Bidden om verlossing tot Hem die je laat lijden? (Over psalm 88)

Psalm 88 is in meer levens waar dan ik wil geloven. Ooit ook in mijn leven, maar die duisternis is voorbij. God zij geprezen! Maar de duisternis herinner ik me als de hel. Ik droomde ooit over een gevecht om mij. Ik zag de satan aan mijn voeten trekken. Achter mij trok God, of Jezus. Geen van beiden won. Niemand weet hoe je je dan voelt, ik inmiddels ook niet meer. Hel was het, of erger, niet minder. Ik heb wonderlijk goede hulp gehad en mijn leven is licht geworden. Genezen worden was God terug vinden, maar dan beter dan voorheen.

Maar niet voor iedereen geldt dat. Ik kom meer mensen tegen die in de duisternis leven, aanhoudend depressief, om wat voor reden dan ook. Of er is een andere reden die de entree vormt voor volkomen vreugdeloosheid in het leven van alledag. Er is geen licht in de tunnel. Er zijn er bij die blijven geloven in God. Het lijkt een wat uitgekleed geloof. ‘God is er, dat houd ik vast. Met mijn verstand en weten.’ En dat lijkt mogelijk. Als je wordt opgeroepen om God lief te hebben met heel je hart, je verstand en al je krachten, en één van die krachtbronnen doet niet meer mee, dan loop je op die andere bronnen achter God aan. Als je hart niet kan meekomen, is dat heel erg. Maar als er angst heerst in je hart voor het gevoel dat overblijft, als je bang bent voor de angst dat alle andere gevoelens overvleugelt: ‘als God echt dichtbij komt, als hij echt mijn hart ziet, als hij mijn hel ziet, als ik mijn hel met hem bekijken ga… dat overleef ik niet, ik hou het voor hem verborgen. En voor mijzelf en voor anderen.’ Soms is het erfelijk of lijkt het erfelijk, ik kan dat niet bekijken. Vaker dan ik wil is er duisternis in levens van mensen, leven zonder uitzicht.

Hoe gaat het dan met God? Bidden verstomt, kerkgang verdwijnt, interesse van anderen in jou verzwakt omdat je niet meer onder de mensen komt (dat wil je zelf geregeld ook niet meer, want dan komt de donkerte weer naar boven).

Lege dop

Psalm 88 is een half lied, zo lijkt het. Ooit hoorde ik er iemand over preken: psalmen bevatten vaker treurnis, maar in veel liederen is er een wending. Ervaren redding en hoop breken dan door. Maar soms keert het lied zich pas in de hemel. Psalm 88 is zo’n lied. Het wordt (vast) afgeschreven in de hemel. Niet op aarde. Ik vind dat een prachtig beeld en relevant om dit lied ter sprake te brengen. Maar hoe mooi zo’n gedachte ook is, het maakt schrijnend duidelijk dat mensen soms in dit leven worstelen met verlatingsgevoelens, angstgevoelens, onder de medicatie zitten, geen hoop ervaren. En niemand helpt ze er vanaf. Geen therapie (of de goede wordt niet aangereikt), geen mensen (die haken af en worden niet verdragen), geen God (die reageert niet in de vorm van het zo verlangde herstel). Deze zieke mensen zouden tevreden zijn met een half ei, vermoed ik, maar leven met een lege dop. Zo lees ik Psalm 88 dan ook. ‘Heer God, mijn redder, ’s nachts schreeuw ik het uit, overdag zit ik voor U neer.’ Kan het schrijnender? Kun je dit uitleggen als ‘gelukkig heeft hij zijn geloof nog, want de dichter noemt God nog zijn redder?’ Zo wordt het vaak uitgelegd. Ik doe dat niet. De dichter bidt tot God en lijkt dicht bij het opzeggen van zijn vertrouwen op God. Het zou mij niet hebben verbaasd als er zoiets zou hebben gestaan: U bent machteloos. U doet niks. U kunt niks. Maar dat staat er niet.

Erger nog

Het is eigenlijk nog veel erger. God doet juist een boel in de ogen van de schrijver: Hij bezorgt de psalmdichter dit lijden, levenslang (vers 16). Dan wordt het wel een heel lastige voorstelling. God is redder, maar wordt als verdoemer ervaren en in beeld gebracht. Of zeg ik dat te sterk? Zeg het zelf. De daaropvolgende psalm heeft ook al zo’n dramatisch verloop qua godsbeleving. Van een God van trouw naar een God die zich voor zijn kinderen verborgen houdt.

Bij de voorstelling van de dichter heb ik juist op dit punt ook wel een vraag aan hem. Er kan verband zijn tussen zonde en ziekte. Psalm 32 legt dat verband helder. Maar dan is die zonde goed te duiden en in beeld te brengen. Er is zonde, en daarom ziekte. Maar dat kun je niet omkeren. In het boek Job krijgen de vrienden van Job het verwijt dat ze het lijden van Job één op één verbinden met zonden van Job, die hij wel gedaan moet hebben. Nu lijkt het er niet op dat Psalm 88 de schrijver zichzelf ziet als zondaar. Nergens belijdt hij schuld. Die optie blijft buiten beeld. Toch ziet de dichter het lijden dat hem overkomt als een daad van God die zich vertoornt (8.17). Kan het zijn dat de dichter zich vergist? Soms lijden mensen zo dat ze God niet goed meer kunnen begrijpen. En werken ze met een beeld van God dat niet goed is. Tegelijkertijd stelt de schrijver van de psalm dat hij niet weet waar hij aan toe is, waarom het allemaal gebeurt (15-16). Hij zoekt naar antwoorden, maar vindt ze niet. Maar, en dat valt ook op, satan als bron van kwaad blijft ook ongenoemd. Merkwaardig vind ik dat. Ik zou hem wel noemen. Ik zou het ook zo oplossen. God goed, satan kwaad. Maar Heman doet het niet, juist niet.

Cynisch

Het beeld wordt steeds cynischer. Er is een mens in nood en het gaat over iets meer dan over een schaafwond op zijn knie. Hij is stervende. God is zijn redder, maar God grijpt niet in. God is niet zozeer machteloos, maar actieve speler in het aanhoudende lijden. God brengt dit kwaad. Dat is in ieder geval zoals de dichter zijn situatie beleeft. God is onnavolgbaar voor hem. Dat is nog een tamelijk milde en verhullende formulering. De dichter roept God aan als redder, als de goede partij, en spreekt hem aan als de brenger van onheil. Waar een zonde buiten beeld blijft en het hele leven wordt geschetst als een lijdensweg, kun je op je vingers natellen dat het moment van afscheid van God nabij is. Dat doet de dichter overigens nadrukkelijk niet, afscheid nemen. Maar wat moet je met een God die als innerlijk tegenstrijdig wordt beleefd?

Christus

Ik breng hier Christus ter sprake, zoals Paulus hem noemt in II Korinte 1,18-20:

‘Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus, die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan u verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door hem dat we amen zeggen, tot Gods eer.’

Wat mij betreft is dit woord van Paulus de grond onder de klacht van de Ezrachiet Heman. Als je leven een ‘nee’ wordt, als het niet is uit te houden, schrijft Jezus zijn ‘ja’ onder je klagen: je leven rijmt niet op Gods ja, schreeuw het uit, hou je niet in, klaag bij God.

Blijvende duisternis

Ik kom er niet mee uit, met dit beeld van God uit psalm 88: Verlosser en Bewerker van kwaad. God is goed. God is liefde. Ik ben niet degene die dat wenst en het daarom zegt. God laat zich kennen als de liefde en zo wordt hij ook beleden in de schrift (I Johannes 4). Maar ik zie er mensen tegenaan schampen en schuren: het wordt maar geen licht. Wie geeft me dit leven? Verlost God me niet? God staat hier niet buiten, maar hoe staat hij dan binnen dit lijden? En elke vraag opent ruimtes waar mensen zoeken naar houvast, maar het niet vinden.

Mee klagen

Psalm 88 roept om een gemeenschap van klagers. Een gemeente die het ongerijmde van broers en zussen afdoet als ‘die zeurt altijd’, heeft dit lied niet goed gesnapt. De Korachieten zingen in beurtzang met de lijdenden mee. Mee klagen met de lijdenden, dat is ook een taak van de kerk. En het ongerijmde niet pikken, niet accepteren, bezwaar aantekenen. ’s Nachts bij de lijdenden zijn die niet kunnen slapen. Overdag naast ze zitten voor God. Weken-, maandenlang. Zoals de studenten in Hongkong protesteren tegen een omstreden uitleveringswet. God herinneren aan zijn ‘ja’, gemarkeerd in zijn Zoon. Kom over de brug, God, met redding en bevrijding! Wij noemen U bij uw Naam: Jahwe, ‘Ik ben er bij, reddend en bevrijdend’. Maar waar bent U dan bij, en hoe moeten we U noemen, waar zien we de contouren van uw Naam?

Zo wil ik bij de lijdenden zijn. Hun ontreddering is mijn ontreddering. Hun God is mijn God. Hun ongerijmde leven is mijn ongerijmde leven. Ik heb Christus aan mijn kant, want in Hem is het ‘ja’. God is betrouwbaar. Ik hoef niet uit te testen of dat wel waar is. Ik claim het als een Woord van God zelf over zichzelf en breng het God in gedachten namens de lijdenden, omdat hij zijn betrouwbaarheid heeft onderstreept en waargemaakt in zijn Zoon. En in mij, ooit. Het is mijn bede dat de ogen van de lijdenden opengaan voor Jezus. Die in de allerdiepste diepten was als bondgenoot, als redder en bevrijder, weg naar het licht. Van God.

Verwante blog:
De liefde laat geen ruimte voor angst

Voor in de liturgie:
Als ik bang ben
U neemt het brood

Advertenties

Vrouw en ambt (zoals ik lees) – V

Belang van het vraagstuk

In mijn eerste blog schreef ik dat ik wat moe ben van het vraagstuk over vrouw en ambt. Maar er komt een GS aan met revisieverzoeken, in Hengelo zijn we bezig met bezinning en denken we verschillende kanten op. En meer nog dan dat, er ligt een fors belang bij een bijbelse visie op vrouwen, mannen en de positie van de kerk in de wereld. Het gaat niet alleen over de vraag of er een vorm van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te verdedigen is of niet. Het vraagstuk raakt aan de presentie van de kerk in de wereld en het doel daarvan. Daarom een kort woord over man, vrouw en kerk in de wereld.

De vrouw

De vrouw als op zichzelf staande persoon is niet zo interessant in dit verhaal. Ze is in de bijbel in beeld als heerseres over de aarde, samen met haar man. Daarbij wordt als bijzondere taak genoemd om leven te verwekken. Op deze wijze wordt vanaf het begin helder dat ze dat samen met haar man moet doen. Ik zeg ‘daarbij’: ik lees Genesis 1,28a zo dat de vruchtbaarheid van de mensen en hun heersen over de aarde alles met elkaar te maken hebben. (De vruchtbaarheid van de dieren in Genesis 1,22 heeft die verbinding met ‘heersen’ niet.) Heersen is (ook) leven geven om zo de aarde onder hun gezag te brengen.

In haar keuze voor het volgen van de slang delft ze het onderspit. Zelf wordt ze bang voor God en krijgt ze een man die zijn verantwoordelijkheid niet wil nemen. God zelf treft haar in haar levengevende gave: dat zal moeilijk worden. God zelf zegt haar aan dat zij blijft verlangen naar haar man en dat haar man dat verlangen niet bevredigen zal, maar over haar zal heersen. En toch, in de buurt van God krijgt ze de zorg van haar Vader (kleding) en van haar man (ik noem je Eva, moeder van alle leven). God gaat met haar en haar man verder. Buiten de tuin, in de wereld.

De man

De man als op zichzelf staande persoon is ook niet zo interessant in dit verhaal. Hij is in beeld als heerser over de aarde, samen met zijn vrouw. Daarbij wordt als bijzondere taak genoemd het verwekken van leven. Op deze wijze wordt vanaf het begin helder dat hij dat samen met zijn vrouw moet doen. Ik zeg ‘daarbij’: ik lees Genesis 1,28a zo dat de vruchtbaarheid van de mensen en hun heersen over de aarde alles met elkaar te maken hebben. (De vruchtbaarheid van de dieren in Genesis 1,22 heeft die verbinding met ‘heersen’ niet.) Heersen is (ook) leven geven om zo de aarde onder hun gezag te brengen.

In zijn keuze voor het volgen van zijn vrouw in haar keuze voor de slang verliest hij zijn decorum. Zelf wordt hij bang voor God en voor zijn vrouw: hij schuift alle verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie af op zijn vrouw. Mogelijk kun je hier spreken van de eerste scheiding tussen man en vrouw. God zelf treft hem in zijn verwantschap met de aarde: zelf geschapen uit stof van de aarde, wordt die aarde zijn vijand: de vruchten van de aarde (hij is er zelf één) zullen zich met pijn en moeite van de man prijsgeven aan de mens. Hij zal heersen over zijn vrouw, alsof hij zijn lied uit Genesis 2 herschrijven moet, zijn hart kwijtraakt, zijn lief. En toch, in de buurt van God krijgt hij de zorg van zijn Vader (kleding en godsvertrouwen) en geeft hij deze zorg ook zelf aan zijn vrouw (ik noem je Eva, moeder van alle leven) die zij aanvaardt. God gaat met hem en zijn vrouw verder. Buiten de tuin, in de wereld.

Blijvende schade

Waar deze val van de mens en de straf van God van de mens om verlossing roept, die gekomen is (Galaten 3,28), zeg ik ook dat de straf van God de mensheid blijvend tekent. Zeker, in de buurt van God en Christus is het goed toeven en openen zich nieuwe levenskansen. Maar in de verhouding tussen man en vrouw lijkt het geregeld zo dat de onmin is gebleven en de liefde echt een vrucht van de Geest is. Het verwekken van nieuw leven is voor de vrouw (en voor de man) met allerlei moeiten blijvend omgeven. Ook in het werk van mensen is de tragiek gebleven. Hoe goed het ook is om moeiten om te werken het hoofd te bieden met creatieve uitvindingen de eeuwen door, gemakkelijk is werken nooit geworden. Prediker weet er over mee te vertellen, al telt hij zijn zegeningen als werken vrucht opbrengt. En ook de tijd van vandaag kent z’n burnouts, z’n ontslagregelingen, winst en verlies (vergelijk voor een blog hierover Liturgie in een tijd van versnelling).

Blijvend herstel

In de buurt van Vader, Zoon en Geest is ook blijvend herstel. Bij Christus doen de vrouwen mee als leerlingen en predikers bij de uitstorting van de Geest die Christus geeft. Een man als Paulus erkent die positie aanhoudend. Mannen en vrouwen en kinderen delen in de Geest van de Heer. Iedereen wordt opgeroepen te zijn als Christus en zich met Hem te kleden. Dat levert een principiële gelijkheid op tussen man en vrouw en een ongekend hoge positie voor gedoopten in de Naam van de drieënige God. Hier past slechts verwondering.

