Nieuwe liturgie in Corona-tijd (?)

ND 200703

3 juli 2020 staat er in het Nederlands Dagblad een artikel (Inzetten op online-diensten zet kerken op achterstand) over kerk-zijn vandaag. Marc van der Woude heeft een boekje/pamflet (Trendreport 2020. Wat de Covid-19 pandemie betekent voor de toekomst van de kerk en zending. 5 wereldwijde perspectieven en 28 strategische vragen voor kerken en missionaire organisaties in Nederland) geschreven over de uitdagingen van de kerk van vandaag. Maak € 15,– over via www.hetnieuwekerken.nl en je hebt het meteen in je mailbox staan.

Transitie

Eén ding wordt me helder: de kans dat doorgaan op de (inmiddels) vertrouwde manier van online-diensten investeren is in verlies aan relevantie van de kerk, verlies van leden ook, wordt groot ingeschat. Het boekje helpt om je op tal van zaken als kerk te bezinnen. In korte hoofdstukjes wordt je stilgezet bij de ‘transitie’ waarin de kerk is terecht gekomen (1. de toekomst is onzeker – hoe ga je daarmee om? 2. Wat is het grotere sociaal-economische plaatje? 3. Welke hoop bieden christenen in tijden van crisis? 4. Welke invloed heeft corona op de kerk? 5. Welke invloed heeft corona op de wereldzending?). In mijn ogen – maar dit terzijde – was deze transitie al gaande en wordt deze door corona (sterk) versneld. Er wordt met passie voor de kerk van Jezus geschreven, waarbij geprobeerd wordt om de tijd van vandaag in vogelvlucht maar ook weer niet vluchtig, goed te typeren. Dat spreekt me bijzonder aan. Ik vraag me na lezing ook af: hoe lang kan ik nog dominee zijn in de setting van nu? Hoe speel ik, hoe speelt de kerkgemeenschap in op de crisis van vandaag? Hoe maakt een gemeenschap zich (per omgaande: er zit nogal wat urgentie in dit vlugschrift) dit soort vragen eigen?

Ongerustheid, kansen, rouw

Het boekje/pamflet (rijkelijk duur betaald, eerlijk gezegd) brengt me terug bij het ND van zaterdag (ND 200627), waarin Stefan Paas een artikel schrijft, genaamd Zonder crisis geen verhaal (als ik het goed heb beschrijft hij wat hij in dit artikel zegt ook in Vreemdelingen en Priester. Christelijke missie in een postchristelijke omgeving, 2015, uitgeverij Boekencentrum in Zoetermeer). Wat me opvalt is dat er bij Paas meer ruimte is voor een diversiteit aan reacties. Sec genomen is dat bij Van der Woude ook het geval: hij stelt aan het slot van elk hoofdstuk vragen die je zelf mag beantwoorden. Maar waar het bij Van der Woude gaat om daadwerkelijke transitie om kerk van nu te worden, is er bij Paas ruimte voor diverse reactie op ‘de crisis’. Dat spreekt me aan, omdat ik me daarin herken. Ik herken er ook het verhaal van de bijbel in. Waar Van der Woude inzet op verandering door te doen, schetst Paas de crisis als momentum waarop ‘het verhaal tot leven komt: dreiging, angst, paniek, maar ook heldenmoed, mysterie, geloof, liefde en hoop’.  Er is opstand, er is creativiteit en heldfhaftigheid, er is liefde en trouw. De gedachte aan ‘een groter plan’ is er niet (altijd), maar wel overlevingsdrang, wijsheid en slimheid. ‘In de crisis wordt God gevonden waar mensen integer zijn en zich geven aan hun medemensen’ (Ruth en Esther). Zo ziet Paas God terug in de zorgers tijdens de coronacrisis, die in trouw en overgave hun werk deden. Net zoals Ruth en Esther hun leven waagden in crisistijd.

Crisis is vatbaar voor ideeën over kansen om er mee om te gaan. Een trendrede heeft dat risico ook in zich. Ik verwelkom zo’n trendrede en zulk nadenken in crisistijd van harte. En toch voel ik vervreemding: ik voel me opgejaagd, alsof ik van alles moet doen om nú te veranderen. Alsof de crisis me ontnomen wordt, alsof ik één richting opgeduwd wordt (die ik al een poosje op had moeten gaan, bedenk ik daar dan bij): bezin en begin opnieuw. Of nog liever mogelijk: begin en bezin gaandeweg. Doe wat. Wat vervreemdend werkt is dat er in dit boekje/pamflet geen ruimte is voor rouw, voor verwarring die aanhoudt, voor verlies van wat je lief was (de kerkdienst, het onderlinge contact, de aanraking, de samenzang). Wat vervreemdend werkt is dat soms de suggestie wordt gewekt dat dit allemaal afgoderij is gebleken, omdat we er aan gehecht zijn (terwijl we er eerder God voor dankten, kennelijk ten onrechte). Ik wil niet verongelukt overkomen, ik wil aandacht vragen voor vervreemding na lezing van Van der Woude. Crisis is afschuwelijk en die laat zich niet gemakkelijk oplossen, of zelfs maar door iedereen omzetten in creativiteit en nieuwe ideeën.

God

Mij spreekt in het schrijven van Van der Woude aan, zoals hij schrijft over het gebed, datgene waarin de kerk van Christus kan ‘schitteren’. Het lijkt me voor een missionaire kerk belangrijk, dat daarin niet alleen de toon van de verootmoediging wordt getroffen, of aan voorbede wordt gedaan, maar dat ook de verwarring en de chaos en het NIET weten aan God wordt voorgelegd. Daarbij gaat het er natuurlijk niet om dat je je verantwoordelijkheid in deze crisistijd als gemeenteleden ontkent of ontvlucht. Maar wel om God werkelijk aan het woord te laten komen in bemoediging, in erkend worden in gevoelens van onmacht, van niet weten hoe we een en ander vandaag kunnen oppakken, van niet weten hoe we iedereen vast kunnen houden, van erkenning van je rouw en verlies. Om gaandeweg te laten binnenkomen dat God ook hier meer is dan ziekte, dat Hij ook dit virus heeft gedragen en dat we ook hierin naar Christus mogen opzien (hij droeg ook onze mogelijke schuld aan Covid-19).

Volle breedte

De veelheid van reacties op de grote crisis in de bijbel, nl dat de grote God van Israël er mee op lijkt te houden (wat blijft er over van de belofte aan Abraham, van altijd een koning op Davids troon, van Gods naam altijd in de tempel?) in paniek, creativiteit, schuldbesef enzovoorts, kan helpen om meer te doen dan ‘kerk van nu te worden in coronatijd’. Ik geloof dat er een hoop nodig is om kerk van nu te worden, maar ‘kerk van nu’ is ook over de volle breedte elkaars manieren van reageren recht doen. Missionair lijkt me dat wervend, omdat het dan niet gaat over gelovigen alleen, maar over ieder mens die met ons wordt getroffen.

Liturgie

Wat zijn vandaag passende vormen om aan die veelheid van reacties recht te doen? Is afschalen naar kleine groepen dan noodzakelijk? Juist de anonimiteit in de ‘grootschalige’ diensten hielp ook. Kleine groepen kunnen wel heel goed helpen, veiligheid bieden aan elkaar. Ik hoop van harte dat de beide manieren van doen naast elkaar kunnen bestaan. Ik hoop van harte dat bestaande kleine groepen zich open (blijven) stellen voor anderen die af en toe willen buurten of zich willen aansluiten, voor mensen uit de buurt die niet bij de gemeente horen. Ik hoop van harte dat digitale diensten goed bekeken blijven worden, zolang als het duurt en dat er via sociale media en in weerkerende fysieke ontmoetingen blijvend gezocht wordt naar contact over dit soort samenkomen. Ik hoop van harte dat gelovigen de vrijmoedigheid nemen om zo’n boekje van Van der Woude te lezen en met de vragen aan de slag te gaan. En dat er vrijmoedigheid is bij gelovigen om nieuwe vormen van kerk zijn uit te proberen; dat er echte aandacht is voor elkaars verhalen. Omdat crisis nooit leuk is, maar (geregeld ook) een vorm van geleefd verdriet. En zoals God trouw bleek aan zijn volk, zal God ons hier ook wel doorheen helpen. Ik heb tenslotte nog geen jongste dag meegemaakt. Ik kijk uit en vertrouw er op dat God ons als individuen en als concrete gemeenschappen de weg wel wijzen zal. Als Degene die in ons woont en met ons gaat.

Afstandsliturgie

De afstandsliturgie wordt door christenen soms ervaren als een aftandse liturgie. Alles waarover het evangelie gaat, nabijheid, liefde, omzien naar elkaar, het kan niet zo goed op anderhalve meter. In mijn omgeving ontmoet ik mensen die er behalve een grondige hekel aan hebben, ook nog eens ernstige geloofsbezwaren hebben tegen de anderhalvemeterliturgie. Het gaat dan over de opvatting dat volgelingen van Jezus de afstandsamenleving en -liturgie ten onrechte overeind houden. Soms raken ze me niet, die bezwaren, soms houden ze me bezig. Daarom schrijf ik er maar eens over.

Waar sta ik?

Geluiden. Ik ben niet van de viruswaanzin.nl. Ik hoor en lees en zie van alles langs komen over 5G, over machtsstructuren achter de machthebbers die nu op het wereldtoneel hun schaakspel spelen. Ik hoor dat de WHO wordt geleid door een op z’n zachtst gezegd niet zo’n frisse figuur. Eerlijk gezegd weet ik niet goed wat ik daarmee moet. Ik kan het niet goed beoordelen.

Jezus. Maar er is nog iets. Iemand, kan ik beter zeggen en dat is Jezus. Wat moet ik in deze tijd met Hem? Hij geeft zicht op een nieuwe tijd. Dat bemoedigt en helpt om het uit te houden. Hij roept op om voor elkaar te zorgen en naar elkaar om te zien. In de oudtestamentische wetgeving was dat al het geval ten aanzien van de weduwen en de wezen. Jezus zet dat door naar zieken, zondaren, mensen met demonische bezetting. Waar Jezus deze wereld binnenkomt, wordt Hij geïntroduceerd als degene die zijn volk zal verlossen van zonde. Vervolgens blijkt ‘zonde’ een begrip dat meer dan ethische zaken betreft. Dat ook, wet en evangelie worden voortdurend in elkaars gezelschap gevonden en concreet aan de orde gesteld in levens van mensen. Maar het betreft ook ziekte. Machten die ons ziek maken en bezetten. Het is niet bij te houden hoeveel mensen door Jezus en zijn leerlingen worden genezen, hoeveel demonen de deur worden gewezen en hoeveel mensen er daadwerkelijk worden geheeld. Zelfs de dood wordt met een enkel woord ontkracht en Lazarus’ opstanding maakt van een rouwsamenkomst een feest.

