonde kracht in het kruis. Wie deze Jezus volgt en zijn eigen leven kruisigt, weet waarop het uitloopt: op zijn eigen leven, op licht. In dit of in een nieuw leven met God.

Vraag

Ik wens het minister Harbers toe dat hij verliest. Op een manier dat er leven en ruimte wordt geboden aan de familie Tamrazyan en vele anderen. Dat zal gezichtsverlies betekenen voor Harbers. Maar als christen zou ik hem weer overeind willen helpen. Het is zijn weg naar het licht. Maar als ik dat Harbers toewens, dan komt daar mijn vraag ook op. Wat als Harbers ‘wint’? Verliezen christenen dan? Dat zal. En met welke gevoelens en overtuiging zou dat dan gepaard gaan? Eenzelfde vraag is te stellen aan de mensen die nu onderweg zijn naar Griekenland in verband met de actie ‘We gaan ze halen’. Als het niet lukt, met welk gevoel blijf je dan achter? Met welk gevoel van verlies en met welke overtuiging daarbij? Ik bedoel niet te zeggen dat een christen niet mag inzetten op het goede voor wie dan ook. Natuurlijk ga je voor het welzijn van anderen. Ook voor de vluchteling en de vreemdeling hebben we ons in te zetten. We zijn het immers zelf op aarde. Maar wie verliest, verliest als christen altijd met en als Christus. En dan is verliezen een beloftevolle weg. Een weg naar nieuw leven. In Armenië, in Griekenland, waar dan ook. Ik bedoel niet te zeggen dat verliezen niet echt verliezen zou zijn. Geen verblijfsvergunning krijgen, wel weg moeten, dat is de weg van het kruis en die is per definitie verschrikkelijk, onmenselijk, dodelijk. En toch wil ik vasthouden aan die belofte die Jezus erbij gegeven heeft, die Hij geleefd heeft. Verliezen op z’n christelijks heeft ook alles in zich van ‘niet (kunnen) verliezen’. Mijn vraag is daarom, als wij spreken over verlies in het kerkasiel en verwante zaken: hoe verliezen wij? Hopeloos, bedonderd, ontgoocheld, of als christen met hoop, omdat het lijden zelf niet zinloos is?

Moeilijk

Ik vind het een moeilijke vraag. Omdat ik de vraag confronterend vind. Het vraagt om een omarmen van lijden. Dat is confronterend. Maar in andere zin is het ook weer de enige barmhartigheid die maakt dat je bij de lijdende blijft als de pijn aanhoudt. Ik geloof niet dat de vraag neigt naar lijdzaamheid, omdat het alles in zich heeft om te handelen in situaties van pijn en uitzichtloosheid. Net als Jezus deed en dat was verre van lijdzaam. Vanuit het geloof dat door het aanvaarden van lijden ook licht ontstoken wordt. Nou ja, dit is dus mijn vraag.

De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – I

Het is een thema dat me al langer bezighoudt: de macht van het kwaad, de duivel, de satan, demonen. Beatrice de Graaf schrijft er over in haar boeken over terrorisme en terrorismebestrijding. Zo wordt het thema of beter, de persoonlijkheid en de macht van het kwaad, zichtbaar gemaakt en dat is goed. Wie de duivel verzwijgt, speelt hem in de kaart. Persoonlijk heb ik de indruk dat we er als kerken goed aan doen om de duivel duidelijker op de kaart te zetten. Ik heb soms de indruk dat de duivel ook van de kerk een doek heeft gekregen om zich onder te verschuilen, een die hem zelfs onzichtbaar maakt (ik heb laatst de films van Harry Potter weer eens bekeken met m’n gezin…). In dit blog schrijf ik wat zoekend en vragend, om te achterhalen welke plek het kwaad als tegenmacht krijgt in de gereformeerde liturgie. En ik eindig met een aanbeveling.