Dat Paulus zoveel werk maakt van het plaatsen van man en vrouw op gelijke hoogte van elkaar, heeft mijns inziens een diepe theologische reden. De brief aan de Efeziërs heeft als hoofdthema Efeziërs 1,9-10: ‘Hij (God, RRR) heeft ons in al zijn wijsheid en inzicht dit mysterie onthuld: zijn voornemen om met Christus de voltooiing van de tijd te verwezenlijken en zijn besluit om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus.’ Dat is niet alleen maar een voornemen dat God in zichzelf heeft, maar dat zijn gemeente ook moet tonen. Daarom wordt de gemeente opgeroepen om als Christus elkaar lief te hebben (Efeze 5,1.2). Dat werkt door in de verhouding tussen man en vrouw, ouders en kinderen, meester en slaven. De wapenrusting die de gemeenteleden moeten aantrekken (Efeze 6), staat dan ook in het kader van Gods plan ‘om alles in de hemel en op aarde onder één hoofd bijeen te brengen, onder Christus.’ Het is een serieus gevecht dat wordt onthuld, waarin de gemeente zelf zal merken dat de machten van het kwaad loskomen (Efeze 6,11-12).

In de eerste brief aan Timoteüs speelt eenzelfde motief mee, gelezen vanuit I Timoteüs 1,15 en 2,4(-7): ‘God wil dat alle mensen behouden worden’. Dan volgt nader onderwijs aan de gemeente over de onderlinge omgang in hoofdstuk 2. Relaties en verhoudingen tussen mannen en vrouwen zijn zo belangrijk, met het oog op het evangelie dat voor ieder mens zo belangrijk is. Een vrouw die rustig moet kunnen studeren, is niet alleen en ook niet in de eerste plaats iets waar een vrouw zelf mee gediend is. Een vrouw die rustig moet kunnen studeren, kan worden ingeschakeld als mond van God (Matteüs 28,19-20), om te werken aan de vervulling van het verlangen van God dat iedereen behouden wordt. De stijl van Gods Geest is er één van ‘alle hens aan dek voor het koninkrijk van God’ (mannen, vrouwen, kinderen (Handelingen 2,16-21)!

Wees vruchtbaar, word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag

Hier zie ik zelf de herschepping van de wereld door God vorm krijgen. De mens, man en vrouw, zijn geschapen om leven te verwekken en de aarde te bevolken om gezag over haar uit te oefenen. Dat doel van de mens en de schepping is ernstig beschadigd geraakt door de zondeval. En in Christus hersteld. Fysiek is de gave om leven te verwekken vanaf het begin bewaard gebleven. Man en vrouw zijn (alhoewel ook die eigenschap geregeld beschadigd blijkt te zijn) vruchtbaar gebleven. De aarde is bevolkt en wordt onderworpen. Maar de Geest van God heeft mannen en vrouwen beademd en schakelt ze in om ook geestelijk leven, Gods leven door te geven door Christus te verkondigen. ‘De aarde onder je gezag brengen’, dat is toch nooit bedoeld geweest als ‘de regie hebben over de planten en de dieren’ alleen? Ook dat is gierend uit de klauw gelopen in ieder geval en ook daarin brengt Gods Geest ons weer bij Gods bedoeling. Hij herstelt de onderlinge liefde in verschillende relaties (vergelijk Efeze 5 en 6) en brengt zo mensen onder gezag van Christus (Efeze 1,9-10). Mensen die voor elkaar willen zorgen, zullen ook samen goed voor de aarde (moeten gaan) zorgen. Inmiddels is die samenhang tussen mens en schepping wel duidelijk vandaag… Leven geven, dat kan fysiek alleen maar voortkomen uit mannen en vrouwen die beide gezegend zijn met vruchtbaarheid. Daarin is denken in ongelijkheid al niet voor te stellen. Maar de Geest laat zien dat geestelijk leven ook door alle mensen samen wordt doorgegeven aan de wereld.

Kerk in de wereld

De kerk als op zichzelf staande werkelijkheid is niet zo’n interessante verschijning. Zo is ook de wereld als op zichzelf staande werkelijkheid niet zo’n interessant iets. Ze hebben alles met elkaar te maken. De kerk wordt door God ingeschakeld om zijn Naam bekend te maken. Aan de hemel (Efeze 3,11) en aan de aarde (I Petrus 2,9-10). Om de wereld te brengen onder het gezag van Christus. Het is alle hens aan dek.

In dit kader lees ik de relevante teksten in het gesprek over vrouwelijke ambtsdragers. Waar de mens met verantwoordelijkheid om te heersen over de aarde op de aarde is gezet, waar de mensen als kinderen van God een nieuwe kans krijgen om hun taak in te vullen, past geen halvering in het leiderschapsteam tot enkel de mannen. Als er al gehalveerd moet worden, dan graag allemaal geroyeerd, want niemand is waardig in zichzelf om te werken voor Gods koninkrijk. Maar de Vader, de Zoon en de Geest keuren iedereen waardig, zoals het scheppingsverhaal vertelt, om de wereld te brengen onder het gezag van Christus. In onderlinge liefde, met het Woord van Christus dat rijkelijk in hen woont, zingend, vermanend, biddend (Kolossenzen 3). Wellicht is een mooie optie om verder uit te werken dat mannen en vrouwen samen optreden in hun ambtelijke dienst in de kerk voor de wereld.

Recht en bevrijding

De gelijke posities (bij blijvende verschillen tussen man en vrouw waarin ze elkaar aanvullen) waren vanaf het begin Gods bedoeling. De zondeval heeft dat bedorven en Gods straf heeft vervreemding tussen man en vrouw zo gelaten en verlangen door de vrouw naar haar man en heersen over de vrouw door de man toegevoegd. Bij God blijven maakt echter ook meteen zichtbaar dat er bij Hem een omgeving is waar man en vrouw elkaar kunnen liefhebben en met God verder kunnen. De komst van Christus brengt verlossing, die zichtbaar is in de gemeente. De zelfopofferende liefde zet de toon en niet de macht van de één over de ander. Gebruiken die ongelijkheid lijken te suggereren (hoofdbedekking en zwijgen in discussiegesprek tijdens de samenkomsten), zijn ook te bezien als culturele uitingen waarin niet zozeer ongelijkheid in positie tussen mannen en vrouwen wordt benadrukt, maar juist de eenheid tussen man en vrouw (I Korinte 14) in hun verbondenheid met God (I Korinte 11). Gelijkheid tussen man en vrouw in Christus krijgt in het Nieuwe Testament alles van bevrijding binnen de Grieks-Romeinse cultuur.

Discussie vandaag

Dat legt een behoorlijke hypotheek op de bezinning, waarvan ik mij bewust moet zijn in de discussie anno 2017 en volgende jaren (2019 nu). Eenzelfde hypotheek zal iemand voelen die tegen vrouwelijke ambtsdragers is: zijn en haar gehoorzaamheid aan Gods Woord dringt zich op zulke momenten op. Dat maakt bewegen moeilijk en zelfs overwegen wordt soms lastig. Bij voor- en tegenstanders. Om dat te onderstrepen een laatste gedachte. Ik vind het verstandig dat het aan de kerken is overgelaten om hierin keuzes te maken. Tegelijkertijd ervaar ik het gesprek over vrouwelijke ambtsdragers vanuit bevrijding en recht bepaald niet als vrijblijvend. Juist omdat het nieuws voor de wereld nieuws van bevrijding is waarin mannen en vrouwen gelijkelijk delen, mag die boodschap in mijn ogen niet worden gemankeerd door geleefde ongelijkheid en structuren van (hoe vaak ook ontkend en hoe dienstbaar ook gebracht) macht van mannen alleen. Die gevoelde spagaat leg ik bij Jezus neer. Ik sta in zijn vrijheid. Ik bid of God me de beweeglijkheid van geest wil geven om mee te denken met mijn broers en zussen die van mening zijn dat voor vrouwelijke ambtsdragers geen ruimte is. Om met hen samen te staan in de vrijheid van onze Heer.

Liedteksten:
Toen U de mens schiep als man en vrouw
Naar Gods beeld schiep Hij hen

Verwante blogs:
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – IV

Liturgie van het conflict

Vrouw en ambt (zoals ik lees) – IV

Deze blog vormt samen met de vorige (Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III) een tweeluik met achtergrondinformatie bij blog twee uit deze serie (Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II).

Efeze 5 en 6

Vers 21 van Efeze 5 is het slot van een lange zin. Deze begint in vers 18 en het slot van de zin moet daar dan ook mee worden verbonden (L. Floor, Efeziërs. Eén in Christus, CNT3, 1995, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok in Kampen, blz. 186; R.D. Anderson, I Korintiërs. Orde op zaken in een jonge stadskerk, CNT3, 2008, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok in Kampen, blz. 188). ‘Laat de Geest u vervullen’, schrijft Paulus daar. De zin loopt uit op vers 21. Ik vertaal om de verbinding uit te laten komen als volgt: ‘Laat de Geest u vervullen, (…), en aanvaard daarom elkaars gezag uit eerbied voor Christus.’

‘Elkaars gezag aanvaarden’ (NBV) vertaal ik liever als ‘elkaar onderdanig’ (NBG 51). De betekenis van ‘elkaars gezag aanvaarden’ is namelijk dat je voor elkaar zorgt in de gemeente, omdat je in elkaar Gods Geest ziet werken (Wees vervuld met de Geest en aanvaard (daarom) elkaar). Dat heeft als gevolg dat we elkaar liefhebben omdat de ander een medegelovige is, omdat hij de Geest ook heeft ontvangen. Op zich is dat wel een mooie gedachte, die functioneert tussen man en vrouw, ouder en kind, heer en slaaf in het vervolg. Hier wordt echter eerst wat anders bedoeld, denk ik. De teneur van hoofdstuk 4 en 5 is namelijk dat we Christus navolgen. Zo staat het dan ook in 5,21: ‘uit eerbied voor Christus’. Maar Hij had nu juist niet lief omdat we de Geest hebben, maar de Geest stelde Hem in staat om onvoorwaardelijk (zichzelf opofferend) lief te hebben, vergelijk 5,1.2 (‘volg het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God’). Het resultaat van zijn gevende liefde is dan ook dat ik ook een ‘liefhebber’ word. ‘Elkaar onderdanig’ laat dat beter zien: wie de Geest heeft is in staat om net als Christus anderen lief te hebben en zichzelf daarbij op te offeren. Deze vertaling ‘elkaar onderdanig’ past ook het beste bij hoe de verhouding man-vrouw wordt geschetst door Paulus (vers 25). Maar voor degene die vanuit de vervulling met de Geest anderen dient en in die ander Gods Geest herkent waarmee hij/zij ook zelf gediend wordt, zullen respect en liefde alleen maar verder openbloeien!

Om één te zijn moeten we ons afhankelijk opstellen en ons laten vervullen met Gods Geest en zo elkaar onderdanig zijn. ‘De Geest’ en ‘de weg van de liefde gaan’, als Christus, vormen geen tegenspraak, maar zijn aanvullend: de vervulling met de Geest brengt ons op de knieën voor Christus en laat ons verlangen om te doen wat hij wil.

In de (huis)gemeente die vervolgens wordt geschetst, komen drie onderscheiden categorieën aan bod: gehuwden, ouders en hun kinderen, slaven en hun meesters. Bij elke categorie herinnert Paulus aan ‘de eerbied voor Christus’, zoals deze in vers 21 al is genoemd. In alle drie relaties gaat het dan ook over Christus navolgen. Bij man en vrouw gaat het over de verhouding ‘hoofd’ – ‘lichaam’ (NIET: hoofd – onderdanig zijn), ‘opofferen’ – ‘onderdanig zijn’, ‘liefde’ – ‘respect’ (zie H. Folkers, M. Harmsen, A. Leene, M. Verkerk (red.), Zonen & dochters profeteren, 2016, Uitgeverij Boekencentrum in Zoetermeer, blz. 131). Bij ouders en kinderen gaat het over ‘gehoorzaamheid van de kinderen’ – ‘vorming en vermaan zoals de Heer dat wil’ (= niet verbitteren). Bij slaven en meesters gaat het over ‘gehoorzaamheid’ (ontzag, respect en oprechtheid, God gehoorzamen, plezier) – ‘op dezelfde manier’ (dus: ontzag, respect en oprechtheid, God gehoorzamen, plezier).

Het is tamelijk voor de hand liggend dat ouders en kinderen niet in een situatie van gelijkheid worden geplaatst. Toch valt op dat aan de kinderen niets nieuws of extra zwaars wordt gevraagd. Ouders als wegwijzers naar een leven waarin God wordt gediend, verdienen gehoorzaam gevolgd te worden. Maar juist de ouders krijgen een extra hint: verbitter je kinderen niet in die taak. Dat wil de Heer niet. Vermaan en vorm zoals de Heer dat wil. Het wordt verder niet uitgewerkt, maar ook hier klinkt door dat er sprake moet zijn van respect en liefde. Iets anders valt ook niet te verwachten, wanneer vader en moeder als slaven en meesters respectvol, liefdevol, zichzelf opofferend, oprecht en Christus navolgend (als Redder, wordt in Efeze 5 bedoeld (zie 5,23.25) en niet als Heer, aan wiens voeten alles is gelegd, Efeze 1,22) om de kinderen heen (letterlijk zo in de tekstopzet) worden gezet. Als dit de leefomgeving van kinderen is, gaat er heel veel goed! Rondom de kinderen is er een leefklimaat waar mensen als gelijken met elkaar omgaan. Het gaat hier dan ook niet over de vraag wie de baas is, maar over hoe je vanuit Christus’ voorbeeld en vol van de Geest elkaar liefhebt, in onderdanigheid aan elkaar (vergelijk Filippenzen 2,3 en Galaten 5,13).

Ik vind het verhelderend om in Zonen & dochters profeteren, blz. 132 (vergelijk ook blz. 133-134), te lezen dat Paulus het beeld van hoofd en lichaam omgekeerd gebruikt, vergeleken bij de gebruikelijke manier van doen. Niet het lichaam beschermt het hoofd (zoals een legereenheid zijn bevelhebber bijvoorbeeld), maar het hoofd beschermt het lichaam. Een betekenisvolle omkering die de dienende liefde van de man (en niet zijn heersen over de vrouw) onderstreept! En in lijn met de houding van Christus die als hoofd in deze verzen niet wordt geschetst als heerser, maar als iemand die zichzelf opoffert voor de gemeente.

I Timoteüs 2 en 3

Allereerst is bij dit deel van Paulus’ schrijven aan Timoteüs de vraag waarom we zoveel aandacht besteden aan vers 11 en 12 (‘Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn.’). Andere verzen over het bidden met opgeheven handen door mannen (vers 8) en de ingetogen kledij van vrouwen (vers 9) krijgen geen of veel minder aandacht. Ik vind dat inconsequent. Dat kweekt vanzelf (terecht) verzet.

Over de vraag of hoofdstuk 2 gaat over samenkomsten (kerkdiensten) of over het hele sociale leven (‘alle plaatsen’ is letterlijk de vertaling van ‘samenkomsten’) is genoeg te doen. De kerkdienst, elke plaats, de situatie thuis tussen man en vrouw… Er is best iets te zeggen voor dat laatste, gezien vers 13-15. Maar een laatste woord kan ik er niet over zeggen. Hoofdstuk 2 en 3 samengenomen geven het beeld dat de samenkomsten in beeld zijn, maar zeker niet als enige. En dan met het oog op de redding van alle mensen (I Timoteüs 1,15; 2,4). In het huwelijk, of in de kerk of in de samenleving moeten mannen en vrouwen de wereld op het oog hebben, om Gods reddingswerk niet in de weg te staan door onderlinge conflicten.

Er zijn er die vers 11 vertalen als ‘Een vrouw moet rustig (zonder geldingsdrang) kunnen studeren’, en voor die vertaling is veel te zeggen. (Hetzelfde woord voor ‘rust’ komt voor in vers 2; voor de vertaling ‘studeren’, zie Zonen en dochters, blz. 147. Het Griekse werkwoord betekent in de eerste plaats de activiteit van de leerling zelf. Vrouwen moeten zich de leer van de schrift eigen maken. Je kunt er ook iets meer over lezen door de link beneden – die verwijst naar K.E. Bailey – aan te klikken en blz. 11 en 12 te raadplegen.) Vanuit het gegeven dat mannen studeerden en vrouwen vaak niet of minder is zo’n opmerking best te plaatsen. Het niet toestaan dat vrouwen zelf onderwijzen of gezag over mannen hebben (de baas spelen of de leiding nemen), is goed te begrijpen tegen de achtergrond dat vrouwen eerst moesten bijleren. Vers 13-14 wijzen er op dat het een vrouw niet past om vóór of boven mannen te gaan staan. Ze moet haar plaats weten. Dat is niet boven, ook niet onder de (of ‘haar’: sommigen menen dat het hier ook over een huwelijkssituatie gaat) man, maar náást de (of haar) man. Zo werkte ik Genesis uit in mijn eerste blog (Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I). Of ‘gered worden’ hier betekent ‘in de hemel komen’, is de vraag. ‘Gered worden’ kan veel betekenen. Je kunt het ook vertalen met ‘gedijen’: kinderen krijgen is specifiek voor haar (en haar man is niet ver weg natuurlijk: het meervoud ‘ze volharden in geloof, enzovoorts’ (enkelvoud in NBV) kan ook duiden op man en vrouw samen). Hoe dan ook lijkt het om de naamgeving van Eva te gaan: moeder van de levenden. Dat is altijd een hoge positie geweest, náást de man. In Genesis staan de woorden over Eva, moeder van alle levenden, als hoopvol opgetekend na het debacle van de zondeval: Adam en Eva blijven vruchtbaar en leven geven. Zo, naast haar man, is ze nog steeds nodig in dienst voor het grote doel dat ‘alle mensen worden behouden’ (1,15 en 2,4). Geen ruzie onderling dus tussen man en vrouw, maar samenwerking zoals in een huwelijk.

Tussen opzieners en diakenen lijkt dit verschil aanwijsbaar: de opziener is een man (3,2), de diaken is man en vrouw (3,8 en 11). Om daaruit de conclusie te trekken dat de vrouw niet mag preken of leren, omdat onze diakenen vandaag dat niet doen, is niet juist. Zoals al eerder bleek, kan de ‘diakonos’ in de tijd van de bijbel een prediker zijn! En gezien 2,11, krijgt een vrouw alle ruimte om zich studerend te ontwikkelen als gelovige. Dan groeit je kennis, wellicht ook om als diakonos te functioneren. De aanduiding bij opziener is ‘de man van één vrouw’. De aanduiding bij diaken is ‘diaken’ en ‘vrouwen’ (niet ‘hun’ vrouwen in de betekenis van ‘vrouwen van diakenen’). Zouden er dan geen vrijgezelle opzieners aangesteld mogen worden? Móest je getrouwd zijn? Dat staat er niet. Er staat dat een opziener ‘onberispelijk’ moet zijn en dan volgen er uitwerkingen (vergelijk ook Titus 1,6): onberispelijk: man van één vrouw, sober, bezonnen, gematigd enz. In Titus staat dat de kinderen van een oudste gelovig moeten zijn. I Timoteüs: je moet je huisgezin goed leiden. Hoe doen we dat vandaag eigenlijk in een tijd van kerkverlating waar ambtsdragers ook geregeld onder gebukt gaan? Het lijken ook kwalificaties die door de kerk vandaag niet allemaal strikt meer worden gebruikt.

Als er bij (prekende) diakenen staat dat er ook vrouwen ‘diakonos’ zijn, zou een onberispelijke vrouw dan ook opziener kunnen zijn? We lezen tenslotte meerdere kwalificaties van toen alsof ze ‘van toen’ zijn. Of moet je het anders aanvliegen: de opziener (of de ouderling), de diaken, of hij man is of vrouw, we moeten er naartoe dat ze sámen optreden? Gezien het beeld van mannen en vrouwen die vechten om de voorrang, pleit ik daarvoor. Het beantwoordt ook het beste aan de oorspronkelijke manier van doen in Genesis.

Ik heb maar enkele bronvermeldingen gegeven. Ik wil in deze blogs namelijk alleen laten zien hoe ik lees. Eén wat op zichzelf staande bron wil ik echter graag vermelden: Bailey Hij behandelt in het kort bijbelgedeelten en voorziet ze van stellingnames en stelt vragen. Ik vind het blikverruimend.

Al met al brengt deze achtergrondinformatie bij de lijn zoals ik die in mijn tweede blog heb uitgezet.

Verwante blogs:
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – V

Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III

Inzoomen op een paar teksten

Als je woorden uit de bijbel wilt uitleggen, heb je met een boel zaken te maken. Je hebt niet alleen de tekst zelf (de schrijver heeft iets willen zeggen tot zijn lezers/hoorders en zet dat op papier – de woorden met de betekenis die de schrijver er aan geeft), je hebt ook de situatie àchter de tekst. Dat is de situatie waarin de tekst is opgeschreven (de concrete situatie van de geadresseerden en de schrijver, bijvoorbeeld ‘vrouwen worden onderdrukt in een door mannen overheerste cultuur’ of ‘vrouwen voelen zich bevrijd van onderdrukking en maken zich van mannen los’: alle context resoneert mee). Maar je hebt ook de situatie vóór de tekst (vanaf het moment dat de tekst op papier staat tot vandaag, een tijd waarin door anderen dan de schrijver zijn woorden worden gelezen en uitgelegd). Betekenis van woorden is dus één, reconstructie van de situatie is twee en je bewust zijn hoe je als uitlegger/lezer gevormd bent door de traditie van de kerk/uitleggers is drie. En feitelijk spelen die drie allemaal tegelijkertijd. Om je een voorbeeld te geven: in het gesprek over de kinderdoop, zijn mensen op zoek naar de volgorde: eerst dopen en dan geloven of eerst geloven en dan dopen? In Marcus 16 staat: wie gelooft en zich laat dopen! Dus, kijk: volgorde! Kinderdoop exit. Dat is – naar mijn mening – lezen op tekstniveau alleen. De situatie achter de tekst is echter de uitzending van de twaalf en de bemoediging door Jezus: jullie woorden hebben kracht. De lezer vandaag (de situatie voor de tekst), moet zich dus de vraag stellen: wil de bijbelschrijver wel een antwoord geven op de vraag die ik stel? Ook al hebben veel uitleggers dit schriftwoord uitgelegd als antwoord op de vraag over de volgorde van doop en geloof, die vraag of de bijbelschrijver een antwoord wil geven op de vraag die ìk stel, probeer ik steeds te stellen. En dan blijkt dat de bijbelschrijver vaker niet dan wel bezig is met mijn vraag. Zo ga ik kort een paar bijbelgegevens in deze en de volgende blog bij langs als achtergrondinformatie bij Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II.

Romeinen 16

Febe dient de gemeente van Kenchreeën. Dat is een haven van Korinte. Ze heeft daar een functie als diakones (ze is ook ‘prostatis’, een curator, maar dat is een taak die aan mannen toebedeeld was. Ik vat het figuurlijk op: zij is een zorgende vrouw). Op weg naar Rome neemt ze wellicht de brief van Paulus aan de Romeinse christenen mee. Als Paulus Febe ‘aanbeveelt’, doet dat denken aan andere aanbevelingen, zoals in II Korinte 3,1. Aanbevelingsbrieven zijn brieven die betrouwbaarheid aangeven. Nu krijgt Febe deze aanbeveling mee in de brief aan de Romeinse gemeente: de Romeinenbrief als aanbevelingsbrief van Febe! Dan is het zelfs waarschijnlijk dat zij de brief van Paulus heeft meegenomen naar Rome. Een vrouw in kerkelijke functie die namens Paulus zijn brief komt brengen, met zichzelf erbij. Is zij alleen de drager geweest? Maar ‘diakenen’ in de bijbel waren vaak ook predikers: de diakenen uit Handelingen 6,5 waren ook verkondigers (Stephanus en Filippus). Ook Paulus noemt zichzelf een ‘diaken/dienaar’. Mogelijk heeft Febe geregeld met Paulus gesproken over de inhoud van de brief en heeft de betrouwbare Febe de eerste uitleg gegeven van de Romeinenbrief aan de Romeinse gemeente. Zo gek vind ik die gedachte niet.

Er is sprake van Prisca en Aquila, de vrouw voorop, medewerkers in de dienst aan Christus Jezus. Andronikus en Junia, weer een vrouw die meedoet als apostel, gezondene en aanzien geniet. Zo zijn er meer. Vrouwen doen gewoon mee in de dienst aan de Heer tot in officiële functies aan toe.

Junia werd vaak weergegeven met de weinig voorkomende naam mannennaam Junias (Statenvertaling, NBG 1951, Willibrordvertaling 1986). Gesteld wordt dat het Grieks is bijgesteld aan een mannennaam, omdat men niet kon geloven dat het om een vrouw ging (S. Heine, Vrouwen der vroege Christenheid. Een historisch kritiek op de feministische theologie, 1991, Uitgeverij G.F. Callenbach in Nijkerk, blz. 97, geeft aan dat dit ook bij Nymfa is gebeurd in Kolossenzen 4,15: Nymfa werd in sommige manuscripten weergegeven als Nymfas.). Ook o.a. Chrysostomos, Origenes van Alexandrië, Hieronymus, Peter Abelard (mensen uit de oude kerk) denken bij Jounia aan een vrouw. Bernadette Brooten, rooms-katholiek wetenschapper, is niet bekend met een Latijns commentaar op Romeinen vóór de 13e eeuw met de uitleg van de naam Jounia als mannelijk.

Het is mogelijk, gezien Febe uit Kenchreeën, dat Paulus de Romeinenbrief schreef vanuit Korinte. Dat gegeven maakt het in mijn ogen nog weer onwaarschijnlijker om passages uit de Korinte-brief vrouwonvriendelijk uit te leggen ten aanzien van de ambten, gezien het slot van de brief aan de Romeinen.

I Korinte 11

Wat de achtergrond van I Korinte 11 precies is, is op het eerste gezicht wat lastig. De Nederlandse tekst geeft aanleiding om te denken dat mannen zich als vrouwen opstellen en vrouwen als mannen (I Korinte 11,4-6). Gezien vers 6 is ‘hoofd’ in deze verzen steeds op te vatten als het eigen hoofd. Wees een man en wees een vrouw, zou dan de boodschap zijn van 4-6 En met elkaar verbonden. Ook wordt voor mogelijk gehouden dat met ‘hoofd’ ook het figuurlijke hoofd bedoeld wordt: voor de man Christus, voor de vrouw de man. Man-zijn heeft dan te maken met Christus de eer geven. (Misschien mag je daar dit bij bedenken: de gewoonte om bij godsdienstige rituelen de man een hoofdbedekking te laten dragen komt uit de Romeinse ritus (liturgische gewoonten), waarmee de man die God aanbidt of profeteert – met hoofdbedekking – die Romeinse goden lijkt te dienen). Vrouw-zijn heeft dan te maken met je man de eer geven. In de Griekse en de Romeinse ritus werd er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Paulus doet dat nadrukkelijk wel en dat maakt z’n punt ook zichtbaar. Dat wijst er op dat Paulus er veel aan gelegen is dat de verbinding tussen God, Christus, man en vrouw zichtbaar in tact blijft. Wie bij ‘hoofd’ denkt aan gezagsverhoudingen, komt in de knoop met de verhouding God en Christus. Is het zo dat tijdens Jezus’ verblijf op aarde, hij een tijd onder de engelen is gesteld (Johannes 14,28; Hebreeën 2,9), het is niet de verhouding waarin hij gebleven is. Zichtbare verbinding dus: God, Christus, man, vrouw. In de liturgische symbolen wordt zichtbaar dat mensen niet ieder op zichzelf staan, dat huwelijkspartners niet een eilandje vormen en zich kunnen terugtrekken op elkaar, maar dat hun luister omhoog reikt naar Christus en naar God.

In vers 7-9 wordt er een onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen die gehuwd zijn (vs 8 en 9 maken dat helder, vers 7 net zo: de vrouw is de luister van de man). Het lijkt er op dat de vrouw wordt neergezet als ‘lager’. Maar dat is het punt niet. De man is beeld en luister van God, de vrouw is luister van de man. Is de vrouw dan geen beeld van God? Ja, natuurlijk wel. Er kan in ieder geval niet worden geschreven dat de vrouw beeld en luister van de man is, zoals de man beeld en luister is van God. De vrouw is beeld van God en luister van de man. Ze hebben ieder hun eigen plaats: luister van God en luister van de man, samen beeld van God. En wie denkt dat de vrouw lager staat dan de man, vergist zich zeer: in verbondenheid met de Heer gaan ze alleen maar samen op. Dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt, is ongepast, omdat ze zich (voor het oog) losmaakt uit het samen dienen van God door zich op te stellen als ‘man’. Het gaat echter steeds om samen. Zoals ik in mijn vorige blog gesteld heb, is het begrip ‘luister’ daar een onderstreping van.