Doorgeven. Ik zie in Jezus een ontwikkeling. Van degene die de zieken herstelt, deelt Hij zijn macht met zijn volgelingen (Lucas 9 en 10) die opgetogen zieken genezen en demonen uitwijzen. Om tenslotte vooraf aan Jezus’ hemelvaart te worden meegegeven aan gelovigen (Marcus 16). Het heeft er alle schijn van dat alle gelovigen mee kunnen maken dat ze zieken kunnen genezen (de handen opleggen en zieken zullen genezen). Ik zie dat we dat in ons kerkelijke samenleven zijn kwijtgeraakt. Daar zijn oorzaken voor aan te wijzen die te maken hebben met de lezing van de schrift op dit punt (bijvoorbeeld de zienswijze op de gaven van de Geest als startkapitaal van de beginnende kerk; de visie dat deze gave vooral te vinden is op plaatsen waar het evangelie nog niet is gebracht), maar ook emotionele oorzaken: niet iedereen geneest (vgl. hierover bv. het boek Jezus geneest van R.R. Hausoul en W.J. Kok). Je wilt niemand valse hoop geven, dus hou je er mee op. Mogelijk speelt mee dat in I Korinte gesproken wordt over de gaven van de Geest. In combinatie met woorden van Paulus dat God deze gaven geeft aan wie hij wil, geeft dat een bescheiden houding als je merkt dat jouw uitspreken van genezing geen herstel oplevert. Er is een boel voorstelbaar. Maar ook lees ik dat Jezus de twaalf opdraagt: trek de wereld in, maak overal leerlingen van mij en leer ze alles te onderhouden wat ik jullie heb bevolen. Zelf heb ik de indruk dat deze woorden doorgaans vooral worden betrokken op het liefdegebod en de tien geboden of het onderwijs op de berg van Jezus. Ik betrek het zelf ook op die woorden tot de leerlingen die in Lucas 9 en 10 op stage werden gestuurd en macht kregen om zieken en bezetenen te bevrijden en te genezen. Ik vind het niet overtrokken om het slot van Matteüs en het slot van Marcus bij elkaar te brengen. Dat houdt in dat volgelingen van Jezus te maken krijgen met tekenen waaruit blijkt dat Gods’ kracht verbazingwekkend sterk is.

Het heeft het er alle schijn van dat christenen de ruimte hebben – zo wordt het tenminste aangekondigd in Marcus 16 – om zieken tegemoet te treden, de handen op te leggen zodat ze herstellen. Het is niet goed voor te stellen dat je een terugtrekkende beweging moet maken bij besmettelijke ziekten. Ik heb het wel eens gedaan bij iemand, genezing uitgesproken (voor Coronatijd). Stomverbaasd was ik toen ik een paar weken later werd gebeld: de uitslag in het ziekenhuis was negatief. De bewuste persoon had geen last meer van een chronische ontsteking.

En nu dan in Coronatijd?

Afstand. Ik werp me niet op als genezer. Ik ben wel iemand die de anderhalve meter aanhield en aanhoudt. Ook toen het predikantschap werd aangemerkt als contactberoep en er ‘gewoon’ kon worden gedoopt, had ik geen enkel bezwaar bij het gebruik van de doopstok bij de doop van een paar kinderen. Als doopouders bezorgd zijn, ga ik mee in hun wens om op afstand de doop te bedienen. Het heeft te maken met mijn eigen mildheid, met niet het gesprek op scherp zetten op zo’n moment met een kerkenraad en/of de doopouders, het heeft te maken met meebewegen met het algemene beleid in Nederland en met de kerkenraad hier. Geen frictie. Maar, ik heb ook niet gepreekt in het verlengde van wat ik hierboven stelde: leg elkaar de handen op en zieken zullen genezen. Terwijl ik ook geloof dat God ons ertoe uitnodigt om dat te doen en te ontvangen.

Preken. Er niet over gepreekt: dat heeft te maken met het idee dat we op dit punt bepaald niet allemaal hetzelfde denken. Dat levert mij spanning op. Een als onwennig, mogelijk nieuw en bruusk ervaren benadering in naam van de Heer levert zomaar onrust op en onveiligheid. Ik vond het niet wijs om in de crisis hiermee de gemeente voor te gaan. Daar kun je kritiek op hebben, ik heb het zo gedaan. Maar ik haper ten diepste zelf ook. Laat ik daar maar eerlijk over zijn. Dat is wat ik onder woorden moet brengen: waarom haper ik?

Haperen

Laat het me eerst omkeren. Ik kom in de bijbel totnutoe geen dwingende redenen tegen die me afhelpen van mijn bijbelverstaan op het punt van genezing. Al moet ik er ook bij zeggen: ik heb niet alle gegevens in een systeem geplaatst. Daar raak ik overigens ook wat bij vandaan: systeemdenken. Ik weet niet of de bijbel ons een systeem wil aanreiken over van alles en nog wat. Al is dat er ook (vgl hiervoor Hebreeën 6,1-3: het woord ‘leer’ veronderstelt iets van een samenhangende benadering). Ik laat dus graag de algemene schets van Marcus 16 staan (in samenhang met Matteüs 28), naast I Korinte 12 over de geestesgaven en Jakobus 5 over de ziekenzalving.

Voorzover het coronavirus mij angst inboezemt, heb ik de sterke indruk dat ik die angst mag afleggen. In plaats van bang te zijn voor ziekte, past me als christen eerder vertrouwen op God die in Christus zonde en ziekte heeft overwonnen. Ik spreek graag genezing uit over mensen vanuit geloof in Christus die sterker is dan ziekte en dood.

Maar waarom haper ik dan toch? Omdat iedereen drager kan zijn wil ik niet degene zijn die mogelijk anderen besmet, vanuit mijn geloofsmoed anderen fysiek nabij te zijn. Ik heb niet de overtuiging dat ik immuun ben of als christen dit soort virussen niet bij me kan dragen. De praktijk van vandaag leert anders. Ik heb me ook in acht te nemen vanuit het zesde gebod anderen niet nodeloos in gevaar te brengen. Daarom houd ik mijn handen thuis en houd ik afstand. Het is met name op dit punt dat ik heb geaarzeld: moet ik niet mee in de beweging van Jezus’ sterker zijn dan zonde en ziekte? En dus mijn handen opleggen en laten zien dat ziekte mij niet raakt? Ik heb me ook te verhouden met het zesde gebod.

Daarom vind ik het ook geen probleem om in de gemeente niet hardop te zingen als gemeenschap, vind ik avondmaal vieren op digitale wijze een prima optie, vind ik afstand tussen broers en zussen in de samenkomsten te verdragen. Ik wil het allemaal graag anders, maar ik hoop dat we het nog even uithouden.

Afstandsliturgie

Ik vind de samenkomsten van nu behoorlijk behelpen. Inspirerend ook, omdat we worden uitgedaagd om zaken anders te doen. Makkelijk, omdat waar we anders lang over praten, nu ineens zonder gesprek vloeibaar blijkt te zijn. En moeizaam, want het samen van de gemeente leidt schade. Dat we geestelijk één zijn in Christus, dat er in Hem geen afstand is tot elkaar, geeft in de praktijk van de liturgie van vandaag pijn, verwarring, desoriëntatie, een rotgevoel. Geve God ons vrede en genezing.

Ruim baan voor jou!

Over zelfverloochening

Schrijven over zelfverloochening vind ik pittig. Een bijbelse verkenning is nuttig en volgt verderop. Maar om het bij mezelf te houden en vanuit eigen kaders te schrijven, vind ik belangrijk. Dan snap je als lezer vanzelf de accenten die ik zet. Jouw accenten zijn wellicht anders.

Ik schreef dit artikel voor Onderweg, nr. 13, 2020. Hieronder in blogvorm is het op detail iets anders en aan het slot heb ik twee aanvullende alinea’s geschreven.

Wat?

Wat wil je? Mijn levensverhaal loopt langs lijnen van ontkend worden. Zo heb ik dat tenminste gevoeld. Als er iets schrijnend is geweest in mijn leven is het dat: ontkend worden. Mijn vader en moeder dachten dat ze me zagen staan en dat ze me erkenning gaven. Maar ze gaven het allerminst. Met alle gevolgen van dien. Ik raakte op mijn negentiende depressief, had geen basis om keuzes te maken (wat voor keuzes dan ook). Ik voelde me opgescheept met een leven dat ik niet wilde. Ik wist niet wat ik wel wilde. Nou ja, het liefst sterven, want leven als ontkende wilde ik niet. Toen kwamen er vrienden en broers en zussen die bij me wilden zijn en dat verdroeg ik niet altijd. Maar ze bleven en heel langzaam ontpopte ik, uiteindelijk geholpen door een fantastische therapeut. Ik ervoer dat ik werd gezien, ook als mijn binnenkant niet om aan te zien was. Ten diepste was dit waar ik naar hunkerde, gezien worden. Aangeraakt, gerespecteerd, in mijn beleving, mijn zoeken, mijn vinden, mijn geloven, mijn liefhebben, mijn haat en angst. Dit wilde ik, ruim baan voor mij. ‘De ander belangrijker achten dan mijzelf’, ik heb dat lange tijd geslikt als zoete koek, het was me aangeleerd. Ik heb het lange tijd vervloekt, omdat ik ontdekte hoe belangrijk het was om goede aandacht te ontwikkelen voor mijzelf. Maar inmiddels vind ik ‘de ander hoger achten dan mijzelf’ één van de mooiste dingen om te doen. Niet dat het altijd vanzelf gaat, maar toch: een andere, verrijkende kijkrichting.

Hoe?