Script

Het script van de liturgie betreft het uitgeschreven deel van de liturgie in formulieren, liederen, gebeden. Kijk ik in het Gereformeerd Kerkboek (2017) en kijk ik voor deze blog in de formulieren en gebeden, dan komt de duivel nauwelijks voor. Niet in de schuldbelijdenis en genadeverkondiging, een keer in het gebed na de preek in de leerdienst (blz. 628), in het Groot Kerkgebed alleen op twee plaatsen (1.3: ‘de macht van het kwaad’; 4.5: ‘duivelse cocktail’). In de doopformulieren (1 en 3, doopformulier voor de doop aan volwassenen) wordt hij genoemd om tegen te strijden (in 2 wordt hij niet genoemd). In het formulier voor openbare geloofsbelijdenis wordt de duivel niet genoemd en ook niet in de avondmaalsformulieren. De teneur in de doop- en avondmaalsformulieren is dat een mens bevrijd wordt van zijn schuld en zonde. De duivel wordt gezien als vijand (bij de doop), maar krijgt verder geen enkele aandacht. Nergens blijkt een ‘leer over de duivel’.

Heidelbergse Catechismus

In de Heidelbergse Catechismus (ik reken het voor het gemak even bij het script van de kerk, als kerkelijke verwoording van geloof bedoeld als leerstof voor de jongeren en preekstof voor de gemeente) wordt de duivel een heel aantal keren genoemd (in zondag 1, 4, 12, 13, 43, 48 en 52), maar zijn werk wordt nergens uitgewerkt. Het valt op, omdat van de ellende van de mens veel werk wordt gemaakt in zondag 2-4. In zondag 1 worden twee soorten van bevrijding genoemd: Jezus heeft ons bevrijd van de zondeschuld en Jezus heeft ons bevrijd uit alle macht van de duivel. Als de eerste wel wordt uitgewerkt, waarom de tweede niet? In zondag 4 wordt het werk van de duivel genoemd in een bijzin, terwijl de hoofdzin de mens beschrijft als schuldige (‘Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd’.). Ik word na zo’n zin nieuwsgierig naar een ‘leer’ over de duivel, maar die blijft achterwege. Wat op de voorgrond blijft hangen, is het feit dat ik de ellende aan mijzelf te wijten had (‘had’, in zondag 4 belijd ik als iemand die verlost is. Maar goed, als ik dan toch mijn geluk verken, is het prettig als dat geluk totaal goed in beeld gebracht wordt.). In zondag 12 vechten we als koningen tegen de dubbele dreiging: tegen zonde en de duivel, terwijl we ook belijden dat koning Jezus ons beschermt en bewaart bij de verworven verlossing. In zondag 13 wordt dat nog eens beleden vanuit het oogpunt van de ‘Heer’: hij heeft ons vrijgekocht van al onze zonden en verlost uit alle macht van de duivel. Zondag 43 verbindt liegen en bedriegen met ‘duivelswerk’. Zondag 48 noemt alle macht die tegen God opstaat ‘werken van de duivel’. Tenslotte noemt zondag 52 de duivel, samen met de wereld en ons eigen vlees, één van onze doodsvijanden. 

Vertekening

De HC brengt twee oorzaken van onze gebrokenheid en schuld in beeld – zonde als daad (mens) en zonde als macht (duivel) – en werkt er maar één uit in zondag 2 en 3. Waarbij tegelijkertijd wordt ingezoomd op de rechtvaardige straf van God voor de mens. Aan Gods rechtvaardige straf moet in tijd en eeuwigheid worden voldaan. Het is vergelijkbaar met wat er in de liturgische formulieren zichtbaar wordt. Wat hierdoor kan gebeuren, is

1. dat mensen ten aanzien van hun zonden vooral worden geconfronteerd met hun zondige daden. En niet of veel minder met de macht daarachter, tegen wie zij zelf geen verweer hebben. Mensen moeten echter ook horen dat ze slachtoffer zijn (vergelijk ook het pleidooi van Henk ten Brinke in het ND van 19 december 2018, Erfzonde is geen noodlot, blz. 6). Zo goed als mensen niet weten hoe groot God is als ze Hem dienen, zo weten ze ook niet hoe groot de satan is als ze de macht van de zonde dienen. Je kunt niet tegen de zonde op, omdat de Macht van de Zonde voor de mens te sterk is. En

2. dat mensen gaan denken dat het in de geestelijke strijd gaat tussen God en de mens. Zondag 4 formuleert in dat opzicht zo, dat dat misverstand kan ontstaan. Terwijl het werkelijk anders is: in de geestelijke strijd gaat het tussen God en satan en het menselijke hart is het slagveld waarop en waarom die beiden strijden (I Petrus 3; Matteüs 6,13; I Johannes 5,18.19; Efeze 6,12; vergelijk ook Johannes 8,34; Hebreeën 2,14 en 15; I Johannes 3,8).