I Korinte 14

Het lijkt zo helder te zeggen dat vrouwen moeten zwijgen in de samenkomst. Maar op basis van I Korinte 11 is te zeggen dat een vrouw wel mag profeteren en bidden. Een algeheel spreekverbod kan het daarom niet zijn. Er zijn uitleggers die wijzen op het gegeven dat (nog steeds) in de samenkomsten in het Midden-Oosten vrouwen en mannen apart zitten. Gezien het feit dat er in I Korinte 14 steeds aandacht is voor de verstaanbaarheid van het Woord, wordt geopperd dat pratende vrouwen hun mond moeten houden als er gesproken wordt. Van Chrysostomos, een kerkvader uit de Oude Kerk, is bekend dat hij in een preek  deze uitleg gaf en deze toepaste op de gemeente. Het is in ieder geval dichtbij de vooral praktische wenken die Paulus hier geeft om ruimte te bieden aan het Woord van God. Het heeft alleen als risico dat zo’n waarschuwing vandaag als tamelijk seksistisch wordt gelezen. Praten alleen vrouwen, hebben alleen zij een waarschuwing nodig? Of is dit typisch een vraag van een lezer vandaag, omdat wij gevoelig zijn voor eenzijdigheid in kritiek en moeten we zo’n uitleg en toepassing van Chrysostomos vooral respecteren en overwegen als relevant? Maar, net als in hoofdstuk 11, is hier sprake van het thema van schande en eer. Ook hier ademt de sfeer van ‘samen’ door man en vrouw. Een vrouw die niet ‘ondergeschikt’ is aan haar man, breekt kennelijk die eenheid tussen man en vrouw. Of spreekt ze wellicht met zoveel ophef dat het als respectloos wordt ervaren? ‘Het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.’ Zoals het een ‘schande’ was als een vrouw geen hoofdbedekking droeg (of geen lang haar) (I Korinte 11,14). Best lastig om je hierin te verplaatsen, omdat wij vandaag zulk spreken van vrouwen waarschijnlijk niet verbinden met schande en eer. Over dat soort zaken denken we vandaag heel anders en niemand heeft daar problemen mee. Net als bij dat lange haar van vrouwen in I Korinte 11. Zou dat niet meegenomen moeten worden naar de lezing van I Korinte 14: vandaag zijn sprekende vrouwen – net als vrouwen met kort gekapt haar – geen schande in samenkomsten. Eer en schande verschuiven met culturele verschillen. In de samenleving van Korinte betekende eer en schande dat je respect had voor elkaar en samen sterk stond, ook in de kerk. Dat kwam naar voren in bepaalde gebruiken, maar niet in ongelijkheid. Vandaag kunnen we vanuit onze eigen cultuur proberen te benoemen waaruit dat onderlinge respect moet blijken in de kerk.

Verwante blogs:
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – IV
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – V

Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II

In mijn vorige blog (Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I) heb ik laten zien dat gelijkheid tussen man en vrouw het adagium is voor de mensheid. Gezien vanuit de eerste hoofdstukken van Genesis. Zoals ze geschapen zijn en aangesteld met een gezamenlijke taak voor de wereld. De slang valt die gezamenlijkheid van man en vrouw succesvol aan. God is er echter als de kippen bij om schade te voorkomen, gezamenlijkheid te herstellen, de slang de wacht aan te zeggen en de gehavende en door God gestrafte mensheid verder te helpen. Samen met God de wereld in. Het Oude Testament geeft een wisselend beeld: dan weer overheerst de man de vrouw, dan weer wordt de vrouw op waarde geschat en leidt ze mee.

In dit blog leg ik mijn globale lijn van uitleg voor van gegevens uit het Nieuwe Testament. In twee volgende blogs (Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III; Vrouw en ambt (zoals ik lees) – IV) geef ik voor deze lijn van uitleg achtergrondinformatie.

Christus

En toen kwam Jezus. Een man omgeven door vrouwen (Lucas 8,1-3; Marcus 15,40-41), met een moeder die niet vergeten zal worden, een Samaritaanse die het evangelie brengt aan haar volksgenoten, Maria die het beste deel kiest door te luisteren samen met de andere leerlingen, vrouwen die de boodschappers worden van het nieuws van de opgestane Heer. Het waren geen van allen ambtsdragers. Die waren er toen nog niet. Ze stelden zich op als medeleerlingen, ze volgden en ze dienden hem (De Boer) en werden brengers van het goede nieuws.

Er waren ook de leerlingen, de kleine kring van 12. Daaronder waren geen vrouwen. Moet dat wat betekenen in de vraag of vrouwen ambtsdrager kunnen zijn? Juist op het moment dat je denkt: nu gaat er een duidelijke uitspraak komen over de twaalf, blijken de twaalf bij Jezus niet in beeld te zijn om hun man-zijn. Ze blijken in beeld om hun getuigenis, meer nog, om het werk dat God gaat doen via hen (Matteüs 16,18, vergelijk ook Handelingen 1,8): de mensheid openbaart niets, maar de Vader geeft die openbaring aan mensen. Mensen, die van God het geloof krijgen in Jezus de Gezalfde, vormen de rotsbodem waarop Jezus de kerk bouwt.

Het idee van meer en minder in de zin van heersen over, is bij Jezus niet te vinden. Hij berispt zijn leerlingen die denken in termen van eerste en laatste (Marcus 10,43-45). En weliswaar behoudt Jezus de aanspraak ‘Heer’, maar in Johannes 13 herschrijft Hij de inhoud ervan met dienstbaarheid aan anderen.

Vlak na Jezus’ hemelvaart wordt de Heilige Geest uitgestort door Jezus (Handelingen 2,33). Mannen en vrouwen die door Jezus zijn onderwezen als leerlingen, verkondigen op dat moment het goede nieuws (Handelingen 2,4: ik lees die ‘allen’ tegen de achtergrond van de mannen en vrouwen die vanaf Handelingen 1 in beeld zijn: vergelijk 1,14-16, mannen, vrouwen, leerlingen, vergelijk ook 2,15). Ze gedragen zich als leerlingen van Jezus die beginnen aan de uitvoering van wat Jezus zegt tot zijn leerlingen aan het slot van Matteüs: ‘Ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb.’

Wat ik zie, is dat Jezus mannen en vrouwen samen aan het werk zet voor de verspreiding van het goede nieuws. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat daarin Gods bedoeling met de mensen is terug te zien: samen met God van betekenis zijn voor de wereld.

Bekleed met Christus (Galaten 3 en Kolossenzen 3)

Er is geregeld beweerd dat Galaten 3,28 alleen iets zegt over ‘geen onderscheid tussen mensen om in aanmerking te komen voor Gods heil’. En dat het niets zegt over of mannen en vrouwen wel of geen verschillende posities mogen/moeten innemen in de gemeente. Nu is dat op basis van Galaten 3 wellicht nog overeind te houden. Daar is namelijk het issue dat geloof in Christus Jezus allerlei verschillen tussen mensen doet verdampen. Waar de wet dit onderscheid maakte, gumt geloof in Christus dit onderscheid uit. ‘Door het geloof en in Christus Jezus bent u allen kinderen van God. U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.’ (Galaten 3,26-27). Maar, zo is mijn idee, het gaat dan natuurlijk wel broeien. Zo’n basale uitspraak: iedereen gelijk in Christus… dat vraagt om te worden uitgewerkt in een samenleving die door die gelijkheid (en volgens mij ook eenvormigheid in Christus, al is in Christus de veelkleurigheid daarin begrepen (Efeze 3,18 en I Korinte 12)) wordt getypeerd. In de bijbel zelf is daar al een voorbeeld van te vinden. Onder andere de vermelding van de doop in Galaten 3,25-29 doet me denken aan een parallelle passage uit Kolossenzen 3. Vooraf aan Kolossenzen 3 wordt geschreven door Paulus dat de Kolossenzen gedoopt zijn (Kolossenzen 2,11-12). Paulus beschrijft een en ander met heftige termen: begraven met Christus en opgewekt uit de dood. Hoofdstuk 3 refereert in de eerste verzen aan die gedoopte werkelijkheid van de gemeente van Kolosse. Gedoopt zijn vormt zijn inleiding om op te roepen tot een  nieuw leven. De oude mens moet worden afgelegd, de nieuwe aangetrokken (3,9.10). Ook hier staat vermeld: verschillen tussen mensen zijn er niet meer in de christelijke gemeente (3,11). De gemeente dient zich te kleden in liefdegewaden, die tot een volmaakte eenheid maken. Geen onderscheid, maar eenheid. En dan komt het. De vrede van Christus moet heersen, dankbaarheid moet merkbaar zijn. Christus’ woorden moet in al hun rijkdom in hen wonen, er moet onderricht worden gegeven, vermaand worden in wijsheid, en liederen gezongen worden die de Geest geeft. En alles wat gezegd wordt of gedaan, moet gebeuren in de naam van de Heer Jezus. Door die mensen die daar worden aangesproken, dat zijn de gemeenteleden.

Het gaat hier niet over ambtsdragers. Of er al ambtsdragers zijn in Kolosse, is de vraag. Of Epafras (4,12) er eentje is, is niet meteen helder. Ik denk niet dat je teveel zegt als je hem een leidinggevende noemt in de gemeente van Kolosse, omdat hij geïntroduceerd wordt als ‘diakonos’, dienaar (Kolossenzen 1,7). Maar iedereen uit de gemeente doet die dingen die horen bij volgelingen van Jezus. Geen verschil in optreden tussen mannen en vrouwen. Onderlinge gezagsstructuren worden hier niet gecommuniceerd, wel dat iedereen in de gemeente leeft en spreekt in naam van God. Zijn naam geeft allen gezag. De vrede van Christus heerst over allen en door allen.

Hoofd en lichaam, onderdanigheid, hoofd en luister

In dit licht is de tweeslag hoofd en lichaam (het is een betekenisveld dat zijn intrede doet als het evangelie onder de heidenen wordt verkondigd, in de evangeliën of in het Oude Testament komt dit woordpaar niet voor) een beeld dat duidt op het aanvullen van man en vrouw van elkaar. Onderdanigheid (zo vertaal ik ‘elkaars gezag aanvaarden’ uit vers 21 en 22 liever, zie achtergrondblog IV) staat niet in contrast met hoofd-zijn, zodat de man als hoofd heerst en de vrouw onderdanig is aan haar/de man. Hoofd staat in relatie tot lichaam en duidt juist aan dat mensen niet zonder elkaar kunnen (Efeze 5,23-24). Te beginnen in het huwelijk. Het hoofd, de man, wordt opgeroepen als Christus zijn vrouw lief te hebben (Efeze 5,25; Kolossenzen 3,19) en de vrouw wordt opgeroepen ontzag te hebben voor haar man (gezag: Efeze 5,22.24; ontzag: Efeze 5,33). Dat is als reactie op de liefde van de man echt niet hetzelfde als gehoorzamen aan je man, maar het gaat dan over het ontvangen van de liefde van je partner. Die liefde geeft hij (behoort hij te geven) immers in navolging van Christus, zoals Hij zijn liefde geeft aan de gemeente. Mogelijk reageert Paulus hiermee subtiel op de relatie tussen man en vrouw die in Christus werkelijk verandert, vergeleken bij wat in die tijd gebruikelijk was: de man is de baas, de vrouw (en de rest) volgt. Bevrijding van deze machtsstructuur en gevoed worden door liefde door je man, betekent niet dat je als vrouw ‘los’ bent van je man, maar open moet staan voor de liefde van je man. Je voelt aan je water dat het dan niet gaat over gezag dat om onderwerping en gehoorzaamheid vraagt, maar om ontvankelijke aanvaarding. (Mogelijk ligt achter deze woorden de praktijk dat bevrijdde vrouwen echt ‘los gaan’, omdat ze als christin onder hun mannen vandaan kunnen?) Dat de man zijn vrouw moet liefhebben als gelijke, blijkt uit de woorden dat de man zijn vrouw moet liefhebben als zijn eigen lichaam (Efeze 5,28). Hij voedt het en verzorgt het (Efeze 5,29)! Hier gaat het niet over meer en minder, maar over de vanzelfsprekendheid voor man en vrouw om er voor elkaar te zijn in liefde die gegeven en ontvangen wordt. Dat dienen man en vrouw uit te stralen in hun optreden ten aanzien van elkaar en in de kerkgemeenschap. Als opvallend woord in de discussie over vrouwelijke ambtsdragers, stelt Paulus dat man en vrouw één lichaam zijn. In dat beeld is het geheel onbegrijpelijk geworden om te spreken over heersen over door de man en onderdanig zijn door de vrouw. Ze zijn één (Efeze 5,29-33). Het is de levenswijze trouwens die de hele gemeenschap kenmerkt (Efeze 5,21.31-32), in het huwelijk, in de omgang van ouders met hun kinderen, in de verhoudingen tussen meesters en slaven (Efeze 5,21-6,9: beeld van de huisgemeente met man, vrouw, kinderen en personeel). ‘Onderdanigheid’, gericht op eenheid (één zijn), is een begrip dat de totale gemeenschap van Christus tekent.

Als in I Korinte 11 gesproken wordt over God die het hoofd is van Christus, Christus van de man, de man van de vrouw, gaat het ook niet over meer en minder. Tenminste, woorden die daarop duiden komen daar niet voor. (En wat belangrijk is om te weten: ‘hoofd’ wordt in teksten uit die tijd ook wel gebruikt voor mensen lager in rang. Dan duidt het op grote verbondenheid.) ‘Hoofd’ vindt z’n tegenpool in I Korinte 11 niet in ‘onderdanigheid’, wel in ‘luister’. Ik lees het woord ‘hoofd’ niet in een opzichzelfstaande betekenis (leider o.i.d.), maar in samenhang met het begrip waarmee het in de tekst betekenis krijgt. Hoofd – lichaam (Efeze 5), hoofd – luister (I Korinte 11).

Het is echt niet voor de hand liggend om Paulus in I Korinte 11 te laten spreken in gezagsstructuren tussen man en vrouw, aangezien hij eerder in I Korinte 7 man en vrouw als gelijken neerzet. Gemeenschap en onthouding van gemeenschap vindt plaats op basis van wederzijds goedvinden (I Korinte 7,3-6). Dan is er vers 10 en 11 over man en vrouw die elkaar niet mogen wegsturen. Vers 12-16 geven aan dat mannen en vrouwen zelf hun ongelovige partner trouw moeten blijven, tenzij de ongelovige partner niet wil blijven. In de verzen 25-40 worden mannen en vrouwen gewezen op de nadelen van een huwelijk. Een heel hoofdstuk over mannen en vrouwen die op gelijk niveau worden aangesproken. Daarmee krijgt het thema ‘gelijkheid’ in de 1e Korintebrief een zwaar accent!

Het thema hoofd – luister is erop gericht om de samenwerking tussen God, man en vrouw te illustreren. Ik lees het begrip ‘luister’ tegen de achtergrond van Psalm 8, waar de mens (m/v) verwonderd zingt over de schepping, waarvan hijzelf (m/v) onderdeel is. De schepping toont de luister van God aan de hemel (Psalm 8,2). En juist de mens draagt in die schepping een kroon van glans en glorie (Psalm 8,6), de mens aan wie God zijn schepping heeft toevertrouwd (Psalm 8,7: weer het scheppingsmotief van ‘de mens (m/v), die heerst over de aarde’). Je zou kunnen zeggen dat Psalm 8 als achtergrond Genesis 1 heeft (over God die de mens (m/v) maakt en laat heersen over de schepping). En dat I Korinte 11 als achtergrond Genesis 2 heeft, over de samenwerking tussen man en vrouw (zoals ook blijkt uit de verwijzing naar Genesis 2 door Paulus in vers 8-9). Als het gaat over hoofd en luister, dan wordt het thema gezag niet aangeraakt (vergelijk I Korinte 11,11-12: ik lees het als correctie van Paulus, als mensen bij zijn woorden denken aan gezagsstructuren). Als nu Paulus de vrouw zo noemt, luister van de man, is niet in te zien dat zij onder de man staat. Juist het begrip ‘luister’ herinnert aan de gezamenlijke en gelijke positie van man en vrouw in de schepping, zoals man en vrouw deze kregen van God.

En sterker nog dan samenwerking, duidt ‘luister’ op glorie, aanzien, schoonheid. Totaal andere categorieën dan gezagsverhoudingen. Paulus in Efeze 5 spreekt dan ook in zulke woorden over de taak van de man om zijn vrouw haar luisterrijke positie te geven.

Verwante blogs:
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – IV
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – V

Vrouw en ambt (zoals ik lees) – I

Als je het me recht op de man af vraagt, word ik er moe van: steeds weer nadenken over vrouw en ambt. Maar dan gaat het over een onderwerp en argumenteren waarom ik vóór ben. Waarom ik er toch met plezier en inzet over schrijf, is om de vrouwen in de gemeente. Om de vrouwen als beeld van God, net zoals de man beeld van God is. We laten Hem zien, het is onze roeping. In mijn ogen is dat een leessleutel die voorkomt dat het ambt aan mannen moet worden voorbehouden. In vier blogs wil ik laten zien dat deze leessleutel volgens mij aangereikt wordt door Genesis en bevestigd wordt door de evangeliën en de brieven van Paulus. Zoals ik ze lees. Aan man en vrouw is beiden op gelijke wijze leiding toevertrouwd over de schepping. En dus ook in de gemeente. Op onderscheiden wijze, wat mij betreft, als uitwerking van man en vrouw die van elkaar verschillen (al zegt dat niet zoveel, omdat binnen gender ook veel verschillen zijn aan te wijzen). Maar samen. En daarom doe ik het ook om de mannen in de gemeente. Wie de man de leiding wil geven ten koste van vrouwen, ziet de verbinding tussen aarde en Gods gemeente anders dan ik. Die laatste uitspraak vormt de derde reden. Ik schrijf ook om de gemeente en om de aarde. ‘Vrouw en ambt’ raakt ook de visie op de kerk in de samenleving. Samenvattend gaat het over God, die zichzelf in mannen en vrouwen terug ziet en via hen zijn schepping tot bloei wil laten komen. En natuurlijk heeft het voor mijzelf betekenis om mijn gedachten te ordenen en hoop ik dat het de 3G-gemeente in Hengelo helpt bij haar bezinning op vrouw en ambt.

Voor de zondeval

Het was goed, zeer goed zelfs, zoals God de aarde schiep en wat woest en doods was ordende en versierde. Gods schepping, ordening en versiering lieten echter nog genoeg over voor de mens. ‘De Mens’ bestaat echter niet, het is een aanduiding voor de mens die Hij mannelijk en vrouwelijk schiep. Zo lijkt Genesis 1 te zeggen. Je kunt ook verdedigen dat ‘de Mens’ juist wel bestaat, namelijk als man en als vrouw, als samen. Samen zijn zij ‘de mens’ (Genesis 1,27). Man en vrouw krijgen samen de belangrijkste plek op de aarde. In onderscheid van de dieren krijgt de mens de aanvullende opdracht ‘breng haar (de aarde, RRR) onder je gezag: ‘heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.”  (Genesis 1,28) ‘Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.’ (Genesis 2,4) Op basis van deze informatie over de positie van de mannelijke en vrouwelijke mens is het moeilijk voorstelbaar dat de man de leiding krijgt en de vrouw moet volgen. Beiden beeld van God,  beiden vruchtbaar en alleen maar in gezamenlijkheid in staat om de aarde te bevolken, samen krijgen ze de leiding over de schepping. Hoe zou de man eerstverantwoordelijke zijn en de vrouw volgend of hoe je het ook maar noemt om een onderscheid te maken tussen man en vrouw? Hoe is de vrouw beeld van God en volgend en de man beeld van God en leidend? Ik vind het niet voor te stellen op basis van dit openingstoneel en de gegeven rolverdeling.

In Genesis 2 wordt een ander scheppingsverhaal overgeleverd. Als je het verhaal vergelijkt met Genesis 1 (ik weet niet of dat de bedoeling is), stappen we in Genesis 2,4b ergens op de tweede dag binnen. Er groeit immers nog niks en water is er wel overal, het lijkt op een moment voor de scheiding tussen water en land. In Genesis 2 wordt op dat moment de mens al geschapen. Deze mens krijgt een tuin met vruchtbomen, in het midden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. Er wordt een plaatje geschetst van een rivier die in Eden ontspringt en de tuin bevloeit. Die rivier vertakt zich in vier andere rivieren en zo krijgt de omliggende wereld haar vruchtbaarheid en rijkdom. Maar waar het water als levensbron vanuit de tuin de wereld vruchtbaar maakt, kan de mens (alleen nog de mannelijke versie op dat moment) alleen maar leven binnen de tuin: hij kan geen leven verwekken in de tuin, laat staan voor daarbuiten. De opdracht uit Genesis 1 (bevolk de aarde, Genesis 1,28) kan zo niet van de grond komen. Dus, net als in Genesis 1 ‘de Mens’ pas compleet is in gemeenschap met een ander mens, wordt dit in Genesis 2 ook uitgewerkt. ‘Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.’ (Genesis 2,18) Uit Adam wordt ‘een vrouw’ (Genesis  2,22) gemaakt. De mens roept dan uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ Pas nu is het ‘goed’, op de manier zoals God dat zegt in Genesis 1: ‘het is goed’, nu man en vrouw samen ‘mens’ zijn. Treffend wordt gesteld hoe de mens in navolging van dit gebeuren stelt wat er met man en vrouw gebeurt als zij huwen: ze worden samen één lichaam (Genesis 2,24). De mogelijkheid voor de mens, één, mannelijk en vrouwelijk, om vruchtbaar te zijn en te komen tot bevolking van de aarde, ligt nu binnen bereik.

Conclusie: ‘de mens’ is, gezien vanuit de schepping, bedoeld als twee-eenheid. Sámen regeren man en vrouw over de schepping van God, bevolken zij haar en voeren zij gezag over haar.

Zondeval, oordeel, hoop

De zondeval verknoeit juist dit gegeven. ‘Samen’ wordt tot ‘eigenbelang’, tot ‘afschuiven op de ander’, tot ‘je eigen straatje schoonvegen’. De naakte waarheid kan men niet meer onder ogen zien. Van God en van elkaar vervreemd is men, in de ban van het (dit!) kwaad (Genesis 3,7-13).

Dat er voor de zondeval echt sprake is van ‘samen’, blijkt uit de eerste verzen van Genesis 3. Adam heeft van God gehoord dat hij van twee bomen in de tuin moet afblijven (Genesis 2). Hij heeft dat kennelijk gedeeld met zijn vrouw. Zij weet immers helder aan de slang te antwoorden wat God aan Adam heeft verteld (Genesis 3,1-3). Mogelijk dat God zelf ook aan de vrouw heeft verteld, wat Hij aan Adam heeft gezegd. Gezien hun gezamenlijke verantwoordelijkheid (Genesis 1) is dat geen vreemde gedachte. In ieder geval blijkt dat Adam en zijn vrouw van dezelfde dingen op de hoogte zijn. Het maakt hen samen tot daders (Genesis 3,6) en ze delen dan ook samen in de gevolgen. Het hechte ‘samen’ van man en vrouw (met God) is opgebroken. Waar het al duidelijk is dat de slang onbalans heeft gebracht tussen man en vrouw (afschuiven op elkaar, schaamte voor elkaars naaktheid) en God (wegvluchten van Hem), laat God dat enerzijds zo en doet Hij er nog een schepje bovenop. De slang wordt vervloekt en aan hem wordt de ondergang aangezegd in de strijd met de vrouw (onbalans in de schepping); leven verwekken wordt een zware opgave (man en vrouw hebben elkaar niet vanzelfsprekend lief en kinderen krijgen wordt ‘een zware last’), de mens wordt verweten naar zijn vrouw te hebben geluisterd (en niet naar God), zijn werk wordt zwaar en de aarde zelf brengt dorens, distels en gewassen voort (alsof dood en leven steeds gemengd de kop opsteken). En hij zal sterven (Genesis 3,19).

Dat laatste geldt overigens ook voor de vrouw. Het wordt hier niet gezegd, maar het bleek al uit de strekking van Genesis 2,15-17 en 3,3. Waar ‘de mens’ wordt gezegd, wordt ook ‘de vrouw’ bedoeld.

Er zit overigens een hoopvol vertelverloop in hoofdstuk 3. Allereerst richt de slang zich tot de vrouw en hij verleidt haar tot ongehoorzaamheid aan God. Als God de tuin binnenkomt, richt Hij zich tot de mens (9). Na het afschuiven van de mens op zijn vrouw, richt God zich tot de vrouw (13). Beiden antwoorden op de vragen van God. Maar na dit onderzoek richt God zich tot de slang (14), die het moet ontgelden en geen ruimte krijgt voor verweer. Gods’ oordeel begint bij de kern van het probleem, de slang. Degene die hij verleidt heeft, de vrouw, krijgt een hoofdrol in de ondergang van de slang.

Overigens moet je hierbij ook bedenken dat de mannelijke mens volop meedoet. Het gaat immers over de vrouw en haar nageslacht die de slang zullen doden. Daar is toch echt de deelname van de man verondersteld. Meteen zie je wat God voor ogen had. Waar de slang de mensen en God uit elkaar speelt, trekt God scherpe lijnen: samen zullen de mens en zijn vrouw de slang vertrappen. Waar ‘de vrouw’ wordt gezegd, wordt ook ‘de mens’ bedoeld.

Vervolgens richt God zich tot de vrouw (16) en tot de mens (17). Voor beiden is er oordeel. De woorden van vers 20 vormen een belijdenis van de mens: ‘De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden’. En God verzorgt hen beiden. Waar de mens zich opent voor de slang en het hele project ‘samen op en voor de wereld’ in het honderd loopt, grijpt God in. Ik meen overigens in het aanspraakverloop van hoofdstuk 3 een lijn te zien, waarin een opvallende spiegel zichtbaar wordt:

vrouw en ambt

Waar geen hoop is voor de slang – integendeel, de slang zal door zijn eerste slachtoffer worden gedood – is er hoop voor de mens en zijn vrouw. Hoe gehavend ook, er blijft een ‘samen’, ze behouden hun opdracht om de aarde te bevolken en God blijft zorgend om ze heen. Gestraft met moeiten, maar niet alleen gelaten. In het feit dat de mens na de zondeval als eerste wordt aangesproken door God, wordt geen gezagsstructuur zichtbaar tussen man en vrouw. Het gaat in dit hoofdstuk niet over gezag tussen man en vrouw, maar tussen gezag van de slang en gezag van God. God keert meteen om wat totaal de verkeerde richting opgaat als de mens in de ban blijft van de slang. In de naamgeving door de mens aan zijn vrouw zie ik geen daad van overheersing door de mens, maar een geloofsdaad tegenover hun ongehoorzaamheid aan God: ze keren terug tot God. Een daad van liefde en zorg voor zijn vrouw, die zij aanvaardt. In de nabijheid van God wordt de vloek niet in praktijk gebracht, tenminste niet hier. Ik vind dat iets om te noteren.

De zorg van God voor zijn plan met de wereld, blijkt verder uit het verdrijven van de mens en zijn vrouw uit de tuin (Genesis 3,22-24): Hij moet er niet aan denken dat de mens van de levensboom eet en als eeuwig gestraften moet leven. Het is een genadevol wegsturen uit de tuin van Eden. Zoals de rivier vanuit Eden de wereld vruchtbaar maakt, zo beginnen de mensen in Eden en vervolgen hun opdracht om de aarde te bevolken buiten de tuin.

Conclusie: ook na de zondeval blijft God zorgen voor een samen van de mens en zijn vrouw. Hij brengt ze weer tot elkaar en uit de tuin in de wereld om deze te bevolken en gezag over de aarde te voeren. Gods’ vloek over vrouw en mens is er, maar niet zo dat de man zijn vrouw niet kan liefhebben.

Na de zondeval

  • Patriarchaal en toch niet

Het is in mijn ogen dan ook niet vreemd dat in de schrift steeds een dubbel beeld opduikt. De ene keer kun je zien dat mannen heersen over vrouwen, de andere keer staan vrouwen hun mannetje. De discussie over mannelijke priesters in het OT, bijvoorbeeld, vind ik persoonlijk niet zo interessant (al houd ikzelf de optie open dat er vrouwelijke priesters zijn geweest, op basis van Leviticus 7,6). Het zijn ook de mannen die naar Jeruzalem moeten voor de grote feesten (Deuteronomium 16). Daar hoor je nooit wat over. Is dat allemaal ongelijkheid? Wellicht. Mogelijk is het ook gewoon praktisch gedacht. Ik vind deze gegevens niet zo interessant voor het gesprek over vrouwelijke ambtsdragers, omdat ze – gelezen vanuit het ongelijkheidsperspectief – de oorspronkelijke verhouding tussen man en vrouw niet bevestigen, maar eerder de situatie van man en vrouw door zonde en straf. Die situatie roept om verlossing door Christus. Tot die tijd is het te verwachten dat er een verhouding-tussen-man-en-vrouw-in-onbalans zichtbaar blijft. En geregeld zal ook zichtbaar zijn dat man en vrouw elkaar het licht wel in de ogen gunnen (vergelijk Mozes’ zus Mirjam, de profetes Chulda, de vrouw uit Spreuken 31, de rechter Debora.) De verhouding tussen man en vrouw in onbalans: ik zie het als de spiegel van Gods straf en van zijn genade.

Verwante blogs:
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – II
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – III
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – IV
Vrouw en ambt (zoals ik lees) – V

Dansen op één been – waarom ik fan ben van de Heidelbergse Catechismus

Kern
Omdat de Heidelbergse Catechismus ondubbelzinnig inzet op geluk als centraal levensthema. Daar verlang ik naar en met mij heel veel anderen (alle mensen, denk ik, ook de verbitterden).

Geluk vandaag
Het gaat niet over toekomstig geluk. Het gaat over geluk in dit leven. En de Heidelbergse Catechismus doet dat realistisch: het laken dat over mijn leven lag wordt weggetrokken en alles wordt zichtbaar, er valt licht in de donkerste hoeken van mijn ziel. Licht dat gelukkig wil maken. Geluk dat ik daadwerkelijk ervaren kan. Realistisch heeft niet de betekenis dat we gaan genieten van misère van onszelf, met de camera vol op de gebrokenheid van ons leven. Het is een geloofsboekje, dat vanaf het begin gaat over Gods barmhartigheid en ontferming. Hij redt mij en neemt mij in zijn armen. Vanaf die veilige positie, wordt geschetst hoe mijn geluk er uit ziet. Daarmee is het een liefdevol leerboekje, dat ik kostbaar vind. Veilig in Jezus’ armen ben ik en dan trekt dit belijdenisgeschrift het laken over mijn leven weg. En echt, het is enkel geluk dat zichtbaar en voelbaar wordt. Mijn geluk. Geluk van een mens die door Jezus is gered.

Absurd
Het is absurd hoe deze catechismus bevrijding aanreikt, door in navolging van bijbelwoorden te spreken over ‘eigendom zijn van Christus’ (zondag 1), en zelfs identificerend te schrijven over Christus en de gelovige (zondag 23). En juist dat is de reden dat er over geluk geschreven kan worden als rode draad van mijn leven.

Uitglijden in je eigen drek
Wie die doelstelling van de Heidelbergse Catechismus uit het oog verliest, kan uitglijden. Dan glij je bij zondag 2-4 uit in je eigen modder. Wat kun je dan gaan negatieven over jezelf, over anderen, oordelen en jeremiëren. Niet te zuinig. En in zondag 44, vraag en antwoord 114 en 115 (over de scherpe prediking van de wet) laat je je Gods liefde zomaar weer ontnemen (terwijl het nota bene over je dankbaarheid ná je verlossing gaat, na je identificatie met Christus in zondag 23…). Dat uitglijden is veel gebeurd, als ik de aversie tegen de catechismus peil bij geregelde luisteraars. Die aversie heeft weliswaar te maken met jaar in jaar uit onderwijs krijgen in middagdiensten en op catechisatie vanuit deze Heidelbergse Catechismus. Saai en vervelend zijn dan de trefwoorden. Aversie tegen de catechismus heeft echter ook te maken met de door deze belijdenis gebruikte krasse woorden, die niet goed in het kader van geluk zijn gelezen door gelovigen en door hun voorgangers. Ik heb mijn eigen preken er niet op nagelezen toen ik aan mijn liedproject begon, maar ik denk niet dat ik ontkomen ben aan foutief lezen en preken. Zelf heb ik jarenlang op twee benen gehinkt bij de catechismus. Op het been van de verlossing en op het been van de wet. En omdat ik het been van de verlossing (behandeling apostolicum) uitputtend vond en daarom saai, en de prediking over de wet ‘lekker concreet’, zat er mogelijk zomaar meer energie in de prediking over de wet dan over het evangelie. Ik weet het niet goed meer, maar dit is mijn herinnering. Ik zeg niet dat mijn wetsprediking niet over het evangelie ging of daarin niet steeds uitmondde, maar je kunt over wet en evangelie preken op zo’n manier dat de luisteraar vooral overhoudt dat hij niet deugt. Er zijn luisteraars die die ervaring hebben opgedaan. Ik wil niet uitsluiten dat ook ik die ervaring heb gevoed.

Geluk als rode draad
Maar geluk gaat over geluk, over bevrijding en verlossing, over eigendom zijn van Christus en over ‘als Christus zijn’, alsof ik zelf voor al mijn zonden heb betaald aan het kruis. Alle evangelieprediking moet daar uitkomen, alle wetsprediking is voor de Heidelbergse Catechismus evangelieprediking en daarom vol van bevrijding, vreugde en geluk. Er is wel sprake van zonde, maar niet meer van schuld. Die lag op Christus die vergeeft. Het is mijn zonde, maar zijn schuld. Punt. Waar in zondag 44 gesproken wordt over de prediking van de wet, wordt nog eens heel kort de geluksroute van de catechismus in herinnering gebracht (ellende, verlossing, dankbaarheid), maar ze komt op uit en is gericht op ons geluk in Christus. Alle zuinigheid en terughoudendheid op het vlak van ons geluk is de catechismus vreemd.

Eén been
Toen ik me voornam om liederen bij de catechismus te schrijven, heb ik me voorgenomen om eerst in vier overzichtspreken de gemeente weer bij de catechismus te laten opademen. Vier preken over geluk. Heerlijk! Ik werd bevestigd in mijn vermoeden en mijn dans op slechts éen been: die van het goede nieuws.

Lofprijzing
Omdat de prediking over de Heidelbergse Catechismus sterk is afgenomen, als deze al niet is verdwenen, blijft voor veel gelovigen de herinnering aan de catechismus gemengd. Ten onrechte, als je naar dit geschriftje zelf kijkt, maar het is voor velen een feit. Dat is jammer, omdat uitgerekend de catechismus helpt in te zien dat gerichtheid op geluk in het evangelie alleen (en niet op schuldgevoelens, zelfvernedering en zelfverheffing) haar boodschap is. Daarom heb ik geprobeerd in begeleidende liedteksten de lofprijzing te treffen van de catechismus. Dat is overigens een facet van elk belijden: de lofprijzing of de doxologie. Ik hoop dat deze liederen gezongen kunnen gaan worden.

Over de liederen
Voor de toonzetting van de liederen mag duidelijk zijn dat deze aanhoudend de lofprijzing van Gods goedheid verwoordt. Ook de teksten over over ‘de ellende’ in zondag 2-4 treffen die toonhoogte. Het geheel van de HC gaat immers over geluk. Na zondag 31 als afsluiting van de aandacht voor onze verlossing, gaat het vanaf zondag 32 over nieuw leven. De behandeling van de tien geboden staat in het kader van ‘een christen kan het weer!’, leven zoals God dat wil, als hij de Geest ontvangt. De aandacht voor het Onze Vader is geplaatst als slotaccoord van de catechismus. Wat mij betreft had dat ook goed vooraf aan de wet kunnen worden behandeld, gezien de tekst van zondag 45. Maar aan het slot van de catechismus krijgt het gebed de betekenis van een bede om de Heilige Geest. Die is dan ook aangekondigd als noodzakelijk voor het verkrijgen van vergeving en van vernieuwing (v/a 86 en 116). Vanwege de koppeling die Jezus zelf legt tussen het Onze Vader en het verkrijgen van de Heilige Geest in Matteüs 11, heb ik dan ook geprobeerd om de liedteksten over het Onze Vader steeds te verbinden met het aanroepen van de Heilige Geest.

De liedteksten zijn nadrukkelijk geen berijming van de catechismus. Het zijn liederen bij de catechismus. Inhoudelijk zijn ze verwant, maar het is niet de ‘leer van de catechismus vervat in een liedtekst’. Zoals gezegd, ik probeer de toonhoogte van de doxologie te treffen.

Vertelling door de opstellers
Het valt op dat de vaste delen van de Heidelbergse Catechismus steeds worden vermeld. Het apostolicum (verlossing), de wet en het gebed (dankbaarheid) worden eerst vermeld vooraf aan de behandeling ervan. De ellende heeft zo’n leerstofvermelding als enige niet. Het zou betekenen dat de tien geboden twee keer zouden zijn vermeld, ook vooraf aan de zondagen over de ellende, zoals te verwachten is op basis van zondag 2, v/a 3. De catechismus kiest echter bij zondag 2-4 voor een korte typering en ook korte behandeling. Verlossing en dankbaarheid lijken daarmee ook te worden gezien als thema’s die meer aandacht verdienen dan ellendekennis. Dat zou in overeenstemming zijn met zondag 1: je bent werkelijk verlost. Maar het eigenlijke leerstuk dat behandeld en uitgewerkt wordt, is natuurlijk zondag 1. Het valt me op dat zondag 1 in de loop van de behandeling wel heel erg ver weg komt te staan van verlossing en dankbaarheid. Het verdient daarom onze aandacht en is volgens mij in overeenstemming met het didactische doel van de catechismus, om vooraf aan de leerstukken ellende, verlossing en dankbaarheid, (de prediking over) zondag 1 te herhalen. Dat betekent twee extra zondagen (naast zondag 1, vooraf aan zondag 2, ook zondag 1 vooraf aan zondag 5 en zondag 32) en dus een ‘vertelling’ door de opstellers van de catechismus.

Naar de liederen
Liederen over de Heidelbergse Catechismus

Liturgie in een tijd van versnelling

Boek

Ik las laatst een boek van Hartmut Rosa. Leven in tijden van versnelling. Een pleidooi voor resonantie. Boom uitgevers Amsterdam, 2016. Het is niet makkelijk leesbaar vanwege het vakjargon. Bij tijden behoorlijk abstract geschreven en daardoor (voor mij) taai. Maar ik vond het heel boeiend om er doorheen te kruipen. Omdat het thema ‘tijd’ van betekenis is om de tijd van vandaag te verstaan, omdat het vragen stelt aan hoe we vandaag christen zijn, omdat het kan mee verklaren waarom er kerkverlating is en kan helpen richting te zoeken bij de vraag hoe je een kerkdienst vandaag opzet. Het is geen kort verhaal geworden… (ik geloof niet dat ik dat goed kan).

Kern

Tegenover versnelling staat vertraging, zou je zeggen. Toch kiest de Duitse socioloog Hartmut Rosa voor een ander woord: resonantie. Want waar versnelling is, treedt op een gegeven moment vervreemding op. Contact verdwijnt, weerklank verdwijnt, vervreemding doet haar intrede, van jezelf, dingen, relaties, gebeurtenissen. Wie kiest voor vertraging als medicijn tegen versnelling heeft het probleem niet echt aangepakt. Want waar vervreemding optreedt, moet – wil je de vervreemding opheffen – weer wat gaan plaatsvinden tussen jou en hetgene of degene waarvan je vervreemd bent geraakt. Daarom pleit Rosa voor resonantie. Waar het resoneert, gebeurt er iets tussen jou en iets/iemand. Waar gaat dit over? Lees vooral door als je na deze alinea de weg kwijt bent.

Illustratie

Misschien is ons digitale verkeer een illustratie die dit voor een breed publiek verheldert. Ooit was er de brief. Die kostte tijd: schrijven, versturen, wachten op een antwoord (een week voor je antwoord kreeg). Toen kwam de email. De dagen van wachten en beantwoorden waren vanaf toen voorbij (met nadruk op ‘dagen van wachten’). De logische verwachting was: we krijgen meer tijd! De realiteit is: we houden minder tijd over. Want in plaats van dagen vrij te nemen, gingen we (veel) meer mails schrijven en van elkaar verwachten dat de ander per omgaande zou antwoorden. En toen kwamen Whatsapp, Facebook, Instagram. Boodschappen werden korter, geduld minder, stress meer, tijd schaars. Nu feliciteren we elkaar niet meer met een kaart of met een telefoontje, maar met een Whatsapp-berichtje. En wat te lang duurt om te schrijven, illustreren we met een betekenis-volle smiley.

Drie versnellingen

Achter deze waarneming liggen een drietal versnellingen. Een technische versnelling van doelgerichte transport-, communicatie- en productieprocessen. Rosa: ‘Er wordt bijvoorbeeld beweerd dat de snelheid van de communicatie met een factor 10^7, die van het personenvervoer met een factor 10^2, en die van de gegevensverwerking met een factor 10^6 zijn toegenomen.’ (18) Een tweede versnelling is een maatschappelijke versnelling, omdat een boel bestaande structuren meer en meer aan verandering onderhevig zijn. Ter illustratie: er zijn eeuwen geweest waarin de boer zijn vak overdroeg op de volgende generatie, de adel evenzo. In de klassiek-moderne periode (half 19e tot half 20e eeuw) was dat stabiel binnen één generatie. Een volgende generatie koos een ander vak. Vandaag is het volstrekt onhelder of je de baas waarbij je begint ook de baas is waarbij je je werkzame leven eindigt. Tenslotte is er een versnelling van levenstempo. Veel mensen ervaren dat eenvoudigweg in ‘hun gebrek aan tijd’. We doen steeds meer in steeds minder tijd, althans, we willen dat graag. De multitasker is er een voorbeeld van, al wordt ontkend dat iemand meerdere zaken tegelijk kan. Maar het begrip (en het idee dat het een kwaliteit is) is veelzeggend.

Concurrentie

Achter deze drie versnellingen ligt het principe van concurrentie. In het bedrijf, in je persoonlijke ontwikkeling, in de profilering van je ego ten opzichte van anderen (Facebook, LinkedIn, enzovoorts). Steeds meer moet in steeds minder tijd. Om te blijven meedoen is versnelling noodzaak. Kijk naar de druk op scholieren in het middelbaar onderwijs, als voorbereiding op studeren aan hogescholen en universiteiten. Kijk naar de studiedruk die oploopt voor studenten (als het niet is om de druk van de studie, dan wel om het feit dat studenten moeten bijklussen om hun studie te betalen). Het gevolg is op den duur onvermijdelijk vervreemding: van je werk (waar doe ik het nog voor), van dingen (geen tijd voor reparatie, nieuwe kopen), van jezelf (wie ben ik eigenlijk, burnout), van anderen (vormt de ander niet steeds een potentiële bedreiging?). Omdat er bij steeds meer versnelling geen tijd overblijft, gebruikt Rosa de term ‘razende stilstand’ (47).

Totalitair regime

Versnelling, het is de lucht die we inademen. Ook de kerkgemeenschap: wie heeft meer leden, is klein niet fijn(er)? Waar is het beste kinderwerk? Welke theologie sluit het beste aan bij de moderne mens, of welke theologie zou dat moeten doen? Overal is (concurrentie)strijd. Niet gek dat mensen afhaken van de gemeente of geen aansluiting willen (want het is meer van hetzelfde). En als die strijd er onverhoopt niet is, wekt de gemeente toch vervreemding op. Niet gek dat jongeren de kerkgemeenschap niet interessant vinden als plek om bij te komen. Bijkomen? Kan dat dan? Wil ik dat dan? Rosa benoemt dit klimaat van versnelling, aangedreven door concurrentie een totalitaire heerschappij. Dat heeft vanzelf geen betrekking op een politieke dictator, een politieke groep, klasse of maatschappij. ‘In de laatmoderne maatschappij bundelt de totalitaire kracht zich eerder in een abstract principe dat als het ware alle subjecten aan zich onderwerpt.’ (63) Totalitair, daarbij denkt Rosa aan vier kenmerken: wanneer er sprake is van a. druk uitoefenen op de wil en de handelingen van personen; wanneer er b. geen mogelijkheid is om er aan te ontkomen, iedereen wordt er door beïnvloed; wanneer dit c. in alle terreinen van het leven doordringt; wanneer het d. moeilijk of vrijwel onmogelijk is om kritiek op haar te hebben en/of haar te bestrijden (63). Voor Rosa is het bovenstaande het antwoord op zijn kernvraag: ‘Wat is het goede leven? Wat weerhoudt ons ervan het te bereiken?’ (113)

Zelfstandigheid

Om onder dit totalitaire regime uit te komen, moet je eerst een besluit nemen: ik verzelfstandig me t.o.v. versnelling en concurrentie. Er moet resonantie-ruimte komen. Die ruimte verschaft de natuur, religie, kunst en geschiedenis (133). Ik beperk me in het vervolg tot religie en dan de christelijke religie.

Om het aan te durven met God, om de kans te lopen Hem te ervaren en te ontmoeten is het belangrijk om een beslissing te nemen een zelfstandige positie in te nemen tegenover versnelling en concurrentie. Daarbij helpen, is de specialiteit van de gemeente van Christus.

Gemeente

Wat doet de gemeente van Christus dan als haar specialiteit? Zij brengt God ter sprake (I Petrus 2,1-10). God is geen abstract principe, maar een persoon. Een persoon die bovendien niet boven de mensheid zweeft als een onzichtbaar wezen, maar in Jezus Christus zich heeft laten zien en laten kennen. Je kunt je met Hem verhouden, tot Hem bidden, over Hem lezen, Hem prijzen in je lied en je kunt je beklagen over van alles en nog wat, ook over Hemzelf (bv. Ps. 88). Hij hoort naar mensen, ziet ze, heeft ze lief, toornt tegen ze, met andere woorden: mensen en God staan in een persoonlijke verhouding tot elkaar. Jezus dient de mensheid, Hij is niet gekomen om gediend te worden (waarmee Jezus de gedachte afsnijdt als zou Hij of zijn Vader als een dictator heersen), maar om te dienen (Mc 10,45) en ook daarin weerspiegelt Hij zijn Vader (Joh. 14). Dat betekent dus dat het christelijk geloof de mogelijkheid biedt om te ontdekken, dat er meer is dan de macht van de versnelling, meer is dan de macht van de concurrentie, meer is dan een onpersoonlijke macht tegen wie niemand iets kan inbrengen. Het christelijke gemeenschap kan mensen helpen om te kunnen inzien dat er geen eenrichtingsverkeer is op een snelweg waarop je steeds harder moet. Het kerkelijke gemeenschap kruist deze weg steeds en geeft de mogelijkheid om rechtsaf te slaan, of linksaf. Zij geeft overigens ook gelegenheid om ervoor te kiezen om voort te razen op de snelweg van de versnelling en de concurrentie.

Resonantie

Dat betekent dat er resonantie is ontstaan tussen jou en de dingen, de gebeurtenissen, de mensen om je heen. En tussen jou en God, vanzelf. Hij biedt je die mogelijkheid immers. Er is sprake van bezinning, van het einde van de slavernij. Je komt tot jezelf: wat wil ik? En omdat je die vraag gaat beantwoorden, kun je veranderen en invloed uitoefenen op wat er om je heen is; zullen mensen zich anders tot je kunnen verhouden. Resonantie brengt erkenning met zich mee, van anderen, van jou, het is relationeel. Maar resonantie zelf is meer dan erkenning. Het is wat je niet kunt pakken, niet kunt organiseren, maar wat wel plaats vindt tussen jou en anderen, tussen jou en de dingen. (Onwillekeurig moet ik denken aan het boek van F.G. Immink, Het heilige gebeurt. Praktijk, theologie en traditie van de protestantse kerkdienst, uitgeverij Boekencentrum in Zoetermeer, 2011.) Het maakt dat je gaat antwoorden op je omgeving, in vrijheid.

Liturgie en resonantie, gedachten

Eerlijk zijn
Liturgie is het aanleggen van een kruising op de eenrichtingsweg van de versnelling en de concurrentie. De kerkgemeenschap met haar liturgie in handen hoeft er dan ook niet van op te kijken dat een heleboel mensen heel hard doorrijden als de kruising in beeld komt, die ze is. Wie nog niet uitversneld is en is gekomen tot een grenservaring van zijn mogelijkheden om te versnellen, zal zich niet eenvoudig laten verleiden om een andere route te gaan. Daarom denk ik dat jongeren mede, net op gang gekomen en bezig in te voegen vanaf de invoegstrook, niet eenvoudig aansluiting vinden bij een kerkelijke gemeente. Invoegen en meteen rechtsaf of linksaf slaan, is vreemd. Van alternatieve wegen verveemdt de mens zich vandaag: er is maar één weg… die van de versnelling en de concurrentie. En dan zou de kerk komen met haar verhaal over ‘de Weg’… De gemeente van Christus doet er daarom goed aan om eerlijk te zijn over deel zijn van de lucht die ze inademt: iedereen doet aan versnelling en concurrentie. En tegelijkertijd dient ze in haar bezig-zijn te reflecteren op de geleefde werkelijkheid van de wereld om haar heen en steeds weer op een relevante wijze te tonen, dat er wegen zijn die wegvoeren van slavernij. Dat is de weg van Christus.

Opgelucht
Ik ervoer een soort van opluchting bij dit verhaal van Rosa. Het zijn niet alleen de gelovigen die het niet goed doen, als jongeren geen aansluiting vinden. Het is zeker ook de tijd waarin we leven, of misschien moet ik zeggen, het gebrek aan tijd waarin we leven en de vervreemding. Zelfverwijt is contraproductief, maar focus op hoe het verschil aan te reiken. Het is steeds de vraag of gemeenten vandaag dat goed doen en hoe ze daarin kunnen verbeteren.

Faciliteren
De gemeente van de Heer zou er mijns inziens goed aan doen om enerzijds helder te zijn over haar identiteit in Christus, anderzijds te laten zien dat ze geen beheer heeft over resonantie. Als dat inzicht er is, zullen gelovigen meer getuigend optreden (en minder voorschrijvend) en groeien om mede-gelovigen en bezoekers te faciliteren. Dat betekent niet dat ‘alles moet kunnen in de kerk’, ik schrijf niet voor niks over ‘helder zijn over je identiteit in Christus’. Maar toch, bij alles wat je zegt, zingt, belijdt, preekt, zegent, vraagt, bidt, zwijgt, het is goed wanneer de gelovigen begrijpen dat er ruimte moet zijn voor resonantie. Oog hebben voor het feit dat er iets gebeurt tussen kerkganger en wat de gemeente zegt. De rillingen over je rug bij een lied zijn belangrijk, het inzicht dat ontstaat in de stilte, het ongemakkelijke van de stilte, de vraag die rijpt in de stilte, het is allemaal wezenlijk, de prediking die zoveel mogelijk communicatief is (geen eenrichtingsverkeer, maar vragen stellen en stiltes laten vallen – in de omgang met de gemeente, dat de prediker zelf laat merken dat wat hij zegt door hem/haar is heengegaan, resoneert), is onmisbaar voor het scheppen van de mogelijkheid dat een en ander gaat resoneren. Vooraf aan het gebed gemeenteleden vragen om te komen met hun gebedspunten, met hun dankpunten, samen noemen hoe groot God is en beseffen dat je als gemeente niks weet (De kerk weet niets – crisis in de CGK?), werk maken van herhaling in je liederen, goede muziek. En na de dienst ontmoeting met elkaar, als het even kan faciliteren dat er over doorgesproken kan worden. Je leert je gemeenteleden hun mindset te veranderen: kerkgang is niet iets dat je doet, het is iets dat gebeurt en daarom niet beperkt blijft tot een paar uur, maar je leven in beweging zet voor Gods aangezicht.

Andere gemeente, andere wereld

Het verandert de kerkgemeenschap. Mogelijk weet ze minder of juist meer, maar ze verhoudt zich met de levende Heer en met de wereld. Zelf verandert de kerk, omdat ze zich in alles tot in haar ziel wil laten aanspreken. En als de mensen van de kerk veranderen, verandert de wereld, omdat iedere gelovige zich anders gaat verhouden tot zichzelf, mensen, dingen en gebeurtenissen. In de hoop dat slavernij wijkt, het totalitaire systeem van de versnelling aan het wankelen wordt gebracht en vrijheid groeit, in Christus.

In verkorte vorm is deze blog geplaatst in het Oegstgeester Kerkblad van juli 2019.

De kerk weet niets – crisis in de CGK?

Over de grondhouding van de kerk van Christus

Binnen de CGK is er onrust. Binnen Bewaar het Pand is er een zeker weten, afgaande op het verslag in het ND van 17 juni van hun bijeenkomst op zaterdagmorgen 15 juni. Samenwerkingsgemeenten hebben soms de overtuiging dat ze lang genoeg hebben gewacht. Ze voelen zich bovendien met een kluitje in het riet gestuurd, wanneer ze steeds maar moeten wachten en er geen bereidheid is bij de CGK-zusterkerken om zaken te heroverwegen. Nu wordt er crisis geroepen. Crisis komt daar, waar mensen zeker weten wat God van ze vraagt of wanneer mensen erg overtuigd zijn van hun eigen gelijk. Of overtuigd zijn van de kracht van de afgesproken procedure. Ik heb de indruk dat ‘het eigen gelijk’ niet zo past bij de christelijke kerk. Als kersvers predikant van de 3G-kerk in Hengelo begin ik daar wat affiniteit mee te krijgen. De kerk van Christus weet in de kern niets. Zo zou ik het willen zeggen. En wat ze wel weet gaat over Jezus Christus, onze onvolprezen Gekruisigde en Opgestane Heer. Wat ze wel weet wordt haar geschonken als inzicht in God op haar gebed vol verwachting. Wat ze wel weet, is dat scholen, richtingen, horen bij de kerk. Die geven aan de kerk de kans om te laten zien waar het echt om gaat.

Efeze

Ik was laatst bezig met Efeze 1,17 en 18. Dat is nog maar het begin van de brief aan de Efeziërs. Vanaf hoofdstuk 4 blijkt er nogal wat te zeggen over de gemeenschap. Er deugt een boel niet. Maar vooraf aan alles bidt Paulus tot God. Hij schrijft het maar gewoon op in zijn brief aan de Efeziërs. Hij dankt God uitbundig voor alle zegeningen die de gemeente in Christus heeft ontvangen. En hij bidt daarna om inzicht in wat God zegt, om God te kennen. En hij bidt om geopende ogen van het hart van de gemeente. Aanpakken van zaken die om geestelijke aandacht vragen, begint bij Paulus bij danken en bidden. Dat zegt hij ook op andere plaatsen. En wie leert te bidden tot God om inzicht, om Hem te kennen en om open ogen van het hart, zegt hardop dat hij het zelf niet weet. De kerk van Christus heeft geen kennis van zichzelf en weet niks. Wat ze weet, moet haar geschonken worden. Steeds weer. Tot in de laatste brief van Paulus voor zijn sterven, zegt hij: ik heb het niet, ik strek me uit (Filippenzen 3). Opdat we met ons hele hart verwonderd blijven over Gods ontferming over zijn kerk. Begint Paulus dan aan die zaken waarover hij wat wil schrijven aan de gemeenschap, dan is zijn begin alsvolgt: ‘Ik, die gevangen zit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.’

Met alle heiligen

Waar er in de Efeze-brief gezegd wordt dat de heiligen samen kunnen vertellen over Gods liefde, wordt de mening van de één in een verhouding van aanvulling gezet tot de mening van de ander (Efeze 3). Dat maakt voorzichtig. In Korinte stelt Paulus dat er partijvorming moet zijn. Letterlijk staat er dat er ‘scholen’, ‘opvattingen’, ‘meningen’ moeten zijn (J. van Beelen, Doet dit tot Mijn gedachtenis. Een onderzoek naar de relatie tussen avondmaal en ambt: over avondmaalsmijding van amtsdragers en het probleem van de bediening, 1996, blz. 154-156, Leiden, uitgeverij J.J. Groen en Zoon). Verschil van inzicht is het probleem niet. Dat je de eenheid er om ter discussie stelt, dat is het probleem. Mooi in zo’n 3G-gemeente is, dat je daar volop mee oefent: verschillende ‘partijen’, één gemeente rond één tafel. Reden voor de geheel eigen dynamiek van zulke gemeenten (anders dan alleen een CGK-, een GKv-, een NGK-gemeente) en in mijn ogen reden om daar coulant en welwillend mee om te gaan. Ik zou dat voor de 3G-gemeenten in ieder geval heel erg waarderen.

Alle goeds!

Ik wens de CGK-synode toe dat ze veel werk maken van samen zeggen dat God goed is. Dat ze daarvan kracht en zegen verwachten en ervaren: God maakt één. Ik wens de CGK-synode toe dat ze vaak belijden niets te weten en alles van God te verwachten. En dat dan ook metterdaad als houding aan de dag leggen. Ik wens de CGK-synode toe dat ze verschillen in hun kerken blijven omarmen en de eenheid in Christus die ze steeds blijven belijden in hun dankzegging, blijven geloven. Opdat de liturgie van de kerk haar katholiciteit dient.

Liturgie van het conflict

Geloven: over vertrouwen, twijfel en vragen

Bekentenis

Ik wil wat bekennen. Ik begin op een andere manier te snappen wat geloven is. Een mens kan niet anders dan leven naar wat hij snapt van de dingen die belangrijk zijn. Zo snapte ik de bijbel op een bepaalde manier, en ervoer het evangelie zo, leefde zo. Nu ik de bijbel anders ‘snap’, verandert mijn leven. Ik ervaar anders en leef anders op de manier van m’n lichaam, m’n lijf, m’n doen en laten, mijn wil, mijn voelen, mijn denken.

Het is een bijzonder proces geweest. Lastig ook. Veranderen is niet eenvoudig, omdat wat je snapt, zo vaak diep in je manier van doen verankerd is geraakt. Check daarvoor dit filmpje: Weten is niet hetzelfde als begrijpen.

 

Nieuw 

Ik merk een geestelijke groei die meer is dan ‘beter snappen waarover het gaat’. Dat ‘snappen’ heb ik altijd wel gehad. Door lezen en spreken en mediteren verder komen in verstaan van God en zijn Woord. Maar dit lijkt van een andere orde. Alsof panelen gaan schuiven. Alsof ik eerst bloemen tekende op papier en nu komen die bloemen tot leven in een heuse tuin. Loslaten en overgave groeien, vasthouden en willen doorgronden wijken. Maar het is meer dan dat, ik voel me geregeld nieuw. De dingen worden op ervaringsniveau anders. Ik pendel daarbij tussen oud en nieuw. (Kritisch) vragen helpt niet echt, tegenhouden als ik weer ‘terugpendel’ ook niet. Het voltrekt zich. In zekere zin ben ik op drift geraakt. En het is goed.

Twijfelend geloven

Ik raak vandaan bij wat ik twijfelend geloven noem. Ik bedoel daarmee niet te zeggen dat ik geen vragen meer stel. Integendeel, ik groei juist in het stellen van vragen. Des te minder ik twijfelend geloof, des te meer vragen ik stel. Dit paradoxale gegeven is een bewijs van vrijheid in Christus. Ik zal daarom uitleggen wat ik met twijfelend geloven bedoel. Dan wordt vanzelf wel duidelijk wat het onderscheid is met vragend geloven. Het thema ‘schuld’ verdwijnt uit mijn leven en het thema ‘vertrouwen’ doet intrede in volle(re) glorie. Dat is de samenvatting van wat ik hier uitleg.

Bij schuld horen woorden als aanklacht, onwaardig zijn om met God om te gaan, (nog) niet vergeven zijn, hopen op een herstelde relatie met de ander/Ander, twijfel of je er nog toe doet bij de ander/Ander, schaamte. Bij vertrouwen horen woorden als geliefd zijn, niet schuldig stellen en gesteld worden, waardevol zijn, naar elkaar verlangen, genieten van elkaar, zeker weten dat je ertoe doet, vreugde.

Twijfelend geloven is strikt gezien niet mogelijk. Geloven als ‘vertrouwen’ is overgave aan God, aan Jezus, aan het werk van Gods Geest. Twijfelen is jezelf niet kunnen en durven overgeven aan God, aan Jezus, aan het werk van Gods Geest. Ik merk dat ik op een tamelijk diep level twijfelend heb geloofd. Ik zeg ‘diep level’, dat suggereert dat het ver weg lag, diep onder de grond, moeilijk te vinden. Maar dat is niet zo. Het lag aan de oppervlakte, het was voor iedereen te zien inclusief mijzelf. Maar ik zag het niet als ondeugdelijk, omdat het het wezen van mijn manier van geloven was. Zo geloofde ik. Dat was mijn waarheid. Struikelend, gebroken, zondig, schuldig. En altijd met dat hele riedeltje naar God met de bede: vergeef me. En God is altijd zo geweest dat Hij vergeeft. Mij dus ook. Ik beleefde dat als een compleet evangelie, zo las ik mijn bijbel en zie, het was zeer goed. Ik pendelde heen en weer tussen schuld en vergeving. En neem die pendelbeweging nu eens op emotioneel niveau, op het niveau van psychische gesteldheid zo je wilt. Geloof je zo, dan zit er feitelijk altijd onbalans in je gemoed. Schuld, berouw, baalgevoelens, mislukking en (vooral korte) rust in Gods vergeving. Want na gebed om vergeving stapelen mijn ‘misdaden’ zich weer op natuurlijk. Het volmaakte komt immers nog. Maar goed, als dat mijn geloofsidentiteit is, dan leef ik daarmee, dan doe ik het daarmee.

Aangesproken

Toen ik hierop werd aangesproken, vragend, kritisch, kon ik goed uitleggen hoe mijn geloofsvork in de steel zat: er is schuld en bevrijding. Er is een strijd tussen oude en nieuwe mens, die we in dit leven niet te boven komen, er is daarom een blijvende pendelbeweging tussen goed en kwaad, tussen schuld en bevrijding. Lang leve Christus! Maar degene die mij bevroeg, merkte op dat het effect ervan is dat op deze manier altijd sprake blijft van schuld en schaamte. Kom je wel toe aan bevrijd leven, was de vraag. ‘In Christus, ja’, zo antwoordde ik. Maar vaag begon er iets te dagen: wat betekent ‘vrij in Christus’, als in mijn ziel de tonen van schuld en schaamte de zetting vormen van mijn lied van bevrijding? Een majeure tekst, een mineure zetting: dat wordt geen lied dat je graag zingt, omdat het wringt. Als ‘bevrijding’ het evangelie is, met als vaste begeleiding de woorden ‘ja, maar…’, dan is bevrijding geen bevrijding. Niet in je ziel, niet in je emotionele huishouding of ervaring. Grondtonen blijven dan schuld, schaamte, oordeel. Over elkaar en over jezelf. De jongste zoon uit Lucas 15 sterft dan in zelfveroordeling, de oudste zoon sterft dan in zelfverheffing, terwijl de vader beiden uitnodigt om feest te vieren. Het is opvallend dat in Lucas 15 de vaderfiguur wordt neergezet door Jezus, als iemand die niet meekomt met mensen die leven in zelfvernedering en zelfverheffing. Tenminste, het werd opvallend voor mij.

De schuldloze ruimte

Er is geen oordeel voor hen die in Christus Jezus zijn, stelt Paulus in Romeinen 8,1. The case is closed, zegt een Engelse vertaling. Er blijft niet iets hangen waarop ik terug moet komen. En ik hoef ook niet te leven alsof mijn zaak steeds heropend moet worden. Er is vrijspraak en vrijheid. Die werkelijkheid vormt al in Romeinen 6 de aanleiding om ons leven opnieuw vorm te geven, als dienaar van de Bevrijder en niet meer als dienaar van de zonde. Niemand hoeft te doen alsof er geen zonde meer is. Want die is er en die doen we. Maar er is geen schuld meer waarop ik aangesproken word, als ik leef met Christus. Je kunt met Jesaja 53 goed zeggen dat mijn schuld van Jezus is. ‘Het is uw schuld’, kunnen we zeggen tegen God en tegen zijn Zoon en het lijkt me volop het werk van de Geest om zo te spreken. Want God heeft mijn schuld op de schouders van zijn Zoon gelegd. Zeggen dat mijn schuld Gods’ schuld is, is niet een flauw afschuiven van mijn schuld op God en mijn verantwoordelijkheid willen ontlopen, het is antwoorden op het evangelie. God zelf eigende zich mijn schuld toe. Verbonden met Christus hoef ik niet te doen alsof mijn schuld van mij is. Dat is namelijk niet waar. Het is Jezus’ schuld. Bij Jezus vraag ik daarom met plezier en vrijmoedigheid om vergeving, omdat Hij mijn schulddrager is geworden. Je zou het zo kunnen zeggen: bij Christus ontdek ik mijn zonde en zijn schuld. Ik leef bij Hem in de schuldloze ruimte. Hij is mijn heiliging, mijn rechtvaardiging en verlossing, stelt Paulus in I Korinte 1,30. Dat mag ik leven.

Oordeel niet

Dit alles heeft gevolgen voor de omgang met mezelf en anderen. Het tilt onze omgang met onszelf, met elkaar en met God op de toonhoogte van feest.

Jezus spreekt in Lucas 15 de leiders van het volk Israël aan. Zondaren en tollenaars komen allemaal (!) naar Jezus toe en ze luisteren naar Jezus. En Hij eet met ze. De leiders van het volk duwen zondaren en tollenaars naar de rand van de samenleving, Jezus zet ze in de spotlights. En dan legt Jezus ze een paar dingen uit: wie is niet blij als hij terugvindt wat hij kwijt is geraakt? Dat zijn de twee korte gelijkenisjes over het verloren schaap en het verloren muntje. En vervolgens legt Jezus uit waarom de leiders niet blij zijn met Jezus. Ze blijven grossieren in zelfvernedering en zelfverheffing. Het is zeer waarschijnlijk dat de leiders van het volk zich goed kunnen vinden in de schets van de jongste zoon. Op je knieën terug naar vader, omdat je het echt verknald hebt bij die vader door je daden. Je bent het dan niet meer waard om zoon van je vader te heten. De zelfvernedering van de jongste zoon is dan ook passend bij de opvattingen van de leiders van het volk. Het is ook waarschijnlijk dat de leiders van het volk zich herkennen in de oudste zoon: als de vader feest wil vieren met de jongste weergekeerde zoon, doen de trouwe en hardwerkende zonen niet mee. Wie is er zo gek om zich in te laten met zo’n zondaar? Dat doe je niet. Terwijl de vader laat zien dat hij niet zo goed uit de voeten kan met mensen die ten onder gaan aan zelfvernedering of zelfverheffing. Jezus nodigt iedereen uit om feest te vieren met Hem. Omdat bij Hem geen dood meer is, maar leven is te vinden. Zij menen te moeten oordelen, zij zijn streng voor zichzelf en voor anderen en leren anderen om streng te zijn voor zichzelf en anderen. Dus duwt Jezus tegen hun geloof met zijn uitnodiging om het leven te vieren op de toonhoogte van het feest. Hoe moeilijk blijkt het om te veranderen! Wie oordeelt (zelfvernedering en zelfverheffing), kan niet feestvieren…

Oordeel niet, klonk het al in Matteus 7, dat is de wet en de profeten. Wie de balk uit zijn eigen oog verwijdert, ontvangt licht van Gods liefde en vergeving in zijn ogen en zou dat niet levensveranderend zijn? (Dat ontvangen van licht in je ogen als je de balk uit je eigen oog haalt, staat niet in Matteus 7,1-12, maar is in het geheel van het optreden van Jezus wel de verhoring te noemen van de bede tot God, waartoe Jezus indringend (9x) oproept). Schrijf elkaar niet af als je iemand ziet struikelen in zijn leven met God. Wees zachtmoedig en help elkaar. Dat is wat tucht moet zijn, elkaar trekken naar Jezus en elkaar op sleeptouw nemen. Niet wegduwen, maar elkaar helpen. Dat is in de stijl van Gods wet leven. Zo schrijft Paulus in Efeze 6,1-2.

Feest

Leven met een majeure tekst op een majeur-melodie. Wie het Wilhelmus zingt in een mineur-zetting, zal er verdrietig van worden: als dit je volkslied is, is treurnis wat het volk tekent. Maar wie het zingt in majeur-zetting, leert zich een trotse burger te voelen van Nederland! Dus waarom oordelen over jezelf en elkaar als je elkaar voor God plaatst en zijn Zoon? Waarom jezelf vernederen voor degene die je vrijspreekt? Waarom jezelf omhoog likken voor degene die je vrijspreekt? Beide, zelfvernedering en zelfverheffing putten namelijk uit dezelfde bron: oordelen over elkaar en over jezelf, leven in de vergelijking met anderen. Daar zit onze cultuur vol van en als we niet uitkijken de kerk van Christus ook. Maar Jezus laat ons feest vieren. De vader in Lucas 15 reageert niet eens op de onzin van de jongste zoon. Hij gaat feest vieren. En evengoed kan hij uit de voeten met de zelfverheffing van de oudste zoon: je kent me toch, ik was altijd bij je, wat van mij is, is van jou. Vier mee.

Onderscheid tussen persoon en zaak

In mijn denken hierover word ik herinnerd aan het onderscheid tussen persoon en zaak. Dat is nogal belangrijk: een mens heel laten en over opvattingen en gedragingen van elkaar van mening kunnen verschillen. Dat is op papier makkelijker gezegd dan in de praktijk gedaan. Van mening verschillen betekent maar zo een rappe desinteresse in de ander. Omgekeerd kan ‘niet oordelen’ een samenleving geven die lauw is. In beide gevallen gaat het nergens anders over dan over jezelf, over narcisme als cultuurkwaal.  ‘Niet oordelen’ betekent in afhankelijkheid van God (biddend) je ogen openen voor elkaar (Matteus 7). Dan ben je nooit gauw klaar, maar je blijft je verwonderen over elkaar in een niet aflatende nieuwsgierigheid en interesse in elkaar. Ten diepste weten we namelijk geen klap van de ander, dat is in ieder geval een mooie vuistregel voor het intermenselijke verkeer. In reactie op al het bovenstaande kun je dus zeggen: ik los ‘niet oordelen’ op door een goed onderscheid te maken tussen persoon en zaak. Dat is nodig! En het klinkt me wat te snel. Voor elkaar de ogen openen laat ook je oordeel over ‘de zaak van de ander’ wachten. Kijken, bidden, luisteren, wachten met je oordeel. Dat is moeilijk. Het kan niet rap. Laat God daarbij helpen.

Twijfelend geloven, vragend geloven

Aan het begin van dit blog schreef ik: waar twijfelend geloven verdwijnt, nemen de vragen toe. Daarmee bedoel ik dit: waar de twijfel uit mijn geloofsomgang met God verdwijnt, en mijn vrijheid meer en meer deel wordt van mijn ziel, leer ik vrij te vragen. Zaken ter discussie stellen die me vertrouwd zijn. Heerlijk is dat, ontdekkend geloven. In de zekerheid dat ik een kind van God ben en Hij mijn Vader blijft. Het helpt zo enorm in de omgang met anderen, om ze hun weg te laten gaan, ze te laten komen met hun eigen vragen. Eerlijk is eerlijk, ik vind het geregeld ook spannend, eigen vragen, andermans vragen. Gaat het wel goed, gaan we met elkaar de goede kant op? Ik heb de helpende handen nodig van mijn broers en zussen en zij die van mij. En van de Geest van God die leidt bij een open bijbel en in gebed. Maar vragend geloven is een vrucht van stoppen met twijfelend geloven. Het past bij vertrouwen en vrijmoedigheid. Zoveel is me helder geworden.

Liturgie

Ik schrijf blogs over liturgie. Raakt deze blog liturgie? Het is er de kern van. God ontmoeten, persoonlijk en in de samenkomst. Deze blog is het resultaat van jarenlange omgang met de Heer van de kerk in zijn gemeente. God leeft, God spreekt, God vormt en maakt in de gemeente nieuw. En het leidt – in mijn geval – tot nieuwe liederen die toch anders klinken dan voorheen.

Mascolori

Langzaam wordt het mijn deel. Ik pendel minder tussen schuld en vergeving, leef op in de schuldloze ruimte bij de Heer. Ik heb schoenen gekocht (zoals de jongste zoon nieuw schoeisel kreeg): real Mascolori’s, in Amsterdam. Supervette schoenen. Uitbundig. Er is altijd wel iemand die er iets over zegt. Prachtig. Ik draag ze bij de viering van het avondmaal, op de kerkelijke feestdagen, als ik me feestelijk voel of als ik me feestelijk voelen wil. Ze vormen een geloofsbelijdenis die ik probeer te leven.

Bijpassende liedteksten (helaas nog niet zingbaar):
Heer, wees met de oudste zoon
Jezus roept de tollenaren
Naar Gods beeld schiep Hij hen

Gedicht
In licht dat opkomt