Hoe terecht het ook is om jezelf te ontwikkelen en aandacht te vragen voor wie je bent en wat je belangrijk vindt – je bent tenslotte niet voor niets op deze wereld gezet als schepsel van God – op een gegeven moment ben ik daar ook wel een beetje klaar mee. Alleen maar aandacht voor meer van jezelf wordt geweldig saai. Je kunt ook zeggen: er komt (hopelijk) een moment dat er voldoende bevestiging is van wie je bent, dat er verzadiging optreedt. Dan komt er ruimte voor anderen. Dat is bijna nooit één scharniermoment in je geschiedenis, maar vaker een keten van dat soort momenten. Die helpen je echter wel om te groeien. Het wordt gaandeweg mogelijk en vooral ook prettig om te zwijgen, fijn om te luisteren, een verlangen om anderen uit te nodigen: kom, spreek, wees aanwezig, deel jezelf mee. Het is een voorrecht om anderen in de ruimte te zetten. Dan draait het om anderen en niet om mij. Dat heeft niks te maken met dat jezelf níet belangrijk zou zijn, maar met jezelf even parkeren. Eerder ervoer ik dat ik mezelf opzij moest zetten en dat dat pijn deed, offer kostte. Dat is nu niet meer overwegend mijn beleving. Waarom is het erg om jezelf niet in te brengen? Het geeft enorm veel ervaring van vrijheid als ik onbegrensde aandacht heb voor de ander. Die geeft me vergezichten die ik in mezelf niet vind. Die geeft me zicht op God dat ik niet heb. Die geeft me zicht op pijn en vreugde die de mijne niet zijn. Geregeld keert het gesprek zich dan om. Als er bij de ander verzadiging optreedt, ligt zomaar de vraag op tafel: hoe gaat het met jou? Geregeld is dat een schok: zo gericht op de ander dat de wedervraag als een verrassing komt. Ik, waar was ik ook weer…?

Waarom?

  1. gezindheid van Christus: geef de ander eer. Zelfverloochening staat in het bredere kader van de gezindheid van Christus (Filippenzen 2,3-4) en de barmhartigheid van God (Romeinen 12,1-2, vooraf aan vers 9-10). Die gezindheid van Christus is de omgekeerde werkelijkheid van het leven na de zondeval. De mens (de man als de vrouw) vond eigen verlangen belangrijker dan Gods verlangen, de schuld van de vrouw groter dan zijn schuld, de schuld van de slang groter dan haar schuld. De handelende en sprekende mens ging voortdurend boven de ander staan. De gemeenschap viel vervolgens uiteen. In plaats van leven met elkaar leefde men ten koste van elkaar: Kaïn sloeg zijn broer Abel dood. De gezindheid van Christus is hieraan tegengesteld. Een mens zou zichzelf niet boven God of een medemens moeten plaatsen, laat een mens zich nederig opstellen (Matteüs 23,1-12). Hij doet er goed aan om een ander boven zichzelf te plaatsen (Romeinen 12,10), of, iets letterlijker ‘in eerbetoon elkaar voorgaand’ (Naardense Bijbel), met als bron de ‘oprechte liefde’ (Romeinen 12,9).
  1. geboden om lief te hebben. In Matteüs 22,37-40 worden we door Jezus er aan herinnerd dat Gods geboden zijn gegeven om lief te hebben. Ik word opgeroepen om God en mijn medemens lief te hebben, zoals mezelf. Dat is de kern ervan. Eén gebod, twee kijkrichtingen. Jezus geeft dit gebod in een confrontatie met de Joodse leiders die er op uit zijn om Hem om te brengen. Het kan niet zo zijn dat je de mond vol hebt over God en tegelijk je naaste naar het leven staat. Integendeel, het is één gebod: God liefhebben en je naaste als jezelf. Ook als je de ander als een kennelijke bedreiging ziet. Ik zie hier dezelfde manier van spreken als in Romeinen en Filippenzen: de liefde van Christus laat me de ander in de ruimte plaatsen. Het gaat niet ten koste van mezelf. De naaste liefhebben ‘als mijzelf’ gaat ervanuit dat ik mezelf koester en van waarde vind.
  1. sterven en opstaan, vernieuwing en gemeenschap. Wanneer we Filippenzen 2,2-4 overwegen worden we geconfronteerd met een nogal bruuske uitwerking van de gezindheid van Christus voor de vorming van een gemeenschap. Jezus deed afstand van zijn gelijkheid aan God. Hij werd een dienende slaaf in de persoon van een mens. Hij vernederde zich en was gehoorzaam tot in de dood aan het kruis. Hier wordt ‘de ander belangrijker achten dan jezelf’ verbonden met het lijden en sterven van Christus. Dat schetst wel hoe ingrijpend het voorstel van Paulus is. Het laat je voelen dat je zelf totaal opzij stapt voor een ander. Sterker nog, dat je je aan de ander geeft in je wens samen te leven met hem en haar. Maar het is niet het einde van het verhaal. Het vervolg van Filippenzen 2 verhaalt over Jezus die ook weer is opgericht, door zijn Vader geëerd werd met de naam die elke naam te boven gaat en met de belofte dat de hele schepping voor hem, Jezus, buigen zal. Er zit bedoelde wederkerigheid in ‘de ander belangrijker achten dan jezelf’. Jezus heeft meegemaakt en zal meemaken dat Hij ook gediend en geëerd wordt. Als de gezindheid van Christus de grondtrek van de gemeenschap is, dan ben ik niet de enige in die gemeenschap die een stap opzij doet voor de ander, maar dan stapt de ander ook voor mij opzij en geeft me alle ruimte.

Waar samenleven in Filippenzen 2 wordt gekoppeld aan het sterven en opstaan van Jezus, is dit meer dan een voorbeeld voor de gemeente van Christus. Het sterven en opstaan van Jezus is ook bron van deze gemeenschap (Filippenzen 2,5: ‘in jullie moet zijn wat ook in Christus Jezus was’). Paulus noemt in zijn brief aan de Korintiërs (1,18) de boodschap van het kruis voor degenen die gered worden de kracht van God. In zijn sterven versloeg Jezus de dood, onttrokken aan ons oog. Maar zichtbaar in de vanzelfsprekende opstanding (wat moet je anders als je de dood hebt overwonnen?). Wie ‘in Christus’ is door op Hem te vertrouwen is in staat om (aan zich)zelf te sterven en op te staan, anderen ruimte te geven en te genieten van ruimte die je van elkaar ontvangt.

  1. vrijheid. Romeinen 14 is een hoofdstuk dat me steeds leert om in de omgang met anderen het belang van anderen in het oog te houden. Om bij verschillende geloofsovertuigingen in de gaten te houden of de ander door mijn geloofspraktijken in zijn gaan met God wordt geschaad. Zal het hem of haar bij God vandaan brengen? Met souplesse in geloof beweegt Paulus zich in de gemeente en geeft ruimte. Maar het brengt hem niet in de knoop. Juist zijn vrijheid voor God, zijn geloofsovertuiging die hij voor God kan verantwoorden, blijven hem de ruimte geven om zich te bewegen en de kern van gemeente-zijn in de gaten te houden: het koninkrijk van God is een zaak van gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest (Romeinen 14,17). Binnen het kader van Romeinen 14 zijn dat relationele begrippen: gerechtigheid onderling, vrede en vreugde onderling. Je kunt het ook wel zo weergeven: bij verschillen van inzicht (zwakken en sterken) is het belangrijk dat je je bevrijding door Christus samen in vrede en vreugde kunt blijven vieren. Dus drijf je je eigen inzicht niet als normatief voor iedereen, maar geeft ruimte. Zonder daarmee de suggestie te wekken dat als je ruimte geeft aan anderen, je eigen geloofsovertuiging minder belangrijk is. De ander een plek geven is een vorm van dienstbetoon die niks te maken heeft met jezelf onbelangrijk vinden, maar met ruimte geven en creëren met behoud van eigen vrijheid.
  1. het geheim. In Marcus 8,34 spreekt Jezus de woorden uit: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen.’ Om het (voor mij) maar wat spannender te vertalen: wie Jezus wil volgen, moet zichzelf ontkennen, zijn kruis op zich nemen en zo achter hem aangaan. Dat is een vertaling die het mes in mijn hart zet. ‘Jezelf ontkennen’, ik vond het al misselijkmakend dat ik thuis ontkend werd. Nu is de pointe van Jezus: ga jezelf ontkennen. Is dat niet nog erger? Als je de tekst isoleert van alles wat gezegd is, dan wel. Petrus krijgt in het voorafgaande vers een inzichtgevende berisping: ‘weg achter mij, Satan, je denkt niet aan wat God wil, maar aan wat de mensen willen.’ Dit is Genesis 3: niet God, maar satan, niet de ander boven je plaatsen, maar jezelf boven anderen plaatsen. Het geeft de indruk van menselijkheid, de woorden waarmee Petrus opkomt voor Jezus (Matteüs 17,22), maar het is hoogmoed en godsontkenning. Die hoogmoed en godsontkenning moeten er aan geloven. Om ruimte te maken voor God die een mens vernieuwt. Zoals Paulus daarover spreekt in Galaten 2,20: ‘ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.’ Als ik sterf met Jezus, kan ik alleen maar opstaan. Om anders dan voorheen te leven. In mij wordt Jezus zichtbaar (zie verder hierover Liturgie, opstaan na lijden).

Racisme

Ik schreef dit artikel onlangs, gevraagd om te schrijven over zelfverloochening en dienen in deze coronatijd. Inmiddels is het thema racisme hoog op ladder van de actualiteit gestegen. Zonder dit thema expliciet te hebben aangeraakt is dit schrijven één op één aan nadenken over racisme gerelateerd. De ander zien en groter maken dan jijzelf impliceert verschillen tussen mensen, maar sluit racisme uit. Paulus ziet scherp dat zelfverloochening of de ander belangrijker achten dan jezelf de basis onder een echte gemeenschap is. Wie zichzelf steeds maar vooraan zet, onderdrukt de ander. Dat heet overigens lang niet altijd racisme, maar ook emotionele verwaarlozing, incest, antisemitisme, oorlog, manipulatie, enzovoorts.

Liturgie

Omdat ik deze blogs schrijf in het kader van liturgie, wil ik dit schrijven kort vertalen naar liturgische praktijken. In de brede liturgie zal de dienst aan God met zich meebrengen dat christenen er om bekend staan anderen te waarderen en te eren en er eventueel om te lijden (Filippenzen 2,20). En als weerwoord op kritiek en veroordeling, anderen, ook vijanden, te zegenen (Filippenzen 3,8 en 9: laat het goede van God zich vermeerderen). Binnen de liturgie van de eredienst zal er gepoogd worden te streven naar diversiteit (binnen één liturgie of in liturgieën die qua stijl afwisselend zijn). In de gemeente wil men elkaars geloofstaal horen en leren verstaan, al hoeft dat niet te betekenen dat je andermans geloofstaal omhelst of overneemt. Het hebben van een eigen geloofscultuur als verschillende kerken en kerkgenootschappen is op zich geen enkel probleem, behalve wanneer deze samengaan in de weg staan en segregatie tussen kerken en kerkgenootschappen bevordert. Dat raakt overigens zomaar het thema van racisme, wanneer blanke kerken hun eigen geloofscultuur hoog willen houden in een inmiddels multiculturele samenleving.