Tot zover het script van de liturgie, ruim genomen. Zetten we dit af tegen wat we vinden in de Dordtse Leerregels en de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan vinden we het volgende.

Dordtse Leerregels

In DL I, veroordeling 7 wordt de duivel genoemd als ‘aanvechter’, in DL III,1 wordt de duivel genoemd in de zin ‘op ingeven van de duivel is hij (de mens, rrr) uit eigen vrije wil van God afgeweken’. In de inleidende tekst wordt de satan alsvolgt genoemd: ‘In deze synoden hebben de trouwe knechten van Christus door gemeenschappelijk gebed, overleg en inspanning zich dapper ingezet voor de kerk en de waarheid van God en zich gekeerd tegen de knechten van satan, ook al deden dezen zich voor als engelen van het licht.’ In DL V,3 staat: ‘Doordat deze zonden nog in hen overgebleven zijn en bovendien de wereld en de satan hen steeds aanvechten, zouden de bekeerden in de genade niet staande kunnen blijven, als zij aan zichzelf werden overgelaten.’ DL V,4 stelt: ‘Gods macht waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, is zo groot, dat zij niet door het vlees overwonnen kan worden. Toch werkt God bij de leiding van hun leven niet altijd zo in de bekeerden, dat zij in sommige gevallen door hun eigen schuld niet zouden kunnen afdwalen van de weg waarop zij genadig geleid worden; zij worden dan verleid door hun zondige begeerten en volgen die. Daarom moeten zij voortdurend waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. Wanneer zij dit niet doen, bestaat niet alleen de mogelijkheid dat zij door het vlees, de wereld en de satan meegesleept worden en tot zware en afschuwelijke zonden gebracht worden, maar gebeurt het ook werkelijk dat zij daarin – en God laat dit rechtvaardig toe – soms worden meegesleept.’ Tenslotte staat in DL V,15: ‘Weliswaar wordt deze leer door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat’.

DL V,3 laat iets meer zien: de mens is niet opgewassen tegen de machten van de satan. Maar veel is het niet. De mens wordt vooral en bij herhaling aangesproken op zijn schuld. Overall genomen is het beeld van de DL goed te vergelijken met dat van de HC.

Nederlandse Geloofsbelijdenis

De NGB is explicieter. Neem NGB art. 12: ‘De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn. Uit alle macht loeren zij als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten.’ In NGB art. 13 over Gods voorzienigheid wordt tot twee keer toe de duivel genoemd als degene die door God in toom wordt gehouden. In NGB art. 14 belijdt de kerk over de mens: ‘Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking.’ Over de macht van de zonde staat in hetzelfde artikel: ‘Daarom verwerpen wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, omdat de mens slechts een slaaf van de zonde is en niets kan aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn (Joh. 3:27).’ In NGB art. 34 (over de doop) is er sprake van Jezus als de Rode Zee en farao als de duivel: alleen in Christus is er verlossing. NGB art. 37 (over het laatste oordeel) stelt tenslotte: ‘Zij zullen wel onsterfelijk worden, maar alleen om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matt. 25:41).’

In de NGB wordt er vergelijkbaar gesproken als in de DL, maar toch uitgebreider. Er ligt een duidelijker accent op de machteloosheid van de mens in zijn verweer tegen de duivel.

Conclusie

Het is met name de NGB en in mindere mate de DL die de waarneming ondersteunt dat de mens de inzet is van strijd tussen God en satan. Daarmee is de verwerking van de duivel in het liturgisch script bepaald bleek te noemen. De risico’s onder ‘vertekening’ die ik hierboven noemde zijn dan ook aanwezig. God vecht niet tegen de mens, maar wel om de mens (Matteüs 1,21). Het is hoog tijd om een compleet en eerlijk beeld te geven van de geestelijke strijd tussen God en satan en hun slagveld in het menselijke hart. Het gaat er daarbij niet om om te doen alsof de mens niet (helemaal) schuldig is. Daarvoor laat de schrift geen ruimte. Maar het benoemen en uitwerken van de macht van het kwaad, laat alleen maar des te sterker zien hoe wij verlossing nodig hebben. We hebben niet alleen vergeving nodig omdat we zondigen en domme dingen doen en ook hebben we niet alleen de aansporing nodig om in de kracht van de Geest te leven, als kinderen van het nieuwe koninkrijk. We hebben verlossing nodig, omdat de mens na zijn pact met het Kwaad geen enkel verweer heeft tegen dat Kwaad. Alle argeloosheid is misplaatst en elke ontkenning van de duivel is een knieval voor hem. De mens is schuldig en hij is slachtoffer tegelijk. Simul peccator et victima. Dat vraagt om aandacht in de liturgie en zal de feestvreugde van de verlossing vergroten.