Overigens is hiermee niet gezegd dat er niet gesproken kan worden over stijl of kwaliteit. Het belang van dat gesprek zou ik juist willen onderstrepen. Als maar wordt beseft dat stijl en kwaliteit niet aan één geloofstaal of liturgische taal vast zit, maar in de verschillende geloofstalen is opgetast. Stijl en kwaliteit raken aan een thema als schoonheid die bemoedigt en vertroost. Daarom blijft gesprek hierover waardevol, al is het ook zo dat liturgie niet staat of valt met stijl en kwaliteit.

Acht de ander hoger dan uzelf. In allerlei variaties is het verrijkend als we deze houding aan de dag leggen. Geregeld blijkt het een behoorlijke opgave.

Liturgie, opstaan na lijden

Aanvankelijk was het de bedoeling om na Pasen deze blog te schrijven. Het kwam er niet van. Tot nu.

Vertrekpunt

Een liturgie van opstaan is een liturgie van lijden. Omdat er zonder lijden geen opstaan is en omdat opstaan op zichzelf genomen een actie is zonder bijbels profiel. Niemand zal opstaan als hij of zij niet heeft geleden. Dat is in mijn ogen de boodschap van het kruis. Wil er een liturgie van de hoop zijn, dan moet dat ook een liturgie van het lijden zijn. Hoop die niet voortkomt uit lijden is als een kleurige luchtballon: een vrolijke, maar lege luchtbel. Wie zich beroept op de gedachte dat Christus voor ons leed en ook nog eens in plaats van ons, om daarmee de bovenstaande gedachte van vraagtekens te voorzien, begrijp ik. Ik heb zelf lang zo gedacht en niet goed plek kunnen geven aan de aandacht voor ‘moeten lijden’ in de schrift voor Gods kinderen (Kolossenzen 1,24; Filippenzen 3,10-12). En is het niet vreemd dat als er iemand voor ons lijdt, wij dan ook nog lijden moeten om op te staan? Dus alle begrip. Maar als ik een antwoord op die laatste vraag geef ‘is het niet vreemd dat …’, dan zeg ik nu: ja en nee. De bijbel zelf geeft reden om te denken dat ‘ja’ een gedachte is die voortkomt uit ons logisch denken (Jezus heeft geleden in mijn plaats, dan hoef ik niet meer te lijden. Net als bij betaling van schuld, dat hoeft ook niet meer omdat Jezus heeft betaald) en ‘nee’ is een gedachte die voortkomt uit verbondenheid met de Heer. Verbondenheid met de Heer laat immers zien dat opstaan volgt op lijden (Filippenzen 2,1-8; I Petrus 2,20-21). Verbondenheid met de Heer laat zien dat opstaan volgt op sterven. En dat opstaan niet eens zozeer het belangrijkste is, maar gevolg van wat er aan vooraf gaat: overwinnen dóor te sterven. Het kan niet anders dan dat het overwinnen van wat ‘dood’ genoemd kan worden (zoals Jezus ‘de dood’ overwon) door te sterven, als gevolg heeft dat je opstaat. Vanzelfsprekend volgt hieruit dat ook het werk van de Geest doordrenkt is van lijden op weg naar opstaan en vernieuwing (vgl. Romeinen 8 in zijn geheel, vers 17 in het bijzonder).

Kruis

Uitgangspunt voor deze benadering vanuit Christus is het woord van Paulus in I Korinte 1,18. ‘De boodschap van het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.’ Het is iets dat moeilijk voorstelbaar is, sterven is immers verliezen van de dood. ‘Iedereen sterft een keer’ is een bekende, maar ook defaitistische uitspraak. Er blijkt juist geen kracht uit, maar zwakte. Bij de dood van Jezus benoemt Paulus echter het tegendeel. De boodschap van het kruis is de kracht van God. Waar alles ophoudt, waar Jezus verschoppeling wordt, een niets, bedoeld om te vergeten (zo was de kruisdood bedoeld), wordt kracht van God zichtbaar. Voor mensen niet te bevatten en dwaas, maar voor mensen die Jezus omhelzen wijs; in de ogen van mensen zwak, maar voor mensen die Jezus omhelzen sterk. De boodschap van het kruis bepaalt ons er bij dat we door Christus’ sterven rechtvaardig worden, heilig en verlost. In dat sterven van Christus zit Gods kracht.

Maar zegt Paulus zelf niet ook dat de opstanding ‘meer’ is dan de kruisiging? Dat lijkt te staan in Romeinen 8,34: ‘wat meer is, de opgestane’. Maar de context waarin deze woorden staan, laten die nu juist niet de kracht van de kruisiging zien? Het gaat over God die voor ons is (Romeinen 8,31). Niemand zal ons bij zijn liefde vandaan houden. Ook niet mensen die ons aanklagen. ‘Wie zal ons veroordelen? Christus Jezus die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons.’ Als alleen de opgestane Heer van belang zou zijn voor onze vrijspraak, zou de gestorven Heer hier niet zijn genoemd. Maar het eerste antwoord op de vraag wie ons veroordelen zal is: Christus die gestorven is, pleit voor ons. Maar dat is een vreemde zin: kan een dode voor ons pleiten? Vandaar dat het gevolg van Jezus’ sterven ook wordt genoemd: ‘meer nog, hij is opgestaan’. De gestorven Heer pleit voor ons als opgestane. Hij die de dood verslagen heeft door zelf te sterven kon niet blijven in de dood. Wat rest je als je de dood verslaat door zelf te sterven? Niet dood blijven, want dan zou je ‘in de dood’ blijven. Maar wie de dood verslaat, kan niet anders dan opstaan. Het is het eerste en noodzakelijke gevolg van je overwinning. Maar waarom staat er dan ‘wat meer is’? Daarmee is niet bedoeld te zeggen dat de opstanding van Jezus meer is dan zijn sterven, maar bedoeld is te zeggen dat je aan een gestorven Jezus als zodanig niets hebt. Pas als de gestorven Jezus daadwerkelijk opstaat zie je de kracht van zijn sterven, zie je de kracht van het kruis.

Leven

‘Het leven is niet anders dan een voortdurend sterven’, zeiden we ooit in ons doopformulier in de GKv. Dat is waar, maar dat is het niet alleen. Romeinen 8,11 en 2 Korinte 4,11 vullen aan met opstandingsleven: ‘opdat ook ons leven openbaar wordt in ons sterfelijk lichaam’ en ‘de Geest zal ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in U woont’. Daarom is het in de doopformulieren van vandaag ook zoveel beter geformuleerd. Let er op dat gesproken wordt in de vorm van een belofte: het zijn woorden die spreken van een feit dat zal gebeuren aan volgelingen van Jezus. Tegenover dood zal leven zichtbaar worden in ons sterfelijk lichaam en het is de Geest die dat in ons doet. Hoe gaat dit in z’n werk: het levend maken van onze sterfelijke lichamen door de Geest?

Vernieuwing en afsterven worden in de bijbel geschetst als één proces (Heidelbergse Catechismus, zondag 33, v/a 8, onder verwijzing naar Romeinen 6,4-6; I Korintiërs 5,7; II Korintiërs 7,10; Efeziërs 4,22-24; Kolossenzen 3,5-10).

Romeinen 6,4-6 geeft aan dat er door de doop een verandering heeft plaats gevonden. Begraven met Jezus in zijn dood, staan we weer op om nieuw te leven. Ons oude bestaan is met Jezus gekruisigd. Toch is het feit van ons sterven met Jezus niet hetzelfde als de verandering die in ons leven plaats vindt. Wij worden nog aangespoord om de zonde niet te laten heersen over ons leven (6,12-14). Wat in Christus waar is, moet zich ontrollen in ons leven.

I Korinte 5,6-8 benadrukt hetzelfde. Op volgelingen van Jezus wordt een sterk appel gedaan om te leven als volgelingen van Jezus: doe de oude desem weg.

II Korinte 7,8-11 laat iets zien van de werking van Gods Geest. Verdriet dat God geeft leidt tot inkeer en vernieuwing. Paulus noteert het met verwondering (en opluchting, vs 8).

Efeze 4,22-24 doet een sterk appel op de inzet van mensen, op leven zoals passend is bij volgeling van Jezus zijn. Kennelijk zijn de werking van Gods Geest (Romeinen 8,11) en eigen inzet niet aan elkaar tegengesteld, maar is door de Geest van God die eigen inzet ook te leveren.

Kolossenzen 3,5-10 laat een mix zien van de woorden die ik hiervoor heb aangedragen. Er is het moeten afleggen van het oude leven (dat hangt samen met de doop (3,1-3 dat terug gaat op 2,6-15); er is het laten afsterven (actief loslaten van ‘oud gedrag’) en het aangetrokken hebben van de nieuwe mens (actief kiezen voor nieuw leven); en er is ook de werkzame kracht die meekomt met die nieuwe mens: vernieuwd wòrden en zo tot inzicht komen.

Wie de vraag wil beantwoorden ‘hoe gaat dit in z’n werk: het levend maken van onze sterfelijke lichamen door de Geest?’ heeft nu een paar ingrediënten te pakken: eigen inzet wordt gevraagd in het loslaten van leven alsof de zonde het nog over je te zeggen heeft; eigen inzet wordt gevraagd in kiezen voor nieuw leven; maar er is ook in dit alles de drijvende kracht van Gods Geest op te merken: we worden vernieuwd en komen zo tot inzicht.

Het lijkt me niet teveel gezegd om die drijvende kracht te koppelen aan I Korinte 1,18. De boodschap van het kruis is voor degenen die gered worden de kracht van God. Afsterven aan jezelf, afsterven aan zonden is het opgeven en kruisigen van je oude leven (Matteüs 16,24-26). Op het eerste gezicht een overgave aan de dood. Maar omdat het ‘in Christus’ gebeurt, kunnen wij hetzelfde wonder meemaken als dat Christus meemaakte (Efeze 1,18-20). Als hij zullen we opstaan. Allereerst in veranderend leven (Romeinen 6,14-19), maar uiteindelijk ook in opstanding in Gods eeuwigheid (Romeinen 6,20-23).

Het nieuwe leven waarmee God ons zegent is daarom een kracht die ons doet sterven, en een kracht die ons doet opstaan.

Hoop

Hoop is kenmerk van wat er nog niet is, maar waarnaar wel wordt uitgezien. Als wij in dit leven worden opgeroepen in de kracht van God ‘nieuw te leven’, mogen we verwachten dat die kracht heel concreet voelbaar wordt. Soms zal dat met zich meebrengen dat we ‘ineens’ komen tot nieuw inzicht (Kolossenzen 3,10). Maar ook zal er een stervensproces voelbaar zijn. Leven vanuit de opstanding is daarom ook (altijd?) een gang naar het graf, jouw graf. Waarin een verzameling van ‘oude mens zijn’ wordt neergelegd. In Christus is dat al gebeurd, en toch zal de praktijk van het alledaagse leven geregeld een concrete gang naar je graf zijn. Concreet is voelbaar, moeitevol, associëren met sterven, met naakt zijn (je oude kleren uitdoen) en kwetsbaar zijn. Net als bij Jezus zal je opstaan voorafgegaan worden door de weg van het kruis. Steeds opnieuw. Het hoopvolle is dat het niet meer erg is. Dat het niet meer een verlies is, maar een zelfgekozen weg naar winst en opstanding. Al zal het soms duren voordat we die opstanding meemaken, afhankelijk van de hardnekkigheid van wat kwaad is in ons.

Ik merk dat ik graag wil zeggen: sterven is leuker dan je denkt. Dat zeg ik vanuit de ervaring van opstaan in vreugde. Maar wie midden in zijn stervensproces zit, zal het als pijnlijk ervaren, niet leuk. Je gang met het kruis is een heftige, ook al is deze vol van belofte.

Ethiek en moraal

Dit alles heeft gevolgen voor de benadering van ethiek. Ethiek is de bezinning op gedrag van mensen vanuit het evangelie. Het heeft te maken met gewetensvol en verantwoord handelen (vergelijk de titel van de serie populaire ethiek ‘Verantwoord handelen’ van J. Douma uit de vorige eeuw). Het draagt ook de notie in zich van goed en fout en gewezen worden op je eigen verantwoordelijkheid. Met mijn overwegingen totnutoe kom ik echt wat anders uit. Het is de belofte van deelgenoot zijn van Jezus’ lijden, sterven en opstaan, dat we in een revitaliserende beweging terecht komen, waarin inzicht en gedrag voortdurend in beweging zullen zijn als blijk van bevrijding die we in Jezus ontvangen. De confrontatie met zonde en kwaad enerzijds en vernieuwing anderzijds vormen dan twee brandpunten van een ellips die het opstandingsproces met zich mee brengt: dit geheel (gevecht, lijden en opstaan) is een geschenk van Gods bevrijding.

Liturgie

Voor de liturgie heeft deze reikwijdte van genade de betekenis dat opstanding voortkomt uit sterven. Dat ‘in Christus’ zijn niet betekent dat wij niet meer hoeven te lijden (al is het lijden aan het kruis uniek), maar dat het juist betekent dat wij zullen lijden (Kolossenzen 1,24). Beloftevol lijden op weg naar opstanding. Ik heb de indruk dat we uitgenodigd worden om ons lijden te omhelzen in plaats van ons er tegen te verzetten. Omdat we bij verzet niet zullen meemaken dat we kunnen vernieuwen en opstaan. En dat is nu juist Gods bedoeling. Binnen de liturgie zijn opstaan en lijden dan ook geen twee van elkaar losstaande kanten van ons leven als christen, maar ze vragen om met elkaar verbonden te worden benoemd en uitgewerkt. Terminologie als ‘(on)gehoorzaamheid’ heeft een beperkte betekenis. Omdat het ons laat stil staan bij onszelf en ons eigen handelen en de dynamiek van door God bevrijd leven gemakkelijk uit het oog verliest. Maar het gevecht met ons oude leven is zonder meer te typeren als een genadige strijd, die God ons geeft en gunt als geboorteweeën van een nieuw en opgestaan leven. Om als de jongste en de oudste zoon te ontdekken wat genade is. En dan moet het beste nog komen.

Christus en de pandemie

Drie leugens

Wim van der Schee (ND, 8 mei 2020) ontwaart drie leugens die vandaag worden geleefd. 1. Je gezondheid is het belangrijkste wat je hebt; 2. Iedereen heeft recht op de beste zorg; 3. Wat je niet kunt controleren, daarvoor ben je aansprakelijk.

Gezondheid is het belangrijkste wat je hebt. Gezondheid is niet het belangrijkste wat je hebt. Liefde en lijfelijke zorg van mensen om je heen zijn veel belangrijker. ‘Wat het dichtst bij de zin van een mensenleven komt, is dat er fysiek van je gehouden wordt.’ Nu de leugen regeert, grendelen we de samenleving af van menselijkheid.

Iedereen heeft recht op de beste zorg. Dat iedereen recht heeft op de beste zorg, daarvan klopt niets in de praktijk. Het is een holle frase, wanneer ingezet wordt op de IC’s en het voorkomen van het vollopen van de IC-capaciteit, en tegelijkertijd dat wat geen spoed heet, geen zorg krijgt. Dat zal opleveren dat na verloop van tijd juist die andere vormen van zorg vollopen.

Wat je niet kunt controleren, daarvoor ben je aansprakelijk. Tenslotte is er sprake van een psychologische lockdown, wanneer we en masse kiezen voor het willen beheersen van het virus. Het nieuwe virus is voorlopig niet te controleren en daarom wordt de (logische) angst onder de bevolking verdeeld: zorg dat je niemand besmet. Maar dit virus is niet te controleren is en vluchten in de utopie van een vaccin en een anderhalvemetersamenleving is onzinnig. We kunnen ook ons verlies nemen, zonder iemand aansprakelijk te stellen.

Dit mag je vandaag allemaal niet denken of zeggen. Toch is het nodig dat alledrie de leugens worden doorgeprikt. Want wat een paar maanden geleden nog mishandeling heette, wordt nu het nieuwe (ab)normaal. Van der Schee noemt dat afgodische krachten die als gevolg hebben dat we ons als samenleving ‘automutileren’.

Kritiek en alternatief

Ik deel de kritische waarnemingen van Van der Schee. In die zin dat de reactie op de coronacrisis mede gevoed en gestuurd wordt door expliciete en impliciete normen in de samenleving. In het artikel is weinig ruimte voor het ontwikkelen van een alternatieve vorm van reageren. Van der Schee geeft terloops wel iets aan. Er valt niks te controleren aan zo’n virus, we hebben het niet in de hand. Wees dus voorzichtig met het spelen van de kaart van de verantwoordelijkheid. Leg bij een besmettelijke ziekte het zwaartepunt van de zorg niet bij de IC’s, maar bij de onderkant van de zorgpiramide (huisartsen, verpleeghuizen, thuiszorg). En verlies de menselijkheid niet, de mogelijkheid om in liefde fysiek van elkaar te houden. Maar omdat het niet wordt uitgewerkt, blijft er veel ongezegd en niet ingevuld.

Als het de bedoeling is dat deze leugens worden doorgeprikt, komt de gedachte op dat de genomen maatregelen weer zouden moeten worden teruggenomen. Maar moeten we dan het risico willen nemen dat de IC’s opnieuw vollopen? Onbeheersbaar is onbeheersbaar en het eerste risico (de IC’s raken overbelast), blijft. Als dat allemaal ‘niet voor niets’ is geweest, zoals Van der Schee stelt, kan de huidige samenleving dan niet verdedigd worden op basis van blijvend risico zolang er geen vaccin is? Anders gevraagd: hoe komt de samenleving er uit te zien als je de drie leugens ontmaskerd hebt? Vooralsnog stemt Van der Schee tot nadenken en dat lijkt de bedoeling: blijf alert op onderliggende sturende uitgangspunten in deze crisis. Deugen ze of niet? Het ligt zo dicht tegen elkaar aan: zelf bang zijn om ziek te worden en dus veel bezig met je eigen gezondheid èn reëel onder ogen te zien dat ziek zijn bij het leven hoort (met daarbij het risico om te sterven). Ik vind dat pittig, maar ik heb het nodig om er bij te worden stilgezet. Zo is het ook goed stil te staan bij verantwoordelijkheid voor dat wat niet te controleren is: ik kan die verantwoordelijkheid niet aan voor dat wat ik niet controleren kan. Maar als ik dan voor mijzelf niet in een kramp hoef te schieten, wat kan ik doen om anderen zoveel mogelijk te beschermen door mijn gedrag? Covid-19 blijft tenslotte een potentiële killer.

Dit nadenken over sturende normen in de omgang met de crisis helpt om zin en onzin van elkaar te leren scheiden en eigen keuzes te maken. Zo vond ik het ‘grappig’ om in het ND van 9 mei 2020 te lezen (column Ad de Bruijne) hoe vloeibaar ‘de Nederlandse identiteit’ is geworden. Handen schudden, dat hoort bij ons! En moslims kregen ontslag en rechtszaken aan hun boerka’s als ze de Nederlandse identiteit niet omarmden. Nu zijn er de ellebooggroet en de voetzoen… De Nederlandse identiteit is zo flexibel als wat.

Jezus

Kort stipt Van der Schee de betekenis van Jezus aan. Hij doet dat in het kader van ‘liefhebben met lijf en leden’: zoals Jezus dat deed aan een kruis in totale overgave, hoe sprekend is dat een pleidooi voor fysieke liefde! Tegelijkertijd is er juist over Jezus zoveel meer te zeggen. Dat zal Van der Schee overigens beamen, een artikel in een krant is in zijn opzet (zeer) beperkt. Ik kan hiervoor wijzen op de bijdrage van N.T. Wright aan het begin van de coronacrisis. In Christus is de lijdende zichtbaar, voor ons, met ons. Dat wijst niet meteen op elkaar weer fysiek aanraken, maar wel op het feit dat we in Christus zien dat Hij ook dat lijden droeg. Het maakt het ook draaglijker om het uit te houden. Jezus weet wat we doormaken. Hij weet wat het is om niet te worden aangeraakt (en zelfs te worden opgehangen als iemand die bedoeld is om snel te vergeten).

Waar ik kerken vandaag vooral over hoor nadenken is over de anderhalvemeter-samenleving in de gemeente. Sec genomen is dat voor iets dat met een lichaam wordt vergeleken een onmogelijkheid. Het voelt niet alleen onthand, maar ook onthoofd en ontarmd enzo. Maar gehoorzaam aan de overheid doen we mee, zo goed en zo kwaad als het gaat. Lege kerkzalen, iedereen voor de beeldbuis, beeldscherm, telefoon en tablet, we denken na over avondmaal en doop, juist die zaken waarin ook de lichamelijkheid van de gevallen mens reddend tegemoet getreden wordt (‘ik ben eigendom naar lichaam en ziel van Christus’, zondag 1 HC). Maar is dit alles wat er kan worden gedaan vanuit de kerken, of wordt in onze reactie ook duidelijk dat we als gelovigen iets kwijt zijn geraakt dat juist nu waardevol is? Ik heb niet allemaal gerijpte antwoorden, maar ik zoek en stel vragen.

Toen Jezus op aarde kwam, kwam Hij om te bevrijden van zonde. Veel meer dan ethische missers van mensen gingen aan het kruis, ook onze ziekten droeg de Heer. Gebrokenheid is zichtbaar in de evangeliën in de vorm van daden die met God niks van doen hebben, en in de vorm van ziekten die wijzen op verlies en bederf van Gods goede schepping. De macht van zonde is groot. De tegenbeweging van Jezus is zichtbaar in daden van vergeving en genezing. Jezus raakt aan wat onrein is, herstelt ook (besmettelijke) melaatsheid (Lucas 5, vgl. voor verbod op aanraking Leviticus 13,45-46). Hij laat zijn leerlingen stage lopen (Lucas 9 en 10) in Israël en demonen worden uitgedreven en zieken genezen. Wat Jezus zelf doet, deelt Hij met zijn leerlingen en aan het slot van zijn verblijf op aarde wordt aangegeven dat bijzondere tekenen gelovigen zullen volgen, op zieken zullen ze de handen leggen en ze zullen genezen (Mc 16,17-18). En de twaalf krijgen de opdracht om alle volken te ‘discipelen’, alles wat Jezus hen geboden heeft. Daarbij is aan meer te denken dan de bergrede, alle vijf de redevoeringen in Matteüs komen dan in beeld (W.J. Kok en R.R. Hausoul, Jezus geneest. Rijkdom van Gods nieuwe schepping, 2016, uitgeverij Gideon, blz. 421)

Mijn vraag is aanvullend bij het artikel van Van der Schee. Leven veel christenen vandaag niet in een bubbel van onmacht, terwijl de Heer van de gemeente zijn macht deelt met ons? Ligt er niet (nog) een leugen in ons midden, namelijk die van het geaccepteerde verlies van de macht die Jezus met zijn gemeenten deelt? En de daarop volgende omarming van de wetenschap als gave van God en ons groeiende vertrouwen op mensen (vgl. L.T. Johnson, Miracles. God’s presence and power in creation, 2018, in de serie Interpretation, Westminster John Knox Press, Louisville-Kentucky, blz. 3-43).

Ik zou graag meer flair willen zien in de kerken. Uit voorzichtigheid blijkt liefde, die kan uitkomen in afstand houden en niet mijzelf, maar de ander in het midden van mijn aandacht plaatsen. Maar er is ook een andere kant, die in de kerk sterke papieren heeft: de Heer heeft zonde en ziekte gedragen. Enerzijds komt flair dan naar voren in onbezorgdheid: of we nu leven of sterven, we zijn van de Heer. Dat levert bewapening op tegen leugens zoals Van der Schee die signaleert (en moeten worden overwogen). Anderzijds komt flair dan naar voren in daadkracht: in gelovigen die bidden om genezing en herstel in vast vertrouwen op God, in gelovigen die genezing uitspreken en mogelijk zelfs (al is dat geen ‘must’) elkaar de handen opleggen als teken van Gods winnende kracht en herstel en elkaar en de wereld blijven zegenen in Gods Naam.

Voorzichtig

Ik ben ook voorzichtig bij dat laatste. Er is ook wijsheid aan de mens gegeven en we hebben die nodig als geschenk van God (Jakobus 1). Jezus zegt zelf op de verzoeking van de duivel, spring van het dak van de tempel, engelen zullen U dragen (Psalm 91): U zult de Heer niet verzoeken. Ik heb daarom geen probleem met anderhalve meter afstand houden vandaag. Maar ik merk dat het zomaar tussen mijn oren gaat zitten dat we Christus’ macht beperkt beleven en de macht van ziekte als groot beleven. Dat lijkt me niet de bedoeling. De daden van de Heer spreken, zijn macht is groot, onze zonde en ziekte waren op Hem en Hij leeft en deelt zijn kracht met ons. Ik weet wel van pastorale frustratie als genezing uitblijft (het is een moeite van veel mensen die zich geven aan de praktijk van genezing op gebed), maar – kort gezegd – daarin blijft de eigenheid van God zichtbaar. Ik heb Hem nooit in mijn macht. Wat me in ieder geval ook erg lijkt, is dat we kleiner gaan denken over Gods macht dan nodig.

Dopen in coronatijd – 2

Heilsnoodzakelijk

Het zit me toch niet lekker, het uitstellen van dopen. Ik ben erg voor voorzichtigheid vandaag en wat niet kan, kan niet. De overheid volgen in deze tijd is ook belangrijk. Wat me dwars zit is dat er over de doop gesproken wordt als niet heilsnoodzakelijk. Ik schreef er ook zo over in mijn eerste blog over Dopen in corona-tijd – 1. Het is ook een goed argument om te benadrukken dat, als er niet kan worden gedoopt, mensen niet moeten gaan denken dat hun kindje iets wezenlijks mist. Dat wezenlijke is al deel van het kind. Geboren uit gelovige ouders is het nieuwe leven in Christus geheiligd. Dus de doop geeft niet het heil, maar het betekent en verzegelt de beloftevolle leefwereld van de dopeling waarin de dopeling is geboren: God is je Vader en wil dat nadrukkelijk zijn. Daarom is er geen man overboord als er even niet kan worden gedoopt. Daarom is het goed om de drang achter vroegdoop los te laten.

Doop noodzakelijk

Tegelijkertijd maakt dit inzicht iets anders duidelijk. Als de doop niet noodzakelijk is om heil te verkrijgen, is andersom gezegd dat de doop noodzakelijk is vanwege het verkregen heil. Heil vraagt om doop. En daarom denken we er over na in tijden waarin niet makkelijk kan worden gedoopt. Aanvullend op mijn eerdere blog en op geluiden in de pers over kalmte omdat de doop niet heilsnoodzakelijk is, is nog wel iets meer te zeggen.

Doop als teken van heling en hoop

Naast het punt van volgorde: heil vraagt om doop, kan gewogen worden wat het sacrament van de doop beoogt te zeggen. In een schepping die doordrongen is van zonde en ziekte, is de doop teken van heling en hoop. Er is een nieuw begin met God te maken voor wie in Christus is. Dat zegt de doop door onderdompeling of besprenkeling. Die betekenis van de doop levert op, dat uitstel van de doop niet slechts kan worden verdedigd op basis van de niet-heilsnoodzakelijkheid van de doop. Het levert minstens ook op dat uitstel van de doop niet logisch is, als die gebrokenheid juist in alle ‘glorie’ zichtbaar wordt in een pandemie. Juist nu hebben we een teken van hoop nodig. Daarvoor zijn ze gemaakt.

Als het avondmaal in coronatijd

In de gedachtevorming over wel of niet avondmaal vieren in coronatijd spelen dezelfde sentimenten. Net als de doop is het avondmaal teken van hoop. ‘We missen al zoveel aan beleving van samen’, was wat geregeld was te horen. Dus laat in deze omstandigheden de bemoediging van het avondmaal zoveel mogelijk ruimte krijgen (Avondmaal vieren in corona-tijd). Bij de doop is het niet anders. In de gebrokenheid wil ik er aan meewerken dat de tekenen van hoop blijven spreken. Uitstel is mogelijk, niemand hoeft er krampachtig om te doen. Maar uitstel is ook ongewenst, verlangen naar de christelijke tekenen van hoop is terecht.

Dopen in coronatijd – 1

Wachten

De meeste kerken wachten. De GKv in Zeewolde niet (ND 18 april 2020). Dan gaat het over dopen (van kleine kinderen). Over die praktijk van dopen van kleine kinderen orden ik mijn gedachten. Het uitdagende van de crisis rond corona is hoe je omgaat met wat je vertrouwd is. Afstand is geboden. (Al is theologisch over afstand nog wel meer na te denken in mijn ogen.) En omdat we in onze gedachten uitgaan van wat was – daarop is ons theologisch nadenken geënt – wachten we tot alles weer normaal is. Geen man overboord bij de doop. De (vroege) doop is niet heilsnoodzakelijk, wachten kan.

Nieuw normaal

De vraag is echter of de doopbediening zoals we die gewend zijn, wèl heilsnoodzakelijk is. Die suggestie gaat namelijk zomaar uit van het moeten wachten met dopen. Zoals we het gewend zijn in het oude normaal, zo moet het. Hetzelfde spanningsveld dat te voelen was bij de viering van het avondmaal doet zich voelen: zoals het was, kan het nu niet, dus vieren we niet. Of kan het toch en hoe dan? Verschillende antwoorden worden gegeven (Avondmaal vieren in Corona-tijd). De wachters gaan in hun denken uit van het oude normaal, degenen die nu vieren gaan uit van de anderhalvemeterafstandsamenleving, het coronavirus blijft voorlopig onder ons en daarop kun je participeren.

In mijn eigen gemeente houden we ook aan dat we voorlopig niet dopen. En erg lijkt me dat niet, omdat inderdaad de bediening van de doop niet heilsnoodzakelijk is. (Daarmee bedoelen we te zeggen: de werkelijkheid van de doop is aanwezig, Gods belofte en zorg voor het nieuwe leven, ook als er tijden zijn waarin niet kan worden gedoopt.) Maar de vraag die er achter ligt: is de vormgeving van de bediening van de doop zoals we die kennen, dwingend? Als je antwoord ‘ja’ is, kun je niet dopen. Maar als dat niet zo is, zijn er mogelijkheden te overwegen. Als het nieuwe normaal echt normaal wordt – wat voorlopig nog wel zo zal zijn – dan kun je mogelijk anders handelen.

Doop

Mij is geleerd dat een geldige doop uit drie elementen is opgebouwd. Een geldige doopformule (in de naam van Vader, Zoon en Geest), in het midden van de gemeenschap (getuige van de doopbelofte, steun aan de ouders, versterking van eigen geloof) en door de ambtsdrager die de doop mag bedienen (de predikant). Het is dan meteen helder dat in het nieuwe normaal niet kan worden gedoopt. De voorganger die de doop bedienen mag, kan niet bij de dopeling komen in een anderhalvemeterafstandsamenleving. De rest kan worden opgevangen. De doopformule kan worden uitgesproken door de voorganger en in een digitale dienst kan, net als bij de viering van het avondmaal, de gemeente aanwezig zijn die toekijkt. Het belangrijke element dat de doop wordt bediend ter versterking van het geloof van de gemeente, blijft overeind. De steun van de gemeente aan de doopouders kan worden benoemd in de opwekking die nu in de doopformulieren is opgenomen.