Liturgie van de maaltijd – 3. overschot

Wie in de kerk leert genieten van de schuldloze ruimte die God schept, wordt daarbij stilgezet in de prediking, maar ook in de sacramenten. Aan het avondmaal wordt je er aan herinnerd, niet als iets van ooit, maar als iets van nu: vandaag leeft de kerk in de schuldloze ruimte die God schept en de kerk in navolging van God in Gods Naam. Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Wie God leert kennen als degene die vergeeft en liefheeft, leert tegelijkertijd zien dat Hij een God van overvloed is: zijn genade is genade op genade, zoals Johannes stelt in Johannes 1,16. Zichtbaar wordt die overvloed, niet alleen in vergeving en verzoening, ook aan tafel: water wordt wijn (Johannes 2) en een leeg visnet wordt een visnet dat overvol wordt binnengehaald (Johannes 21). Liturgie van de maaltijd – 2. overvloed

Overvloed – overschot

Iedereen weet dat een overvloedige maaltijd overschotten heeft. Wat doe je daarmee? Mijn moeder heeft de oorlog meegemaakt. Zij gooide geen eten weg. Eens in de week was er kliekjesdag en aten we wat over was van eerdere maaltijden. Mijn moeder had zelfs moeite met het weggooien van oude koffie. Ze warmde oude koffie geregeld op, altijd vermengd met melk, verwijderde de vellen en dronk de koffie. Ik denk er met afschuw aan terug. Maar het vertelt me ook iets van een generatie die wist dat voedsel kostbaar was en is. Ik gooi nu veel eerder eten weg en ben mijn schroom daarbij wat kwijtgeraakt. Mijn moeder was getekend door de oorlog. Toen ze stierf vonden we boven in haar kledingkast een behoorlijke voorraad blikgroente. Een soort overlevingspakket voor als er weer eens oorlog zou komen. Eten was voor haar kostbaar. Ze gooide niks weg.

In de bijbel zijn er ook van die ‘overschot-verhalen’. Ruth las aren op het veld en raapte bijeen wat de arbeiders lieten liggen van de oogst. Dat was in die tijd een normale manier van armenzorg. Rijkdom brengt met zich mee dat je over hebt om van uit te delen (I Timoteüs 6). Er is ook het verhaal van de twaalf manden brood die overbleven nadat Jezus van twee vissen en vijf broden meer dan vijfduizend mensen had gevoed. Bij dat laatste verhaal is het minder duidelijk wat de betekenis is van die twaalf manden. Het staat er in ieder geval niet bij.

God zorgt

In Lucas 9 worden de 12 uitgezonden, Israël in. Ze mochten niks meenemen, zelfs geen brood voor onderweg. Ze moeten ervan doordrongen raken dat God voor ze zorgt. Dat blijkt later ook zo te zijn uitgepakt (Lucas 22,35. Dat deze maatregel uit Lucas 9 geen aanbeveling is om altijd in blind vertrouwen op God op reis te gaan zonder voorbereidingen, wordt door het vervolg van Lucas 22 wel onderstreept…). Jezus lijkt ze op de proef te stellen. Als de vijfduizend een plekje moeten gaan zoeken om te eten, zijn er enkel vijf broden en twee vissen. Het zou kunnen zijn dat ze dit voedsel net hebben gekregen van mensen bij wie ze waren geweest. Zelf hadden ze niks, dit hebben ze gekregen. Jezus stelt vrolijk voor om dit voedsel aan Hem te geven. Dat is één keer weggegeven. Vervolgens bidt Jezus, zegent het en begint het te breken en te delen. Dat moet toch voor de leerlingen de omgekeerde wereld zijn geweest: dit voedsel was voor hun en Jezus geeft het weer weg. Zullen zij met een lege maag achterblijven? Durf in zo’n situatie je eten maar eens weg te geven. Maar ze doen het en komen niet bedrogen uit. De menigte krijgt genoeg en voor iedere leerling van de twaalf blijft één mand voedsel over: twaalf manden vol. Dat is een bijzondere manier om aan je voedsel te komen: door te delen van wat je hebt, hou je een overvloed over voor jezelf. Deze restanten in twaalfvoud vormen een getuigenis: God zorgt echt wel voor je. Ik heb geen idee wat er verder mee is gedaan. Hebben de leerlingen die manden meegenomen, ieder één? Omdat het verhaal er verder niks over zegt, lijkt me de betekenis in ieder geval te zijn dat Jezus zijn leerlingen wijst op God die te vertrouwen is. Zelfs als je je terecht ontvangen brood deelt met de mensen om je heen, laat God je niet los. Hij zorgt.