Is er dan wat te bedenken ten aanzien van de bediening van de doop door de voorganger? Dat lijkt me geen probleem te hoeven zijn. In het nieuwe normaal is het niet wijs om als voorganger die afstand te doorbreken. Wat let ons om de ouders zelf hun kindje te laten besprenkelen of onder te dompelen in de samenkomst, waar de gemeente toekijkt en de voorganger de doopwoorden uitspreekt? Je hebt dan de setting van dopeling, doopouders (en doopgezin) die samen met de voorganger in één ruimte zijn, en de gemeente die via digitale middelen toekijkt en meedoet.

Gevoelsmatig schuurt dat bij me. Omdat ik eeuwen op mijn netvlies heb staan waarin de voorganger doopt. Maar in de woorden die de voorganger uitspreekt: ik doop je, blijft zichtbaar dat alles vanuit de gemeente plaats vindt. Dat is betekenisvol, omdat de doop inlijft in de gemeenschap van de kerk (I Kor 12,13). En sterker dan voorheen wordt zichtbaar dat het gezin daarin de eerste bouwsteen is van de gemeenschap van de kerk, vader en moeder dopen hun kindje. Daarin wordt het vijfde gebod sterker benadrukt. Eer je vader en je moeder, de opstap om God te leren kennen ligt in het gezin en via het gezin wordt de liefde voor God en de medemens aangeleerd. En de aansluiting op de joodse praktijk van besnijden wordt er sterker door: die vond immers ook plaats in het gezin en werd uitgevoerd door de ouders (Gen 17; Ex 4,24-26). (Voor de helderheid: ik wil niet suggereren dat de doop de vervulling is van de besnijdenis.) Ik vind dat niet zo’n gek element, om de verbinding met onze joodse roots te versterken (Rom 11). In de besnijdenis van jonge jongens, ligt in het joodse denken geen kiem van ‘los zijn van het grotere geheel’, maar juist van het ‘wij’ van het volk van Abraham (Gen 17; Ex 12,43-50; Rom 4,11-12).

Dus, al nadenkend vraag ik me af of er in de tijd van het nieuwe normaal niet gewoon kan worden gedoopt. De overheidsmaatregelen kunnen worden gewaarborgd. De predikant op afstand van de doopouders, het gezin dat laat dopen kan bij elkaar staan omdat voor gezinsleden de maatregel van 1,5 m afstand niet geldt. De voorganger spreekt de doopwoorden: ‘N.N., ik doop je…’, of iets aangepast: ‘NN, je wordt gedoopt…’ De doopouders besprenkelen met of dompelen hun kindje onder in het doopwater. Gevoelsmatig is het wennen. Theologisch lijkt het me goed te verantwoorden (de huidige vormgeving van de dooppraktijk is niet heilsnoodzakelijk). Ten aanzien van de waardering van het gezin lijkt het me verrijkend.

Als het gaat om de wens om er familie bij te hebben, dat is iets om in wijsheid te overwegen en binnen de grenzen van wat is toegestaan te houden.

NB

Wie deze vorm overweegt toe te passen, doet er mijns inziens goed aan om te overwegen of en hoe deze vorm de interkerkelijke dooperkenning raakt (vergelijk bisschop Ron van den Hout die hiervoor aandacht vraagt in ND 200508). Maar verwerk daarbij het inzicht van dr. Paul Voorberg (ND 200514, Paul Voorberg, wettigheid/geldigheid doop): ‘Bisschop Van den Hout suggereert dat een niet-wettige doop meteen ook niet geldig zou zijn. Dat gaat veel te ver. Het is het mooiste als de doop wordt bediend op de ideale manier, dus in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, door een wettige ambtsdrager, met water, in een openbare eredienst. Als dat om wat voor redenen niet kan, betekent dat nog niet dat de doop niet geldig is en dus overgedaan zou moeten worden. Dat leert nu juist de rooms-katholieke theologie door de nooddoop te erkennen en die erkenning ook van de andere kerkgenootschappen te verwachten die in 2012 ondertekenden! Voor een geldige doop komt het er alleen op aan dat de gedoopte in alle ernst en met water is gedoopt en in zijn doop verbonden is aan de drie-enige God. Als hieraan is tekortgedaan, pas dan, komt de geldigheid van de doop in discussie. Alle andere bepalingen waarmee een doop is omringd zijn waardevol, maar niet onmisbaar om een doop als geldige doop te erkennen.’

Zie ook: Cees Haak, ND 8 mei 2020Dopen in coronatijd – 2Fokke Pathuis, doopstok

Liturgie tussen doen en lijden (resonantie in corona-tijd)

Twee schrijvers over Corona

Veel wordt er geschreven over de kerk in de tijd van het corona-virus. Ik pik er twee schrijvers uit die me aanspreken, Wright en Halik. Ik vat ze samen, typeer ze en overweeg ze.

Wright heeft niet veel op met ‘duiders’ van het coronavirus. Is het een waarschuwing, een signaal, een straf? Het zijn allemaal overhaaste rationalisaties, alsof alles een verklaring moet hebben. Stel dat het geen verklaring heeft? Wright voert een pleidooi om onze mond te houden en te klagen. Voorlopig weten we het niet en is dit gewoon een erg beroerde tijd. Hij roept op om verder te kijken dan de misère van de pandemie, om ook te wegen wat er elders in de wereld gebeurt: de vluchtelingenkampen, Gaza, Zuid-Sudan. Hij roept de psalmen in herinnering, in hun aandacht voor de klacht. Niet om je frustratie kwijt te raken, maar om mee te doen met God die klaagt. Hij wijst daarbij o.a. op de huilende Jezus bij de dood van Lazarus, de Heilige Geest die met ons zucht als we geen woorden vinden om te bidden en Jezus die klaagt aan het kruis om de godverlatenheid. De roeping van christenen is niet om alles maar te verklaren, het is juist omgekeerd, de roeping van christenen is om dat niet te kunnen doen. En dan maar te klagen. En te weten dat de Geest meeklaagt. Hij is bij ons in onze pijn.

Halik heeft andere overwegingen. Hij begint met de constatering dat onze wereld ziek is. Hij doelt dan niet enkel op de pandemie, maar ook op de staat van onze beschaving. Hij noemt het virus een ‘teken des tijds’. Waar we ons eerst richten op overleven, doen we er goed aan om ons ook dieper te confronteren met deze crisis. Mondialisering heeft een grens en blijkt nu kwetsbaar te zijn: ‘Welke uitdaging brengt deze situatie mee voor het christendom, de kerk – één van de eerste ‘mondiale spelers’ – en voor de theologie?’, zo vraagt Halik zich af.

De kerk zou een veldhospitaal moeten zijn. Om verwonden te verzorgen. De kerk moet buiten zijn grenzen treden en mensen fysiek, mentaal, psychisch, sociaal, spiritueel ruimte voor herstel aanbieden. De kerk zou dan ook boete kunnen doen voor leed dat ze zelf aangebracht heeft aan de meest weerlozen. Maar er moet ook meer gebeuren. Goede hulp begint bij goede diagnostiek (tekenen van de tijd), preventieve maatregelen (creëren van een immuunsysteem tegen populisme, haat, angst en nationalisme) en herstel bevorderen (door vergeving uit te spreken).

Halik legt een verband tussen de afgebrande Notre Dame (Pasen vorig jaar) en de onmogelijkheid voor kerken en moskeeën wereldwijd om samen te komen. Het vormt voor hem een teken en uitdaging van God. Hij probeert de taal van God te begrijpen en stelt dan dat God zichtbaar wordt, niet in mensen die spreken over een oordelende God, maar in menselijke solidariteit en opofferingsgezindheid, christen of niet. ‘God is nederige en discrete liefde.’

Bij de lege kerken van nu komt de vraag op of deze een waarschuwend visioen vormen voor de nabije toekomst. De kerk moet de wereld een compleet ander gezicht van het christendom laten zien, niet de wereld bekeren, maar zichzelf, geen christen zijn, maar christen worden. Eerdere tijden in de middeleeuwen waarin kerken geen kerkdiensten belegden, liepen uit op een bloei van de mystiek. Zou die mystiek nu een nieuwe kans krijgen? Halik ziet graag bij de leegte van de kerken een wending naar het hart van het evangelie, de diepte in. Vieringen voor een beeldscherm vind hij gekunsteld. Waar twee of drie in Naam van Christus samen zijn, is Hij in hun midden. Er zouden gemeenschappen moeten worden gevormd voor vrij debat en contemplatie, die helpen bij het zoeken naar waarheid. Deze kerk in nieuwe vorm zou een bron van genezing kunnen zijn voor een zieke wereld. ‘Hij is niet hier, hij is ons voorgegaan naar Galilea.’ Op dit punt maakt Halik de vergelijking van de kerk met het lege graf van Jezus. Die kerk is dood, maar dient als Jezus op te staan. Waar ligt vandaag het Galilea waar Jezus is? Halik situeert Galilea bij de zoekers van vandaag, onder gelovigen en niet-gelovigen. Om Jezus naar Galilea te volgen moet zij de oude voorstelling van de Christus laten varen. ‘We weten waar de kerk is, maar we weten niet waar ze niet is.’ De Opgestane is anders dan voor zijn sterven: hij is radicaal getransformeerd. Niet alles hoeven we meteen te geloven, maar laten we eerst Jezus’ wonden aanraken. In de wonden van de samenleving (die van kerk en wereld beide) is de Heer te vinden. Stoppen met mensen bekeren en te leiden naar onze vormen van kerk zijn. Maar laat nieuwe wijn in nieuwe zakken worden bewaard.

Typering

Wright wil de crisis niet duiden. Hij wil klagen met God vanwege het niet kunnen doorzien van de dingen die gebeuren. Het is een nare tijd die vraagt om een klaagzang. Zoals Jezus dat ook deed: mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?

Halik duidt het effect van de crisis op de kerk als een teken van de tijd.  Hij doet twee waarnemingen: bij hem komt de priesterlijke taak van de kerk in beeld als reactie op alle mogelijke verwondingen door deze crisis. Tegelijkertijd vergelijkt hij de lege kerken met het lege graf van Christus en wil hij dat de kerk uit dat graf komt, Jezus achterna naar Galilea. Bij de verwonde mensen zijn en samen met de zoekers – gelovig en niet gelovig – werken aan waarheidsvinding in dialogische verbinding met de traditie van de kerk. De priesterlijke taak van de kerk vindt niet meer plaats binnen de oude kaders van de kerk, vormgegeven binnen de muren van de liturgie, maar op straat.

Wegen: priesterschap en resonantie

  1. Lijden, priesterschap, Galilea. Zelf voel ik me meer thuis bij de reactie van Wright. In mijn idee is de tijd niet rijp voor allerlei soorten van duidingen, nu iedereen bezig is verwond te worden of zijn wonden te (laten) verzorgen. Het is crisis, er is pijn, er is de vraag naar zingeving op het allerdiepste niveau: mijn God, mijn God, waarom hebt u ons verlaten? Ik vind het prachtig om bij Halik de aandacht te lezen voor de priesterlijke kant van de kerk: zorg voor fysieke verwonding is me dan minder helder (laat dat de artsen doen), maar eten delen, spirituele bijstand verlenen, vergeving uitdelen waar zonde wordt ervaren en benoemd, sociale verlichting geven. Belangrijk om er zo te zijn als kerk, ook in deze tijd. Maar als de lege kerk van vandaag wordt vergeleken met het graf van Christus, waar je uit moet, dan is dat als duiding van de ‘tekenen van de tijd’ of ‘de taal van God begrijpen’ mij te vroeg en ook voorbarig. Ik zie om me heen dat de lege kerk vol van leven is van de Opgestane Heer. Zoveel als er wordt gedaan om in dit nieuwe normaal er te zijn voor de gemeente en voor de wereld! En het is niet alleen de kerk die daarin opereert, maar gelovigen en seculieren samen. Ergens wordt nu juist zichtbaar dat in die kerken (en in de seculiere wereld er omheen) altijd veel leven is geweest, leven dat bij een crisis als deze juist heel vitaal blijkt te zijn gebleven. Je hoort mij niet zeggen dat er geen kritiek mogelijk is op de kerk van nu. Maar dood was ze allerminst. De gestalte van Christus in liefde en mededogen, gemis en ontferming, wordt juist zichtbaar. Ik heb de neiging om te zeggen dat Galilea ook binnen de kerkelijke gemeenten is gevonden en dat men dus bij de Heer is. Of dat niet uitgebreid moet/kan worden naar de zoekers in de wereld? Dat lijkt me geen vraag die nu pas zichtbaar of voelbaar wordt, maar altijd al relevant was. Daar is veel werk te doen. (Ik weet niet of de context van de Roomse kerk voor Halik aanleiding is om over de kerk als dode kerk te spreken. Aangezien zijn artikel in meerdere kranten over de wereld is gepubliceerd, lijkt het dat Halik over ‘de’ christelijke kerk in haar algemeenheid schrijft.) Met de urgentie van de huidige crisis heeft de (zoekende) kerkgemeenschap mogelijk wel meer aansluiting bij zoekers die Christus niet kennen. Hier raken Halik en Wright elkaar mooi, in de wonden binnen en buiten de kerk: het virus raakt de hele wereld. Samen klagen en elkaars wonden verzorgen, dat is wat er nu gebeurt en mensen met elkaar verbindt. Mij lijkt dat een mogelijke vruchtbare omgeploegde akker, waarin mensen elkaar kunnen helpen, gevoelig kunnen zijn voor elkaars vragen en bemoediging. Mogelijk gaan mensen eerder open voor God die liefheeft, verlost en zich ontfermt.
  2. Resonantie. In plaats van duiden is de kerk de plaats voor resonantie. Ik schreef daarover al eens naar aanleiding van een boek van Hartmut Rosa, Leven in tijden van versnelling. Een pleidooi voor resonantie (zie mijn blog over Versnelling). Hij beschrijft dat onze samenleving wordt geleid en geleefd door de wetten van de concurrentie. Die zorgen er voor dat alles steeds sneller gaat en moet, om te overleven. Het loopt uiteindelijk uit, zo is zijn voorspelling, op een situatie van ‘razende stilstand’. Zo’n situatie lijkt nu aan de hand. Al is (mij) onduidelijk of onze zich versnellende economieën oorzaak zijn van dit virus, ze is er onderdeel van in die zin dat versnelling ook globalisering meebracht en mensen overal vandaan het virus wereldwijd hebben verspreid. Nu is alles tot stilstand gekomen. De wereldeconomie ligt plat. De natuur komt op adem. Allerlei problematiek die de concurrentie en de economie met zich meebrengen is er altijd geweest. De laatste vraagstukken over CO2 en stikstof liggen nog onopgelost in ons geheugen. Inmiddels reageerden we er op. Versnelling moet een keer tot vertraging leiden, we rijden inmiddels langzamer (van 130 naar 100) en momenteel überhaupt veel minder. Maar (afgedwongen) vertraging is niet het antwoord op onze crisis. Je hoort nu al spreken over het weer opstarten van de economie. Voor we het weten zitten we weer in de ratrace van de versnelling. Wat nodig is, is echte afstand van wat we doen. Innerlijke afstand: weg raken uit de verslaving van de concurrentie en versnelling. En dat er dan ruimte ontstaat voor bezinning op wat we aan het doen zijn. Dat is zichtbaar in bijvoorbeeld reacties van Wright en Halik. Wright komt tot klagen, Halik komt al met duidingen. Maar beide vinden plaats in de nieuwe ruimte van resonantie.
  3. Kerk. Juist de kerk is hierin een goede plek. Zij niet alleen, ook natuur, kunst en geschiedenis zijn plaatsen voor resonantie. Ze helpen om afstand te nemen. De kerk helpt om je vanuit verbinding met God opnieuw te verhouden met wat we aan het doen waren. Jezus dient ons en helpt ons om te ontdekken dat er meer is dan de onpersoonlijke macht van versnelling en concurrentie waartegen niemand zich aan leek te kunnen onttrekken. Er is meer dan de snelweg van het eenrichtingsverkeer: er zijn kruisingen en afslagen! In deze ruimte bij Jezus ontstaat er gelegenheid om te komen tot resonantie. Je kunt dat niet pakken, maar het doet zich wel aan je voor. Zoals bij Wright en Halik die zoeken en tasten naar begaanbare wegen in en uit de crisis. Het is de plek waar je eerlijk kunt worden: wat hebben we, wat heb ik gedaan? Het is de plek waar je schuld kunt belijden en vergeving krijgen kan. Het is de plek waar je je wonden kunt tonen en kunt laten verzorgen. Het is de plek waar je het allemaal even niet hoeft te weten. Het is de plek waar je niet bang hoeft te zijn voor oordeel. Er is vergeving, liefde, toewijding, herstel, aandacht. Waar ik niet meega met Halik als het gaat om de gedachte dat de kerk dood is en te vergelijken met het lege graf van Jezus, vind ik zijn gedachte om nu samen met de zoekers in de wereld te zoeken naar nieuwe wegen (waarheid?) terecht. Waar seculiere mensen dat eerder zullen doen vanuit restanten van hun (christelijke) geloof of vanuit natuur, kunst en geschiedenis, oriënteert de kerk zich op haar traditie. Nou ja, meer dan dat, op Christus zelf. Vanzelf gaan mensen elkaar beïnvloeden en wie weet dat de kerk van vandaag die vol van leven is, verandert naar een kerk die door veel seculieren kan worden omarmd. Omdat die kerk die zelf zoekt naar nieuwe wegen en nieuw verstaan, zich opent voor de zoekende en dolende mens vandaag. Open gaan voor resonantie, dat komt dicht in de buurt van de mystiek die Halik een opleving toewenst in deze tijd. Het zou mooi zijn als de mensen van vandaag elkaar ontmoeten in deze ruimte en dat de kerk hierin haar eigen bijdrage mag leveren.

Corona 12 april – Pasen

Pray as you go.rennen

Johannes 20,1-9

Ieder ochtend zit ik te schrijven. Iedere ochtend met de gordijnen dicht. Iedere ochtend komt de zon op, gefilterd door de gordijnen stroomt er licht de kamer in, ik maak het iedere ochtend mee. Stel nu dat de zon om 07.00 uur blijft hangen, blijft steken in haar opgaan. Ik zou het merken, ongerust worden en naar buiten lopen. In pyama denk ik. En met mij velen hier uit de buurt. Kijken, roepen, verbaasd zijn, bang worden.

Zoiets is op paasmorgen aan de hand. Het graf is leeg. Men rent naar buiten, de één rent nog sneller dan de ander, wat is er gebeurd? Is Jezus’ lichaam geroofd? Maar welke dief laat een graf achter als de linnenkast van zijn of haar moeder? Dan gaat er een lichtje op. Opstaan uit de dood, zou het kunnen?

Iedereen op de wereld wacht op een medicijn tegen corona. Zelden is er zo’n gezamenlijk verlangen in de wereld. We willen leven. We rennen ongerust heen en weer bij verlies van wat ons dierbaar is. Bevatten dat het echt anders kan, dat zit er bij ons niet in. Wij komen in de haast hooguit tot een medicijn. Wat als het wonder al gebeurd is? Kom je dan niet tot stilstand, begint het te dagen?

Ondertussen is hier de zon alweer opgegaan.

Gebed

Levende,

Dank voor uw sterven.
Dank voor uw gevecht met de dood.
Dank voor uw winst, ik vier het met U.
Dank voor het wonder op Goede Vrijdag.
Wat niemand bedacht, deed U: sterven als strategie om de dood te verslaan.
U bedacht dat.
Dank voor uw sterven.
Geef ons geloof, Heer, als de Levende die uitdeelt van zichzelf.

Amen

Ben je klaar

Corona 11 april – Stille Zaterdag

Pray as you go.vreugde

Matteüs 28,1-10

Wat is Stille Zaterdag voor een dag? Ben je bij de stilte van een graf? Vergelijk je deze dag misschien met deze tijd: niet naar buiten, in je huis? Misschien sta je stil bij alles wat wij in deze tijd moeten begraven. Overledenen, je toekomstplannen met je bedrijf, je inkomen, je vakantieplannen en uitjes, je verjaardagsfeest. Zo wordt de dag wel ingevuld, als een dag van bezinning op wat je kwijt kunt of waarvan je afscheid nemen moet.

Zomaar wordt het dan een wat treurige dag. Op de dag van opstaan kwamen mensen er achter, dat sterven en begraven van Jezus geen hopeloze en trieste gebeurtenissen, maar hoopvolle en beloftevolle momenten waren. De dood werd verslagen en nieuw leven was in aantocht sinds Goede Vrijdag. Zou Stille Zaterdag niet de dag van de vergeten vreugde kunnen worden genoemd, de dag van de verzuimde lofzang?

Gebed

Heer,

Dank voor uw sterven, dank voor uw strijd, dank voor uw winnen ervan.
Dank voor de hoop, dank voor uw woorden, dank voor de waarheid ervan.
Laat me zingen, Heer, vandaag al, hoopvol.
Omdat alles wat in U sterft, een nieuw begin krijgt in U.
Vandaag zindert het op aarde van hoop.
Juist deze dag waarop wij niks zien, maar uitzien naar morgen, laat de dag zich paren aan alles wat we niet zien, maar weer op zal leven.
Dank voor hoop.

Amen

Hij zei
Nu ik niet zie