Verspilling

Dat is dus één betekenis van resten van je eten: God laat zien dat Hij voor je zorgt. Maar stel, je bent daarvan doordrongen. En dan? Wat zou je er dan mee doen als je de tafel afruimt? Ik vind het drinken van oude koffie door mijn moeder behoorlijk ver gaan (en overdreven: mijn moeder zou blij zijn met de Senseo’s van nu: nooit teveel, altijd precies genoeg!). Maar is weggooien dan het alternatief? Van rijkdom deel je uit, lijkt eerder het devies in de schrift. Ruth profiteerde van Boaz’ rijkdom en Paulus raadt Timoteüs aan om de rijken tot hetzelfde gedrag als Boaz aan te sporen. Nienke Boone (Nienke Boone) vertelt dat verspilling een groot probleem vormt in het kader van de uitstoot van CO2. Na China en de VS zorgt verspilling voor de grootste uitstoot van CO2 (3,3 gigaton). Ze maakte mij erop attent dat bijvoorbeeld een overrijpe banaan niet zomaar staat voor iets dat bedorven is en kan worden weggegooid. Met het weggooien van zo’n overrijpe banaan gaan land, water, tijd en energie (verplaatsen via vervoer over water) ook de prullenbak in. Al met al gooien Nederlanders per persoon per jaar gemiddeld 50 kg aan voedsel weg. Dat is heel erg veel overtollige uitstoot van CO2. Het is daarom belangrijk om stil te staan bij je afval en jezelf de vraag te stellen, of je er niet iets zinnigs mee kunt doen. Weggooien is vaak een vorm van verspilling, die je creatief zou moeten maken. Tenminste, als de aarde je lief is en de kwaliteit van jouw leven en dat van anderen.

Maar, zo vraag ik me af, wat voegt de kerk toe aan het rijtje dat Nienke Boone noemt? Wie eten weggooit, gooit land weg, en tijd, en water en energie. En wat nog meer? Als wij leven van genade in Gods schuldvrije zone, als wij leven in overvloed als teken van Gods overvloedige genade, als de resten van ons eten ons vertellen dat God echt voor ons zorgt en daarin betrouwbaar is en verder dat ontvangen rijkdom is om ervan uit te delen, dan durf ik het wel zo te zeggen: wie eten weggooit, gooit land weg, en tijd en water en energie…en overvloedige genade. Dat stemt me tot nadenken: hoe dien ik Jezus, hoe dien ik God met wat ik overhoud van mijn eten? Weggooien kan nodig zijn, niet alles is te bewaren. Maar Gods trouw zien in mijn afvalbak, dat prikkelt: moet het daar zijn, of kan ik er nog iets mee doen? Toen ik hier een preek over hield, noemde ik in het slotgebed onze vuilnisbak ‘zelfs een heilige plaats’. Het floepte er zomaar uit, maar ik vind dat er waarheid in zit. Zo wordt het een uitdaging om over etensresten na te denken met de vraag wat je er nog mee kunt.

Creatief

Vandaag wordt er heel wat gekookt met schillen (koken met schillen). Er zijn allerlei recepten voor die je helpen met wat we ‘culinair recyclen’ noemen. En herstel de kliekjesdag. Laat je uitdagen!

Liturgie

Je huisliturgie verandert er door. Je maaltijden laten zien dat voedsel kostbaar is, dat je bent gegroeid in je begrip van genade. Daar ga je gewetensvol mee om. Je gaat in de kerk vooral niet moeilijk doen over brood dat over is van de viering van het avondmaal en elders opgegeten wordt. Je kunt het zelfs zien als een voortzetting van deze maaltijd. Het is goed mogelijk om in de kerk een uitwisseling te bevorderen van recepten die iets doen met wat we nu afval van voedsel noemen.  Je kunt het natuurlijk ook  zoeken in zuiniger koken. Dat heeft alleen als nadeel dat je minder ziet van de overvloedige genade van God. Genade die bedoeld is om van uit te delen, omdat het altijd meer is dan wat je voor jezelf nodig hebt.

Liturgie van de maaltijd – 2. overvloed

Als ik nadenk over eten en drinken, klinken altijd de woorden uit Genesis 3 in mijn hoofd. Woorden die tot de man worden gesproken, omdat hij en Eva zich hebben vergrepen aan de boom van kennis van goed en kwaad. Je moet er van afblijven, van die boom en van de levensboom, had God gezegd. Als je er toch van eet zul je sterven. Dat hebben ze geweten, Adam en Eva. ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ (Genesis 3) ‘Sterven’ blijkt bij God een rekbaar begrip. Zeker betekent het dat mensen dood gaan. Maar het betekent ook dat de vrouw moeite zal ervaren bij het krijgen van kinderen en dat de man alleen met pijn en moeite zijn werk zal doen. Sterven doe je niet alleen aan het slot van je leven. Je doet het je hele leven. Dit resoneert in mijn hoofd als ik denk aan God in combinatie met eten en drinken: moeilijk, leven met een vloek van God die je leven kleurt als een stervensproces. Het leven zelf wordt geraakt in de vloek van God: nageslacht krijgen wordt moeizaam, brood op de plank net zo. Terwijl het toch vanaf het begin anders was bedoeld: een soort eten uit de hand van God (Genesis 1,29). Maar is het ook zo in het leven van alledag: what you see is what you get? Heb ik als christen misschien een te sombere blik?

Herschepping

Het begint voor het volk Israël al vroeg te kantelen. In de eerste hongersnood brengt God een ommekeer. Jakob en de broers van Jozef leven van onverwachte genade (Genesis 45,5.6). Onverwacht en onverdiend. God is een God van overvloed. En later in de geschiedenis stelt God zijn volk Kanaän in het vooruitzicht. Dat is een land dat overvloeit van melk en honing (Exodus 3,8). Zo ligt het klaar voor het volk, alsof ze in een gespreid bedje komen. Welkom, niet in eigen huis en haard, maar God schept ruimte voor zijn volk. Zelfs in ballingschap mag het volk zegen verwachten voor zichzelf als het aangespoord wordt om te gaan settelen in Babel: woon er, verwek er kinderen, bid voor de stad, bouw aan de stad. God zoekt ons geluk, staat er dan zelfs bij (Jeremia 29). In het Oude Testament is al veel te zien van Gods ontferming over zijn volk. Er is veel te zien van God die dan niet zuinig is in zijn ontferming, maar overvloedig. Als het gaat in de taal van de maaltijd, is Jesaja 25 niet te missen. Daar zie je in het hart van God. Het is een maaltijd waar nog geen rekening gehouden wordt met diëten en beperkte aantallen calorieën of koolhydraatarme recepten. Het gaat er uitbundig aan toe. God laat zich telkens kennen als een God van overvloed.

Johannes 1 laat zien dat Gods Zoon lijkt op zijn Vader. Jezus wordt in Johannes 1 geportretteerd als Gods nieuwe begin. Alhoewel, nieuw. Hij was er ook toen God met de schepping begon. God heeft echter zijn schepping nooit losgelaten, ook niet toen deze schepping zich van Hem afkeerde. Er is sprake van duisternis en van mensen die horen bij deze duisternis. Maar er zijn ook kinderen van het licht, mensen die het Woord van het begin, Jezus, volgen. Deze mensen ontvangen genade op genade, stelt Johannes 1,16. ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt’, zo vertaalt de NBV het. Bij ‘genade op genade’ dacht ik tot voor kort vooral aan vergeving en bevrijding, mogelijk genezing. Maar het lijkt er sterk op dat Johannes dat breder ziet. Wie Jezus volgen is het recht gegeven om kinderen van God te worden, stelt Johannes 1,12. Natuurlijk gaat dat over vergeving en verzoening. Maar het eerstvolgende hoofdstuk gaat over iets anders. In hoofdstuk twee is er de bruiloft in Kana die beschreven wordt. Overvloed, overvloedige genade of genade op genade, krijgt daar de betekenis van feest, zichtbaar in verrassende, zeer goede wijn, die Jezus daar ter plekke schept uit gewoon water. God spreekt en het is er, wordt hier weer zichtbaar. Tot mijn verrassing in voedsel. Zomaar is de aansluiting bij Genesis herkenbaar. God die het leven goed en overvloedig inricht voor zijn schepselen. Ook in eten en drinken. Gods volk eet uit de hand van God. Je kunt zeggen: het is een bruiloft. Mooi dat Jezus met zijn eerste wonder het bruiloftsfeest redt. Maar mogelijk niet voor herhaling bedoeld. Ik vind het echter opvallend dat dat accent van de overvloed in het slothoofdstuk van Johannes, hst. 21, opnieuw wordt geraakt. Lees ik teveel in de scène van de wonderlijke visvangst als ik het vissen van de leerlingen eerst zie als een eigen poging om met veel moeite (vloek Genesis) brood op de plank te krijgen, en na de ‘tip’ van Jezus zie als een zoveelste uitwerking van ‘genade op genade’: Gods genade is zichtbaar tot in het dagelijkse voedsel toe. Voor en na de opstanding van Jezus is er de ruimgevende en royale God die in overvloedig voedsel zijn ruimhartigheid laat zien.

Delen en ontvangen 

De nieuwtestamentische gemeente blijkt dan ook een delende gemeente te zijn (Handelingen 2 en 4) en Paulus herinnert de Korintiërs er aan dat ze niks van wat ze hebben of bezitten, zelf hebben meegebracht (I Korinte 4). Het laat allemaal goed zien wie God is en hoe Hij graag ziet dat zijn overvloed wordt ontvangen en uitgedeeld, in plaats van gezien als eigen bezit, zelf verdiend en om voor jezelf te houden. God dompelt zijn wereld onder in zijn overvloed. Het zegt volgens mij veel, als op zoveel plaatsen in de wereld niet genoeg te eten is of zelfs honger is. Het heeft er alles van dat we er niet in slagen als mensheid om de ruimhartigheid van God in praktijk te brengen. We weten inmiddels dat er genoeg is voor iedere levende ziel op aarde. Maar kijken naar de honger op aarde stimuleert wellicht niet om te leren delen. Juist de overvloed die velen van ons hebben, nodigt ons uit om eerlijk te kijken: heb ik dat allemaal bij elkaar verdiend? Is het van mij of krijg ik het? Wie in die overvloed zijn genadige God gaat ontdekken, die leert te delen. Wat ik heb gekregen, is van God en vraagt om te worden gedeeld.

Soberheid

Als God een God van overvloed is, wat betekent het dan dat er in de bijbel ook aandacht wordt gevraagd voor soberheid? God heeft een hekel aan decadentie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de profeten (bv. Amos). Paulus maant ook om tevreden te zijn met wat je hebt en waarschuwt de rijken (I Timoteus 6). Geldzucht wordt in datzelfde hoofdstuk ook nog eens de wortel van alle kwaad. Mijn gedachte daarbij is dat in de schrift alert wordt gereageerd, als mensen hun eigen welvaart gaan organiseren (en veilig stellen). Dat loopt zomaar uit de hand. Wie rijk is wordt niet afgeserveerd als hebbert, maar wel gewaarschuwd om je vertrouwen vooral op God te blijven stellen. Je krijgt je rijkdom van God zelf en als zodanig kun je er volop van genieten en van uitdelen. Het mooie is dus dat God zelf niet vanuit de mogelijke ontsporing van mensen, zelf zuinig wordt. Integendeel. Juist omdat Hij een God van overvloed is, hoeft geen mens zich zorgen te maken. God zorgt.

Liturgie

Voor de liturgie betekent dit, dat we in onze huizen aan tafel volop kunnen genieten van de overvloed die God ons geeft. Het betekent dat we volop onze medemens kunnen laten delen in de rijkdom die God ons geeft. Geen zuinigheid alstublieft, maar vier de overvloed die God geeft en wees als God goedgeefs. Het zou weleens op z’n plek kunnen zijn, bij aangeleerde ‘calvinistische’ zuinigheid, om elkaar te leren om vrij te genieten van wat God geeft. Vrij, dus niet met weggestopte schuldgevoelens gepaard. Dat lijkt me in het licht van wie God zelf is, eerder aan God tekort doen dan dat we Hem met zo’n houding dienen of zichtbaar maken.

Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal