Draag elkaars lasten – verlangen naar een nieuwe kerk

Aan bloggers is gevraagd zich uit te laten over het visiestuk over de nieuwe kerk (welke kerk zie je als je de kerk voor je ziet gevormd uit NGK en GKv). Ik schrijf een korte bijdrage.

Verlangen naar een nieuwe kerk, zoals verwoord in dit visiestuk (nieuwe kerk gkv-ngk), getuigt van moed, van kwetsbaarheid, van hoop, van geloof in God die iets nieuws brengen kan. Ik kan meekomen met de zes punten die geformuleerd zijn, al is er iets op af te dingen en aan te vullen (Jos Douma).

Realisme – de onveilige kerk

Ik mis echter realisme in dit stuk. Ik lees over geloofsdromen en -verlangens, maar bar weinig over wat ons is overkomen in de jaren 60 van de vorige eeuw. Tijdens de Generale Synode 2017 heb ik in de bespreking van de stukken over toenadering tussen NGK en GKv aangedragen dat we bij het huwelijksaanzoek van de NGK te maken hebben met iets bijzonders. Het is niet te vergelijken met een verliefd stelletje. Het is een eerder getrouwd koppel dat ooit is gescheiden. En nu komt het weer bij elkaar. Hoogst uitzonderlijk, maar het lijkt te gebeuren. Waar vandaag veel gesproken wordt over een veilige kerk, zou ik bij dit groei-visiedocument meer willen horen over de onveilige kerk. Veiligheid is een mooi streven, maar zoals het onzin is om te spreken over zuivere prediking en zuivere bediening van de sacramenten onder mensen die getekend zijn door de aanwezigheid van de zonde (in daden, in eigen onmacht om het goede te doen, in vervreemding van God), en het de kerk alleen maar rest zich te richten op het zuivere Woord van God, zo is het spreken over een veilige kerk niet zinvol. Waar een kerk zich moet uitspreken (NGB art. 29) om zich uit te strekken naar het zuivere Woord van God, doet diezelfde kerk impliciet ook een uitspraak over wie ze is: niet zuiver en wat mij betreft ook onveilig. Onveiligheid is een grondtrek van de kerk.

Als er iets is in onze recente geschiedenis, is het dat we dit aan elkaar hebben laten zien: de kerk is onveilig. Het eerste kernpunt ‘Jezus centraal, Gods Woord in het midden’ is me daarom veel te waar en daarmee naïef geformuleerd. Begrijp me goed, naïviteit is prachtig in de kerk. Je kunt niet zonder. Maar twee gescheiden mensen die weer aanpappen met elkaar, proberen elkaar uit. Voortdurend. Omdat schade en onveiligheid uit het verleden bij ze is gaan horen en krassen achterlieten op hun ziel.

Ik zie uit naar een kerk met een onveiligheidsbelijdenis. Opgezet vanuit een diep begrepen idee van wat genade is. Omdat volstrekte genade van God ons de mogelijkheid geeft om volstrekt eerlijk te zijn over de bagger aan ellende die we in de kerk geregeld over elkaar uitgieten (vergelijk de vrolijke noot van zondag 1 HC, die als uiting van gelukkig leven en sterven die bagger benoemt in zondag 2-4: genade maakt realistisch over de onveilige kerk). ‘Natuurlijk: Hij is onze redding’, het is me veel te lichtzinnig geformuleerd. Er is namelijk nooit iets ‘natuurlijks’ aan. Veiligheid en betrouwbaarheid bieden aan elkaar betekent eerst de uitgesproken belijdenis en erkenning dat we onveilig zijn bij elkaar. Ook met Jezus er bij blijft dat het diep tragische van kerkzijn. Want in zijn woord klinkt het aanhoudend: draagt elkaars lasten, zo leeft u de wet van Christus na. Juist omdat het er staat is mijn conclusie dat het geleefde geloof getekend wordt door onveiligheid.

Twee partijen die opnieuw trouwen, zouden hiervan rekenschap moeten afleggen. Ik zou dus adviseren aan GKv en NGK om gesprekken te zoeken met mensen die gescheiden zijn en weer samen op zijn gaan trekken. Om dit punt boven tafel te krijgen en er gelovig ruimte aan te bieden. Dan krijgt genade als kern van de kerk ook haar betekenis: in een onveilige kerk waar mensen het met elkaar proberen te rooien in trouw.

Jezus, wees aanwezig, Geest, maak ons realistisch, Vader, maak ons één.

Advertenties

De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – II (doop/avondmaal)

Een vaste burcht is onze God,
een wal die ’t kwaad zal keren;
zijn sterke arm houdt buiten schot
wie zich niet kan verweren.
De vorst van het kwaad,
de aartsvijand staat
geharnast in ’t veld;
in list en in geweld
kan geen hem evenaren.

Gezang 898, eerste couplet, Een vaste burcht is onze God, uit: Liedboek. Zingen en bidden in huis en kerk, BV Liedboek, Zoetermeer, 4e druk, 2013.

 

Schrift

Wat verandert er in de liturgie als er meer aandacht komt voor de duivel? Willem Smouter heeft in zijn Christus in de lage landen enig begrip voor het verdwijnen van de ‘verzakingsvragen’ uit de doopformulieren in de tijd van de Reformatie (verzakingsvragen zijn vragen aan de dopeling om duivel en kwaad vaarwel te zeggen): ‘Ik begrijp overigens wel iets van de versobering: het was ook een reactie op de magische rituelen die in die tijd sterker naar voren kwamen dan de leer en de inhoud. Het is met de duivel altijd balanceren: je kunt hem te veel eer geven door achter elke holle boom een duivel of boze geest te zien. Je kunt hem ook te veel ruimte laten door zijn macht helemaal te negeren.’ Ik ben van mening dat de laatste zin onze aandacht vraagt. Het is niet zo dat in het huidige script van de liturgie in de GKv de duivel ongenoemd blijft. Maar hij blijft me teveel genoemd en te weinig uitgewerkt. Ook dan komt de duivel niet ‘tot leven’ en dat speelt deze grootmacht in de kaart. De bijbel is er klip en klaar over dat de duivel tot en met de jongste dag een factor van betekenis is. Hij is dé tegenstander van God in het gevecht om de mens. Dat God steeds wordt aangewezen als de winnaar van die strijd mag de kerk enerzijds zeer bemoedigen en rust geven. Maar zij moet de duivel en zijn demonische handlangers niet uit het oog verliezen. Integendeel, de kerk wordt opgeroepen om zich te kleden met de wapenrusting van het geloof en zo met God mee te vechten tegen deze krachten (Efeze 6,12; vgl. ook Psalm 91,13 [zie voor een bespreking van psalm 91 als gericht tegen demonische krachten, G.C.Vreugdenhil, Onheil dat voorbij gaat. Psalm 91 en de (oudoosterse) bedreiging door demonen, 2013, Boekencentrum, Zoetermeer]). Petrus waarschuwt in zijn eerste brief (3,9) voor de vijand, de duivel, die rondzwerft als een brullende leeuw, op zoek naar prooi. Daar moet weerstand tegen geboden worden met geloof, men moet waakzaam zijn. Kennelijk brengt verlost zijn en de overwinning van Jezus op de duivel geen rustig leventje met zich mee. Maar een leven waarin je op je hoede moet zijn. Wie wat gevoel wil ontwikkelen bij die strijd, doet er goed aan om het boek Openbaring aan Johannes te lezen. Laat je daarbij niet afschrikken door moeilijk te begrijpen passages, de strijd tussen God en duivel wordt helder geschetst. In een sfeer van overwinning door God. Maar hoe intens is het gevecht!

In G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek. Een inleiding, 2012, Boekencentrum, Zoetermeer, blz. 304, wordt gezegd dat het in het spreken over zonde en kwaad allereerst gaat over de menselijke verantwoordelijkheid. Het is de mens die het kwaad toelaat en niemand anders. Ik wil die menselijke kant volop honoreren, maar ook nuanceren. Ik begin even aan de andere kant, de kant van vertrouwen op God. God is voor de mens een zegen: de weldaden voor de mens zijn overweldigend groot. Met de nadruk op ‘overweldigend’: het is veel meer dan hij bij zijn kiezen voor God voor mogelijk kan houden. Zo is het ook met de keuze voor het kwaad. Het is de mens die ervoor kiest, maar de gevolgen zijn veel groter dan de mens heeft kunnen overzien. Het kwaad heeft de mens zonder God in de tang. Dat blijkt ook keer op keer, omdat de mens uit zichzelf niet anders kan dan tegen God ingaan. Het is dan ook niet vreemd dat God zijn strijd in Christus niet aangaat met de mens (Openbaring 12), maar met de duivel zelf. De verantwoordelijke mens kan zichzelf niet aan zijn haren uit het moeras trekken, hij moet verlost worden van het kwaad (vgl. Matteüs 6,13).

Zo zijn er een paar dingen te zeggen over de duivel: hij is overwonnen door Jezus. Halleluja!; hij is er altijd op uit om het werk van God kapot te maken, maar zijn kracht haalt het niet bij de kracht van Jezus en van God; de mens wist niet goed aan wie hij zich overgaf: sinds zijn overgave aan de duivel blijkt de kracht van satan groter dan de mens. De mens is verantwoordelijk en staat tegelijk machteloos tegenover de duivel; de mens moet worden verlost van de duivel door Jezus; nu dat is gebeurd en de gelovige mens uit mag gaan van zijn verlossing, wordt de mens opgeroepen tot waakzaamheid (de duivel is nog steeds actief) en strijd.

Genade als kracht

Voor déze blog focus ik verder op de plek van de kinderen in de gemeente in de liturgie. Waarbij ik wil laten zien dat aandacht voor de machten van het kwaad de kracht van de genade alleen maar sterker laat uitkomen. In mijn vorige blog (De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – I) schreef ik dat er in de bijbel gestreden wordt om de mens en niet tegen de mens. Er wordt gestreden tegen de machten (Efeze 6,12). Er wordt een zwart-wit-schema in de bijbel gehanteerd tussen licht en duisternis, waarbij de duisternis staat voor alles dat zich van Christus afkeert (vgl. Matteüs 4,16; Lucas 1,78-79; Johannes 1,5; 3,19; 8,12; 12,46; Handelingen 26,18; Romeinen 13,12; 2 Korinte 4,6; 6,14; Efeze 4,18; 5,8; 6,12; Kolossenzen 1,13; I Tessalonicenzen 5,4.5; I Petrus 2,9; 1 Johannes 1,5; 1 Johannes 2,8-11). Als er één ding zichtbaar wordt, is dat de mens die wordt gered, daarvoor volstrekt afhankelijk is van Gods ingrijpen. En God doet dat dan ook.

Uit de verwijzingen die ik noem, onderstreep ik Efeze 5,8 en Kolossenzen 1,13 en 14. Efeze 5,8 laat zien dat de overgang van duisternis naar licht wordt gekenmerkt door ‘uw bestaan in de Heer’.

Gedraag u dus niet zoals zij (7), want eens was u duisternis maar nu bent u licht, door uw bestaan in de Heer. Ga de weg van de kinderen van het licht. (8) (Efeze 5,7-8).

En Kolossenzen 1,13 en 14, omdat de overgang van duisternis naar licht ‘redding’ wordt genoemd door God, die ons heeft ‘overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden.’

Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden. (Kolossenzen 1,13-14)

Dat overbrengen gaat op een bijzondere manier, blijkt uit de verzen 3-6: er wordt verteld over het goede nieuws, het evangelie, het draagt vrucht en het groeit, vanaf het moment dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep. Het is die kracht van God, die genade heet, die het enige antwoord is dat licht brengt in onze duisternis. Die duisternis is de macht van de zonde, van het kwaad, van satan zelf, van de machten in de lucht, die ons in de tang houdt en waartegen wij geen verweer hebben, sinds Adam en Eva kozen om te luisteren naar de slang in het paradijs. Genade is de tegenkracht! Dit contrast tussen duisternis en genade maakt goed duidelijk dat het in onze verlossing maar niet alleen gaat om verlossing van persoonlijke schuld, maar van bevrijding uit de alomvattende, in-de-tang-houdende macht van het kwaad zelf. Schuld en onmacht van de mens om zich ertegen te verweren worden door genade weggenomen.

Doop

Bij de doop hebben we dit goed begrepen. Het verbond tussen God en mens wordt daar zo uitgewerkt, dat hij die geboren wordt uit gelovige ouders het teken krijgt van Gods verzoening. Hier is de genade de levensveranderende motor voor de dopeling. Vrijuit wordt de gemeente opgeroepen om de dopeling heen te gaan staan, omdat het gedoopte kind hoort bij het ene lichaam van de kerk (verwezen wordt naar I Korinte 12,13, Gereformeerde kerkboek I, 2017, blz. 667vv.). Samen worden we geroepen om die motor te laten draaien. Niet omdat wij dat nou zo goed kunnen als gemeente, maar omdat de Geest in ons zijn werk heeft gedaan en voortzet: de gemeente is gedrenkt in één Geest.

Vanaf het begin dus wordt de genade ingezet om het contrast met de duisternis te maken. De kinderen horen bij de gemeente die in het licht gezet is en leeft van genade. Ze zijn dan ook ‘in Christus’ (Efeze 5,8).

Je ziet dit contrast tussen duisternis en licht terug in HC 27, v/a 74. Kleine kinderen moeten worden gedoopt, want ze horen ‘als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente.’ Aan kinderen wordt ook ‘door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd.’ Dat is de reden dat ze door de doop als teken van het verbond ‘bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden.’ De doop maakt zichtbaar dat je in het rijk van Gods genade wordt grootgebracht. En niet in het rijk van de duisternis. Voedsel dat daar wordt gegeten is genadebrood. Genade, zo heeft de kerk begrepen, brengt tot vertrouwen in God. Dus gaat de genade zichtbaar aan alles vooraf.

Avondmaal

Hoe anders is dit bij het Heilig Avondmaal! Daar is het grote thema licht en duisternis op de achtergrond geraakt. Het grote thema op de voorgrond is dat van je persoonlijke schuld en bevrijding door Jezus Christus en je eigen gevecht tegen ‘de wereld van de zonde’. Tenminste, in het formulier voor openbare geloofsbelijdenis overheerst dat thema. En één van de vragen is of je trouw zult deelnemen aan het avondmaal – na je ja-woord (Gereformeerde kerkboek I, 2017, blz. 685v.). Hier komt het eten van genadebrood dus ná de geloofsbelijdenis. Dat spreekt vanzelf, als je dat pas mag eten nadat je tot geloof bent gekomen. Maar bij de doop heeft de kerk juist duidelijk gemaakt dat genade weliswaar is ingebed in de geloofsgemeenschap (alleen kinderen van gelovige ouders worden gedoopt), maar zo dan voor het gedoopte kind aan zijn persoonlijke groei voorafgaat. Genadebrood is de motor van en het voedsel voor komen tot geloof. Niets anders dan genade brengt je op de knieën voor God.

Ik blijf dat een opvallende verschuiving vinden. Tegenover de duisternis komt God met zijn licht en dompelt zijn gemeente onder in zijn genade. En levend van die genade, stelt de kerk die kinderen uitsluit van het avondmaal, diezelfde genade voor als bereikbaar na je geloofsbelijdenis. Terwijl die genade juist als groeibron van geloof is gepresenteerd bij de doop. Dat moet er mijns inziens toe leiden dat doop en avondmaal beide worden aangeboden aan de kinderen van de kerk. Een driedubbel aanbod van genade: Woord, Water en Wijn dat ons voedt tot erkenning van Gods bestaan en onze verlossing. Anders lijkt het er op alsof het jongste deel nog wat in duisternis leeft. Dat zal geen kerk die kinderen doopt erkennen. En terecht. Maar het vraagt echt om een andere praktijk rondom het avondmaal. Waar zou iemand anders van moeten eten en drinken, als deel van het lichaam van Christus, bron van Licht, dan van genade die hem onderscheidt van duisternis?

Afrondend

Ik weet dat er discussie is over schriftgedeelten. I Korinte 11,17vv. is zo’n gedeelte. Maar Paulus heeft het daar niet over de vraag of kinderen aan mogen schuiven bij het avondmaal of niet. Het gaat daar over gastvrijheid (vs. 33). Dat thema maakt het niet waarschijnlijk dat de kinderen niet aan mogen. De volwassenheid van de eerste avondmaalsvierders en hun geloof (Matteüs 16) is ook zo’n issue in de discussie. Maar wat vaak niet wordt gezien is dat de leerlingen van Jezus niets moesten hebben van Jezus’ lijden en van zijn kruisiging. Uitgerekend de kern van de viering van het avondmaal geloofden ze niet. Pas in Lucas 24, na Jezus’ opstanding, geeft Jezus hen het broodnodige inzicht. Ook de gedachte dat bij een praktijk waarbij kinderen aangaan, de grond wegvalt onder kerkelijk onderwijs (want ze gaan al aan het avondmaal), mist scherpte. Genade bij de doop geschonken leidt tot onderwijs (vgl Matteüs 28,19-20 en de doopformulieren). Genade ontvangen is geen uitkomst van geloven. Geloven is uitkomst van ontvangen genade. Vanzelfsprekend blijft het belang van een aparte daad van geloofsbelijdenis overeind. Dat miskent niemand die voor kindercommunie is. Hoe mooi is het als de ontvangen genade uitmondt in een oprecht en volmondig ‘ja’. Maar genade aanbieden na geloofsbelijdenis is de omgekeerde wereld van de doop en een niet goed inschatten van de genade als onderscheidende markering tussen duisternis en licht.

Als het waar is dat de kerk leeft van genade, als het waar is dat genade vooraf aan alles gaat in de kerk, als het waar is dat alleen Gods genade de scheidslijn tussen duisternis en licht markeert, gun dan de kinderen van de kerk de maaltijd van de Heer. Anders vertragen we hun groei.

Vergelijk verder over kind en avondmaal: Kinderen en avondmaal.

Kerkasiel en verlies: typisch christelijk

Ik loop rond met een vraag over het kerkasiel in Den Haag. Zelf ben ik er voorgegaan, overtuigd van het nut ervan om mee te doen. Ondersteunen van de familie en mensen in soortgelijke situaties is een belangrijke drijfveer. En tijd ‘kopen’ voor onderzoek dat nieuwe gegevens kan opleveren voor een betere rechterlijke uitspraak, het was voor mij meer dan voldoende om mee te doen. Ik vind het ook een mooie, vreedzame manifestatie van Gods koninkrijk vanuit de liturgie. Een legale manier van doen om als christenen te zeggen tegen de overheid dat we graag een andere weging zien, en dat een wet navolgen naar het gevoelen van christenen nog iets anders is dan recht doen.

Verlies

Mijn vraag wordt echter gevoed door een sentiment dat ik rond deze aandacht voor het kerkasiel merk. We willen zo graag dat de familie Tamrazyan blijft (en dat er een ruim kinderpardon wordt toegpast), dat het niet slagen gepaard gaat met behoorlijke gevoelens van verlies. Ik ben de laatste om te zeggen dat ik daarvan opkijk. Zelf ben ik één van degenen die willen dat de familie blijft en met hen vele anderen die feitelijk Nederlander zijn geworden. En toch heb ik een vraag bij die ervaring van verlies.

Jezus

Ik heb een aanloop nodig om mijn vraag te kunnen stellen. Het voorbeeld voor christenen is Jezus. En zij zijn zo eigenwijs dat ze zeggen dat Jezus dat voor iedereen zou moeten zijn. Er is immers maar één weg die naar het leven met God leidt en dat is Jezus zelf. Halleluja! Jezus roept ons op om ons kruis op te nemen. Dat is de weg van verlies, de weg die onherroepelijk leidt tot de dood. ‘Wie zijn leven verliest, zal het behouden’, zegt Jezus. Dat is een merkwaardige belofte, die afschrikt en het leven van christenen meteen op scherp zet. Sterven om te behouden, gekker kun je het niet zeggen. Maar Jezus doet vóór wat het is. Hij sterft zelf en mensen zien Hem na zijn sterven weer opduiken. Sterven om te blijven leven. Paulus zegt het in zijn brief aan de Korintiërs (I Korintiërs 1,18) zo: ‘de boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.’ Dat is ook zo’n gekke uitspraak. Je zou iets verwachten als ‘de boodschap van de opstanding is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God.’ Maar het gaat toch echt over de boodschap van het kruis. En ‘kruis’ is afzichtelijk, is sterven op een manier dat iedereen om je heen zegt dat ze je willen vergeten. Tussen hemel en aarde, uitgejouwd aan de kant van de weg door jan en alleman. Het is zo niet-goddelijk, zo gelynched worden door de wereld op de manier van de wereld. Dat is kruisiging. Het is verliezen…zou je zeggen. Maar dat zegt Paulus niet. Het is voor de mensen die worden gered de kracht van God. ‘De kracht van God’ is een uitdrukking die terugkomt op die momenten dat er gepreekt wordt, gepaard met tekenen van kracht. Gods glorie wordt zichtbaar. Nou, bij een kruisiging van een mens moet je verdraaid goed kijken om Gods kracht te zien. Maar Paulus stelt het zo. Het betekent dat in de kruisiging van Jezus God aan het werk was om een wonder te voltrekken. Dat wonder is níet de opstanding! Het is het kruis zelf. Even later zegt Paulus in I Korinte (1,30) dat Jezus onze rechtvaardiging, verlossing en heiliging is. Dat is het kennelijk. In mijn eigen woorden: de macht van het kwaad lijkt te winnen als Jezus sterft op de meest afzichtelijke manier die je kunt bedenken. Maar de werkelijkheid van God is dat die macht van het kwaad juist onderuit wordt getrokken in Jezus’ sterven. In de ondergang wordt het licht ontstoken. Het is daarom niet moeilijk om te bedenken waarom Jezus opstond: waar de macht van het kwaad dat de dood brengt, wordt uitgeschakeld, staat het gestorven leven weer op. Dat kan niet anders. Maar het is een gevolg van Gods getoonde kracht in het kruis. Wie deze Jezus volgt en zijn eigen leven kruisigt, weet waarop het uitloopt: op zijn eigen leven, op licht. In dit of in een nieuw leven met God.

Vraag

Ik wens het minister Harbers toe dat hij verliest. Op een manier dat er leven en ruimte wordt geboden aan de familie Tamrazyan en vele anderen. Dat zal gezichtsverlies betekenen voor Harbers. Maar als christen zou ik hem weer overeind willen helpen. Het is zijn weg naar het licht. Maar als ik dat Harbers toewens, dan komt daar mijn vraag ook op. Wat als Harbers ‘wint’? Verliezen christenen dan? Dat zal. En met welke gevoelens en overtuiging zou dat dan gepaard gaan? Eenzelfde vraag is te stellen aan de mensen die nu onderweg zijn naar Griekenland in verband met de actie ‘We gaan ze halen’. Als het niet lukt, met welk gevoel blijf je dan achter? Met welk gevoel van verlies en met welke overtuiging daarbij? Ik bedoel niet te zeggen dat een christen niet mag inzetten op het goede voor wie dan ook. Natuurlijk ga je voor het welzijn van anderen. Ook voor de vluchteling en de vreemdeling hebben we ons in te zetten. We zijn het immers zelf op aarde. Maar wie verliest, verliest als christen altijd met en als Christus. En dan is verliezen een beloftevolle weg. Een weg naar nieuw leven. In Armenië, in Griekenland, waar dan ook. Ik bedoel niet te zeggen dat verliezen niet echt verliezen zou zijn. Geen verblijfsvergunning krijgen, wel weg moeten, dat is de weg van het kruis en die is per definitie verschrikkelijk, onmenselijk, dodelijk. En toch wil ik vasthouden aan die belofte die Jezus erbij gegeven heeft, die Hij geleefd heeft. Verliezen op z’n christelijks heeft ook alles in zich van ‘niet (kunnen) verliezen’. Mijn vraag is daarom, als wij spreken over verlies in het kerkasiel en verwante zaken: hoe verliezen wij? Hopeloos, bedonderd, ontgoocheld, of als christen met hoop, omdat het lijden zelf niet zinloos is?

Moeilijk

Ik vind het een moeilijke vraag. Omdat ik de vraag confronterend vind. Het vraagt om een omarmen van lijden. Dat is confronterend. Maar in andere zin is het ook weer de enige barmhartigheid die maakt dat je bij de lijdende blijft als de pijn aanhoudt. Ik geloof niet dat de vraag neigt naar lijdzaamheid, omdat het alles in zich heeft om te handelen in situaties van pijn en uitzichtloosheid. Net als Jezus deed en dat was verre van lijdzaam. Vanuit het geloof dat door het aanvaarden van lijden ook licht ontstoken wordt. Nou ja, dit is dus mijn vraag.

De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – I

Het is een thema dat me al langer bezighoudt: de macht van het kwaad, de duivel, de satan, demonen. Beatrice de Graaf schrijft er over in haar boeken over terrorisme en terrorismebestrijding. Zo wordt het thema of beter, de persoonlijkheid en de macht van het kwaad, zichtbaar gemaakt en dat is goed. Wie de duivel verzwijgt, speelt hem in de kaart. Persoonlijk heb ik de indruk dat we er als kerken goed aan doen om de duivel duidelijker op de kaart te zetten. Ik heb soms de indruk dat de duivel ook van de kerk een doek heeft gekregen om zich onder te verschuilen, een die hem zelfs onzichtbaar maakt (ik heb laatst de films van Harry Potter weer eens bekeken met m’n gezin…). In dit blog schrijf ik wat zoekend en vragend, om te achterhalen welke plek het kwaad als tegenmacht krijgt in de gereformeerde liturgie. En ik eindig met een aanbeveling.

Script

Het script van de liturgie betreft het uitgeschreven deel van de liturgie in formulieren, liederen, gebeden. Kijk ik in het Gereformeerd Kerkboek (2017) en kijk ik voor deze blog in de formulieren en gebeden, dan komt de duivel nauwelijks voor. Niet in de schuldbelijdenis en genadeverkondiging, een keer in het gebed na de preek in de leerdienst (blz. 628), in het Groot Kerkgebed alleen op twee plaatsen (1.3: ‘de macht van het kwaad’; 4.5: ‘duivelse cocktail’). In de doopformulieren (1 en 3, doopformulier voor de doop aan volwassenen) wordt hij genoemd om tegen te strijden (in 2 wordt hij niet genoemd). In het formulier voor openbare geloofsbelijdenis wordt de duivel niet genoemd en ook niet in de avondmaalsformulieren. De teneur in de doop- en avondmaalsformulieren is dat een mens bevrijd wordt van zijn schuld en zonde. De duivel wordt gezien als vijand (bij de doop), maar krijgt verder geen enkele aandacht. Nergens blijkt een ‘leer over de duivel’.

Heidelbergse Catechismus

In de Heidelbergse Catechismus (ik reken het voor het gemak even bij het script van de kerk, als kerkelijke verwoording van geloof bedoeld als leerstof voor de jongeren en preekstof voor de gemeente) wordt de duivel een heel aantal keren genoemd (in zondag 1, 4, 12, 13, 43, 48 en 52), maar zijn werk wordt nergens uitgewerkt. Het valt op, omdat van de ellende van de mens veel werk wordt gemaakt in zondag 2-4. In zondag 1 worden twee soorten van bevrijding genoemd: Jezus heeft ons bevrijd van de zondeschuld en Jezus heeft ons bevrijd uit alle macht van de duivel. Als de eerste wel wordt uitgewerkt, waarom de tweede niet? In zondag 4 wordt het werk van de duivel genoemd in een bijzin, terwijl de hoofdzin de mens beschrijft als schuldige (‘Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd’.). Ik word na zo’n zin nieuwsgierig naar een ‘leer’ over de duivel, maar die blijft achterwege. Wat op de voorgrond blijft hangen, is het feit dat ik de ellende aan mijzelf te wijten had (‘had’, in zondag 4 belijd ik als iemand die verlost is. Maar goed, als ik dan toch mijn geluk verken, is het prettig als dat geluk totaal goed in beeld gebracht wordt.). In zondag 12 vechten we als koningen tegen de dubbele dreiging: tegen zonde en de duivel, terwijl we ook belijden dat koning Jezus ons beschermt en bewaart bij de verworven verlossing. In zondag 13 wordt dat nog eens beleden vanuit het oogpunt van de ‘Heer’: hij heeft ons vrijgekocht van al onze zonden en verlost uit alle macht van de duivel. Zondag 43 verbindt liegen en bedriegen met ‘duivelswerk’. Zondag 48 noemt alle macht die tegen God opstaat ‘werken van de duivel’. Tenslotte noemt zondag 52 de duivel, samen met de wereld en ons eigen vlees, één van onze doodsvijanden. 

Vertekening

De HC brengt twee oorzaken van onze gebrokenheid en schuld in beeld – zonde als daad (mens) en zonde als macht (duivel) – en werkt er maar één uit in zondag 2 en 3. Waarbij tegelijkertijd wordt ingezoomd op de rechtvaardige straf van God voor de mens. Aan Gods rechtvaardige straf moet in tijd en eeuwigheid worden voldaan. Het is vergelijkbaar met wat er in de liturgische formulieren zichtbaar wordt. Wat hierdoor kan gebeuren, is

1. dat mensen ten aanzien van hun zonden vooral worden geconfronteerd met hun zondige daden. En niet of veel minder met de macht daarachter, tegen wie zij zelf geen verweer hebben. Mensen moeten echter ook horen dat ze slachtoffer zijn (vergelijk ook het pleidooi van Henk ten Brinke in het ND van 19 december 2018, Erfzonde is geen noodlot, blz. 6). Zo goed als mensen niet weten hoe groot God is als ze Hem dienen, zo weten ze ook niet hoe groot de satan is als ze de macht van de zonde dienen. Je kunt niet tegen de zonde op, omdat de Macht van de Zonde voor de mens te sterk is. En

2. dat mensen gaan denken dat het in de geestelijke strijd gaat tussen God en de mens. Zondag 4 formuleert in dat opzicht zo, dat dat misverstand kan ontstaan. Terwijl het werkelijk anders is: in de geestelijke strijd gaat het tussen God en satan en het menselijke hart is het slagveld waarop en waarom die beiden strijden (I Petrus 3; Matteüs 6,13; I Johannes 5,18.19; Efeze 6,12; vergelijk ook Johannes 8,34; Hebreeën 2,14 en 15; I Johannes 3,8).

Tot zover het script van de liturgie, ruim genomen. Zetten we dit af tegen wat we vinden in de Dordtse Leerregels en de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan vinden we het volgende.

Dordtse Leerregels

In DL I, veroordeling 7 wordt de duivel genoemd als ‘aanvechter’, in DL III,1 wordt de duivel genoemd in de zin ‘op ingeven van de duivel is hij (de mens, rrr) uit eigen vrije wil van God afgeweken’. In de inleidende tekst wordt de satan alsvolgt genoemd: ‘In deze synoden hebben de trouwe knechten van Christus door gemeenschappelijk gebed, overleg en inspanning zich dapper ingezet voor de kerk en de waarheid van God en zich gekeerd tegen de knechten van satan, ook al deden dezen zich voor als engelen van het licht.’ In DL V,3 staat: ‘Doordat deze zonden nog in hen overgebleven zijn en bovendien de wereld en de satan hen steeds aanvechten, zouden de bekeerden in de genade niet staande kunnen blijven, als zij aan zichzelf werden overgelaten.’ DL V,4 stelt: ‘Gods macht waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, is zo groot, dat zij niet door het vlees overwonnen kan worden. Toch werkt God bij de leiding van hun leven niet altijd zo in de bekeerden, dat zij in sommige gevallen door hun eigen schuld niet zouden kunnen afdwalen van de weg waarop zij genadig geleid worden; zij worden dan verleid door hun zondige begeerten en volgen die. Daarom moeten zij voortdurend waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. Wanneer zij dit niet doen, bestaat niet alleen de mogelijkheid dat zij door het vlees, de wereld en de satan meegesleept worden en tot zware en afschuwelijke zonden gebracht worden, maar gebeurt het ook werkelijk dat zij daarin – en God laat dit rechtvaardig toe – soms worden meegesleept.’ Tenslotte staat in DL V,15: ‘Weliswaar wordt deze leer door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat’.

DL V,3 laat iets meer zien: de mens is niet opgewassen tegen de machten van de satan. Maar veel is het niet. De mens wordt vooral en bij herhaling aangesproken op zijn schuld. Overall genomen is het beeld van de DL goed te vergelijken met dat van de HC.

Nederlandse Geloofsbelijdenis

De NGB is explicieter. Neem NGB art. 12: ‘De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn. Uit alle macht loeren zij als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten.’ In NGB art. 13 over Gods voorzienigheid wordt tot twee keer toe de duivel genoemd als degene die door God in toom wordt gehouden. In NGB art. 14 belijdt de kerk over de mens: ‘Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking.’ Over de macht van de zonde staat in hetzelfde artikel: ‘Daarom verwerpen wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, omdat de mens slechts een slaaf van de zonde is en niets kan aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn (Joh. 3:27).’ In NGB art. 34 (over de doop) is er sprake van Jezus als de Rode Zee en farao als de duivel: alleen in Christus is er verlossing. NGB art. 37 (over het laatste oordeel) stelt tenslotte: ‘Zij zullen wel onsterfelijk worden, maar alleen om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matt. 25:41).’

In de NGB wordt er vergelijkbaar gesproken als in de DL, maar toch uitgebreider. Er ligt een duidelijker accent op de machteloosheid van de mens in zijn verweer tegen de duivel.

Conclusie

Het is met name de NGB en in mindere mate de DL die de waarneming ondersteunt dat de mens de inzet is van strijd tussen God en satan. Daarmee is de verwerking van de duivel in het liturgisch script bepaald bleek te noemen. De risico’s onder ‘vertekening’ die ik hierboven noemde zijn dan ook aanwezig. God vecht niet tegen de mens, maar wel om de mens (Matteüs 1,21). Het is hoog tijd om een compleet en eerlijk beeld te geven van de geestelijke strijd tussen God en satan en hun slagveld in het menselijke hart. Het gaat er daarbij niet om om te doen alsof de mens niet (helemaal) schuldig is. Daarvoor laat de schrift geen ruimte. Maar het benoemen en uitwerken van de macht van het kwaad, laat alleen maar des te sterker zien hoe wij verlossing nodig hebben. We hebben niet alleen vergeving nodig omdat we zondigen en domme dingen doen en ook hebben we niet alleen de aansporing nodig om in de kracht van de Geest te leven, als kinderen van het nieuwe koninkrijk. We hebben verlossing nodig, omdat de mens na zijn pact met het Kwaad geen enkel verweer heeft tegen dat Kwaad. Alle argeloosheid is misplaatst en elke ontkenning van de duivel is een knieval voor hem. De mens is schuldig en hij is slachtoffer tegelijk. Simul peccator et victima. Dat vraagt om aandacht in de liturgie en zal de feestvreugde van de verlossing vergroten.

Liturgie van de maaltijd – 3. overschot

Wie in de kerk leert genieten van de schuldloze ruimte die God schept, wordt daarbij stilgezet in de prediking, maar ook in de sacramenten. Aan het avondmaal wordt je er aan herinnerd, niet als iets van ooit, maar als iets van nu: vandaag leeft de kerk in de schuldloze ruimte die God schept en de kerk in navolging van God in Gods Naam. Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Wie God leert kennen als degene die vergeeft en liefheeft, leert tegelijkertijd zien dat Hij een God van overvloed is: zijn genade is genade op genade, zoals Johannes stelt in Johannes 1,16. Zichtbaar wordt die overvloed, niet alleen in vergeving en verzoening, ook aan tafel: water wordt wijn (Johannes 2) en een leeg visnet wordt een visnet dat overvol wordt binnengehaald (Johannes 21). Liturgie van de maaltijd – 2. overvloed

Overvloed – overschot

Iedereen weet dat een overvloedige maaltijd overschotten heeft. Wat doe je daarmee? Mijn moeder heeft de oorlog meegemaakt. Zij gooide geen eten weg. Eens in de week was er kliekjesdag en aten we wat over was van eerdere maaltijden. Mijn moeder had zelfs moeite met het weggooien van oude koffie. Ze warmde oude koffie geregeld op, altijd vermengd met melk, verwijderde de vellen en dronk de koffie. Ik denk er met afschuw aan terug. Maar het vertelt me ook iets van een generatie die wist dat voedsel kostbaar was en is. Ik gooi nu veel eerder eten weg en ben mijn schroom daarbij wat kwijtgeraakt. Mijn moeder was getekend door de oorlog. Toen ze stierf vonden we boven in haar kledingkast een behoorlijke voorraad blikgroente. Een soort overlevingspakket voor als er weer eens oorlog zou komen. Eten was voor haar kostbaar. Ze gooide niks weg.

In de bijbel zijn er ook van die ‘overschot-verhalen’. Ruth las aren op het veld en raapte bijeen wat de arbeiders lieten liggen van de oogst. Dat was in die tijd een normale manier van armenzorg. Rijkdom brengt met zich mee dat je over hebt om van uit te delen (I Timoteüs 6). Er is ook het verhaal van de twaalf manden brood die overbleven nadat Jezus van twee vissen en vijf broden meer dan vijfduizend mensen had gevoed. Bij dat laatste verhaal is het minder duidelijk wat de betekenis is van die twaalf manden. Het staat er in ieder geval niet bij.

God zorgt

In Lucas 9 worden de 12 uitgezonden, Israël in. Ze mochten niks meenemen, zelfs geen brood voor onderweg. Ze moeten ervan doordrongen raken dat God voor ze zorgt. Dat blijkt later ook zo te zijn uitgepakt (Lucas 22,35. Dat deze maatregel uit Lucas 9 geen aanbeveling is om altijd in blind vertrouwen op God op reis te gaan zonder voorbereidingen, wordt door het vervolg van Lucas 22 wel onderstreept…). Jezus lijkt ze op de proef te stellen. Als de vijfduizend een plekje moeten gaan zoeken om te eten, zijn er enkel vijf broden en twee vissen. Het zou kunnen zijn dat ze dit voedsel net hebben gekregen van mensen bij wie ze waren geweest. Zelf hadden ze niks, dit hebben ze gekregen. Jezus stelt vrolijk voor om dit voedsel aan Hem te geven. Dat is één keer weggegeven. Vervolgens bidt Jezus, zegent het en begint het te breken en te delen. Dat moet toch voor de leerlingen de omgekeerde wereld zijn geweest: dit voedsel was voor hun en Jezus geeft het weer weg. Zullen zij met een lege maag achterblijven? Durf in zo’n situatie je eten maar eens weg te geven. Maar ze doen het en komen niet bedrogen uit. De menigte krijgt genoeg en voor iedere leerling van de twaalf blijft één mand voedsel over: twaalf manden vol. Dat is een bijzondere manier om aan je voedsel te komen: door te delen van wat je hebt, hou je een overvloed over voor jezelf. Deze restanten in twaalfvoud vormen een getuigenis: God zorgt echt wel voor je. Ik heb geen idee wat er verder mee is gedaan. Hebben de leerlingen die manden meegenomen, ieder één? Omdat het verhaal er verder niks over zegt, lijkt me de betekenis in ieder geval te zijn dat Jezus zijn leerlingen wijst op God die te vertrouwen is. Zelfs als je je terecht ontvangen brood deelt met de mensen om je heen, laat God je niet los. Hij zorgt.

Verspilling

Dat is dus één betekenis van resten van je eten: God laat zien dat Hij voor je zorgt. Maar stel, je bent daarvan doordrongen. En dan? Wat zou je er dan mee doen als je de tafel afruimt? Ik vind het drinken van oude koffie door mijn moeder behoorlijk ver gaan (en overdreven: mijn moeder zou blij zijn met de Senseo’s van nu: nooit teveel, altijd precies genoeg!). Maar is weggooien dan het alternatief? Van rijkdom deel je uit, lijkt eerder het devies in de schrift. Ruth profiteerde van Boaz’ rijkdom en Paulus raadt Timoteüs aan om de rijken tot hetzelfde gedrag als Boaz aan te sporen. Nienke Boone (Nienke Boone) vertelt dat verspilling een groot probleem vormt in het kader van de uitstoot van CO2. Na China en de VS zorgt verspilling voor de grootste uitstoot van CO2 (3,3 gigaton). Ze maakte mij erop attent dat bijvoorbeeld een overrijpe banaan niet zomaar staat voor iets dat bedorven is en kan worden weggegooid. Met het weggooien van zo’n overrijpe banaan gaan land, water, tijd en energie (verplaatsen via vervoer over water) ook de prullenbak in. Al met al gooien Nederlanders per persoon per jaar gemiddeld 50 kg aan voedsel weg. Dat is heel erg veel overtollige uitstoot van CO2. Het is daarom belangrijk om stil te staan bij je afval en jezelf de vraag te stellen, of je er niet iets zinnigs mee kunt doen. Weggooien is vaak een vorm van verspilling, die je creatief zou moeten maken. Tenminste, als de aarde je lief is en de kwaliteit van jouw leven en dat van anderen.

Maar, zo vraag ik me af, wat voegt de kerk toe aan het rijtje dat Nienke Boone noemt? Wie eten weggooit, gooit land weg, en tijd, en water en energie. En wat nog meer? Als wij leven van genade in Gods schuldvrije zone, als wij leven in overvloed als teken van Gods overvloedige genade, als de resten van ons eten ons vertellen dat God echt voor ons zorgt en daarin betrouwbaar is en verder dat ontvangen rijkdom is om ervan uit te delen, dan durf ik het wel zo te zeggen: wie eten weggooit, gooit land weg, en tijd en water en energie…en overvloedige genade. Dat stemt me tot nadenken: hoe dien ik Jezus, hoe dien ik God met wat ik overhoud van mijn eten? Weggooien kan nodig zijn, niet alles is te bewaren. Maar Gods trouw zien in mijn afvalbak, dat prikkelt: moet het daar zijn, of kan ik er nog iets mee doen? Toen ik hier een preek over hield, noemde ik in het slotgebed onze vuilnisbak ‘zelfs een heilige plaats’. Het floepte er zomaar uit, maar ik vind dat er waarheid in zit. Zo wordt het een uitdaging om over etensresten na te denken met de vraag wat je er nog mee kunt.

Creatief

Vandaag wordt er heel wat gekookt met schillen (koken met schillen). Er zijn allerlei recepten voor die je helpen met wat we ‘culinair recyclen’ noemen. En herstel de kliekjesdag. Laat je uitdagen!

Liturgie

Je huisliturgie verandert er door. Je maaltijden laten zien dat voedsel kostbaar is, dat je bent gegroeid in je begrip van genade. Daar ga je gewetensvol mee om. Je gaat in de kerk vooral niet moeilijk doen over brood dat over is van de viering van het avondmaal en elders opgegeten wordt. Je kunt het zelfs zien als een voortzetting van deze maaltijd. Het is goed mogelijk om in de kerk een uitwisseling te bevorderen van recepten die iets doen met wat we nu afval van voedsel noemen.  Je kunt het natuurlijk ook  zoeken in zuiniger koken. Dat heeft alleen als nadeel dat je minder ziet van de overvloedige genade van God. Genade die bedoeld is om van uit te delen, omdat het altijd meer is dan wat je voor jezelf nodig hebt.

Liturgie van de maaltijd – 2. overvloed

Als ik nadenk over eten en drinken, klinken altijd de woorden uit Genesis 3 in mijn hoofd. Woorden die tot de man worden gesproken, omdat hij en Eva zich hebben vergrepen aan de boom van kennis van goed en kwaad. Je moet er van afblijven, van die boom en van de levensboom, had God gezegd. Als je er toch van eet zul je sterven. Dat hebben ze geweten, Adam en Eva. ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ (Genesis 3) ‘Sterven’ blijkt bij God een rekbaar begrip. Zeker betekent het dat mensen dood gaan. Maar het betekent ook dat de vrouw moeite zal ervaren bij het krijgen van kinderen en dat de man alleen met pijn en moeite zijn werk zal doen. Sterven doe je niet alleen aan het slot van je leven. Je doet het je hele leven. Dit resoneert in mijn hoofd als ik denk aan God in combinatie met eten en drinken: moeilijk, leven met een vloek van God die je leven kleurt als een stervensproces. Het leven zelf wordt geraakt in de vloek van God: nageslacht krijgen wordt moeizaam, brood op de plank net zo. Terwijl het toch vanaf het begin anders was bedoeld: een soort eten uit de hand van God (Genesis 1,29). Maar is het ook zo in het leven van alledag: what you see is what you get? Heb ik als christen misschien een te sombere blik?

Herschepping

Het begint voor het volk Israël al vroeg te kantelen. In de eerste hongersnood brengt God een ommekeer. Jakob en de broers van Jozef leven van onverwachte genade (Genesis 45,5.6). Onverwacht en onverdiend. God is een God van overvloed. En later in de geschiedenis stelt God zijn volk Kanaän in het vooruitzicht. Dat is een land dat overvloeit van melk en honing (Exodus 3,8). Zo ligt het klaar voor het volk, alsof ze in een gespreid bedje komen. Welkom, niet in eigen huis en haard, maar God schept ruimte voor zijn volk. Zelfs in ballingschap mag het volk zegen verwachten voor zichzelf als het aangespoord wordt om te gaan settelen in Babel: woon er, verwek er kinderen, bid voor de stad, bouw aan de stad. God zoekt ons geluk, staat er dan zelfs bij (Jeremia 29). In het Oude Testament is al veel te zien van Gods ontferming over zijn volk. Er is veel te zien van God die dan niet zuinig is in zijn ontferming, maar overvloedig. Als het gaat in de taal van de maaltijd, is Jesaja 25 niet te missen. Daar zie je in het hart van God. Het is een maaltijd waar nog geen rekening gehouden wordt met diëten en beperkte aantallen calorieën of koolhydraatarme recepten. Het gaat er uitbundig aan toe. God laat zich telkens kennen als een God van overvloed.

Johannes 1 laat zien dat Gods Zoon lijkt op zijn Vader. Jezus wordt in Johannes 1 geportretteerd als Gods nieuwe begin. Alhoewel, nieuw. Hij was er ook toen God met de schepping begon. God heeft echter zijn schepping nooit losgelaten, ook niet toen deze schepping zich van Hem afkeerde. Er is sprake van duisternis en van mensen die horen bij deze duisternis. Maar er zijn ook kinderen van het licht, mensen die het Woord van het begin, Jezus, volgen. Deze mensen ontvangen genade op genade, stelt Johannes 1,16. ‘Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt’, zo vertaalt de NBV het. Bij ‘genade op genade’ dacht ik tot voor kort vooral aan vergeving en bevrijding, mogelijk genezing. Maar het lijkt er sterk op dat Johannes dat breder ziet. Wie Jezus volgen is het recht gegeven om kinderen van God te worden, stelt Johannes 1,12. Natuurlijk gaat dat over vergeving en verzoening. Maar het eerstvolgende hoofdstuk gaat over iets anders. In hoofdstuk twee is er de bruiloft in Kana die beschreven wordt. Overvloed, overvloedige genade of genade op genade, krijgt daar de betekenis van feest, zichtbaar in verrassende, zeer goede wijn, die Jezus daar ter plekke schept uit gewoon water. God spreekt en het is er, wordt hier weer zichtbaar. Tot mijn verrassing in voedsel. Zomaar is de aansluiting bij Genesis herkenbaar. God die het leven goed en overvloedig inricht voor zijn schepselen. Ook in eten en drinken. Gods volk eet uit de hand van God. Je kunt zeggen: het is een bruiloft. Mooi dat Jezus met zijn eerste wonder het bruiloftsfeest redt. Maar mogelijk niet voor herhaling bedoeld. Ik vind het echter opvallend dat dat accent van de overvloed in het slothoofdstuk van Johannes, hst. 21, opnieuw wordt geraakt. Lees ik teveel in de scène van de wonderlijke visvangst als ik het vissen van de leerlingen eerst zie als een eigen poging om met veel moeite (vloek Genesis) brood op de plank te krijgen, en na de ‘tip’ van Jezus zie als een zoveelste uitwerking van ‘genade op genade’: Gods genade is zichtbaar tot in het dagelijkse voedsel toe. Voor en na de opstanding van Jezus is er de ruimgevende en royale God die in overvloedig voedsel zijn ruimhartigheid laat zien.

Delen en ontvangen 

De nieuwtestamentische gemeente blijkt dan ook een delende gemeente te zijn (Handelingen 2 en 4) en Paulus herinnert de Korintiërs er aan dat ze niks van wat ze hebben of bezitten, zelf hebben meegebracht (I Korinte 4). Het laat allemaal goed zien wie God is en hoe Hij graag ziet dat zijn overvloed wordt ontvangen en uitgedeeld, in plaats van gezien als eigen bezit, zelf verdiend en om voor jezelf te houden. God dompelt zijn wereld onder in zijn overvloed. Het zegt volgens mij veel, als op zoveel plaatsen in de wereld niet genoeg te eten is of zelfs honger is. Het heeft er alles van dat we er niet in slagen als mensheid om de ruimhartigheid van God in praktijk te brengen. We weten inmiddels dat er genoeg is voor iedere levende ziel op aarde. Maar kijken naar de honger op aarde stimuleert wellicht niet om te leren delen. Juist de overvloed die velen van ons hebben, nodigt ons uit om eerlijk te kijken: heb ik dat allemaal bij elkaar verdiend? Is het van mij of krijg ik het? Wie in die overvloed zijn genadige God gaat ontdekken, die leert te delen. Wat ik heb gekregen, is van God en vraagt om te worden gedeeld.

Soberheid

Als God een God van overvloed is, wat betekent het dan dat er in de bijbel ook aandacht wordt gevraagd voor soberheid? God heeft een hekel aan decadentie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de profeten (bv. Amos). Paulus maant ook om tevreden te zijn met wat je hebt en waarschuwt de rijken (I Timoteus 6). Geldzucht wordt in datzelfde hoofdstuk ook nog eens de wortel van alle kwaad. Mijn gedachte daarbij is dat in de schrift alert wordt gereageerd, als mensen hun eigen welvaart gaan organiseren (en veilig stellen). Dat loopt zomaar uit de hand. Wie rijk is wordt niet afgeserveerd als hebbert, maar wel gewaarschuwd om je vertrouwen vooral op God te blijven stellen. Je krijgt je rijkdom van God zelf en als zodanig kun je er volop van genieten en van uitdelen. Het mooie is dus dat God zelf niet vanuit de mogelijke ontsporing van mensen, zelf zuinig wordt. Integendeel. Juist omdat Hij een God van overvloed is, hoeft geen mens zich zorgen te maken. God zorgt.

Liturgie

Voor de liturgie betekent dit, dat we in onze huizen aan tafel volop kunnen genieten van de overvloed die God ons geeft. Het betekent dat we volop onze medemens kunnen laten delen in de rijkdom die God ons geeft. Geen zuinigheid alstublieft, maar vier de overvloed die God geeft en wees als God goedgeefs. Het zou weleens op z’n plek kunnen zijn, bij aangeleerde ‘calvinistische’ zuinigheid, om elkaar te leren om vrij te genieten van wat God geeft. Vrij, dus niet met weggestopte schuldgevoelens gepaard. Dat lijkt me in het licht van wie God zelf is, eerder aan God tekort doen dan dat we Hem met zo’n houding dienen of zichtbaar maken.

Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Liturgie van de maaltijd – 1. avondmaal

Eten met Jezus is een thema dat aandacht genereert. er zijn verschillende boekjes over verschenen (Tim Chester, Met Jezus aan tafel; Stefan Paas, Eten met Jezus en onlangs nog van Peter-Ben Smit (ed.), Rond de tafel). Geregeld gaat het dan over maaltijden waaraan Jezus deelneemt. Aan die maaltijden wordt van alles gezegd en gedaan, waarvan mensen leren. Terecht om dat aandacht te geven. Waar ik in deze blogs aandacht voor vraag, is voor de maaltijd zelf. Dus: hoe kijken we naar ons voedsel? Liturgisch geformuleerd: wat vieren we op deze wereld als wij eten? Zichtbaar voor elkaar als christenen, maar net zo goed voor mensen die God niet kennen. Wellicht zijn het je gasten aan tafel.

Allereerst sta ik stil bij het avondmaal. Een tweede blog gaat over een gewone maaltijd. Een laatste blog gaat over de ‘leftovers’, de restjes of de kliekjes van de maaltijd. In de vroege kerk was het avondmaal in de kerkelijke viering een onderdeel van de liefdemaaltijd. Men at met elkaar en liet elkaar delen in wat men voor elkaar meenam om op te eten. Nu is dat niet meer zo en dat is best jammer, omdat we nu meer moeite moeten doen om de samenhang tussen avondmaal en gewone maaltijd aan te wijzen.

Brood en wijn

Brood en wijn maken meteen duidelijk dat het aan het avondmaal gaat over de Heer Jezus Christus. We eten en drinken hem, in symbolische tekenen brood en wijn. Hij vergelijkt zich immers met brood en wijn. Het avondmaal is een gedachtenismaaltijd van de kerk. Echt niet alleen op z’n Zwingli’s, alsof het alleen een terugdenken is aan Jezus’ lijden en sterven. Het is een tegenwoordig stellen van dat gebeuren. Het is nu waar, nu van betekenis, deze maaltijd heeft impact op mijn leven nu. Maar wat is dan waar en van betekenis en hoe wil je leven dan?

Verkondigen en scheppen

De maaltijd van de Heer gaat over een door God geschapen schuldloze zone. Dat kleurt de maaltijd van de kerk. Die schuldloze zone betekent niet dat er binnen die zone geen zonde meer is, maar wel dat dat er geen schuld meer is (Matteüs 26,28). Je kunt zeggen dat Jezus deze zone schept. Je kunt evengoed zeggen dat Jezus het scheppende vermogen om deze schuldloze zone aan te bieden aan mensen, in handen legt van zijn kerk. Vooral in handen legt van zijn kerk, kun je wel zeggen.

Ik maak een kleine omweg en kom dan weer terug bij de schuldloze zone. Er zijn mensen die beweren dat de woorden van Jezus belangrijker zijn dan de woorden van Paulus bijvoorbeeld, of andere latere schrijvers.  Daar zou Jezus het niet mee eens zijn. Hij geeft immers de prediking met beloofd effect in handen van zijn leerlingen (Johannes 17,20, waarbij je zou kunnen stellen dat de brieven mogelijk kunnen worden gezien als een soort van eerste commentaar op het onderwijs van Jezus. Zo oppert tenminste Fleming Rutledge.) Later, in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs, stelt Paulus dat het woord over het kruis voor ons die gered worden, de kracht van God is. Dat ‘woord’ is het gepredikte woord door de leerlingen van Jezus. Daarom wordt het woordje ‘woord’ ook wel weergegeven met ‘boodschap’ (NBV) en ‘gepredikte woord’ (in de exegese).

Zo kom ik weer uit bij de betekenis van het avondmaal. De kerk verkondigt (I Korintiërs 11,26: niet op te vatten als verkondiging door het vieren zelf, maar als verkondiging met woorden. ‘Verkondigen’ is steeds ‘met woorden’.) het woord van het kruis. Dat woord bevat kracht van God. God spreekt en het is er. Maar nu spreekt de kerk en het is er: God geeft kracht aan die woorden, scheppingskracht. In navolging van Jezus schept de kerk door de prediking en door ieder die het woord van het kruis spreekt, de schuldloze zone. En aan de avondmaalstafel wordt deze schuldloze zone zichtbaar in brood en wijn die gedronken en gegeten wordt door de avondmaalsgangers. In volledige vrijheid!  Zelf ben ik allereerst een representant van die schuldvrije zone.

Uitnodigend leven

De maaltijd van de Heer wordt gevierd in de schuldloze zone. Het herinnert me aan de taak van mijzelf en van de gemeente in de wereld: het scheppen van zo’n schuldloze ruimte en de nodiging aan de mensen aan wie dit evangelie wordt gebracht, in die schuldloze zone te stappen. Het vraagt om een manier van leven die niet veroordelend is. Maar juist om een manier van leven die het oordeel van mensen over zichzelf en anderen aan de orde stelt en er uit haalt (Johannes 8:  ook ik veroordeel u niet). Een nodiging om de maaltijd als teken ervan mee te vieren.

Nieuw

Voor mij was het nieuw om over het woord van het kruis te spreken als een scheppende kracht. En ook dat we als volgelingen van Jezus de positie hebben ontvangen om met God mee te scheppen.  Waar dit bij het avondmaal zichtbaar wordt als een woord dat ruimte schept, blijkt in elke maaltijd de ruim gevende God aanwijsbaar te zijn. Daarop ga ik in in de volgende twee blogs.

Samenkomen

Kerkdienst als ankerpunt
Kerken zijn zomaar gericht op de samenkomst op zondag. Daar is niks mis mee, want daar gebeurt iets moois. Het lichaam van Christus komt daar samen, het Woord wordt gebracht, de lofzang klinkt en doop en avondmaal worden daar gevierd. Kerk en wereld ontmoeten hier elkaar, in de gemeente die in de wereld leeft en deze meebrengt in de ontmoeting met God in de samenkomst. Gasten onderstrepen dit. En opgebouwd en geïnspireerd door de Heer van de kerk gaan de bezoekers van de diensten de wereld weer in. Hier werkt de Geest. Toch is de kerkdienst als ankerpunt van de christelijke gemeenschap een vorm die zichzelf zomaar verzwakt.

Verzwakt
Dat gebeurt wanneer de samenkomst hèt ontmoetingsmoment wordt van de kerk van Christus. Dat vindt plaats als, kort gezegd, de gemeente er vanuit gaat dat aanwezigheid in de samenkomst hoort en afwezigheid niet hoort; als opzoeken van gemeenteleden die niet komen in het teken staat van ‘terughalen naar de kerkdienst’. De kerkdienst als ankerpunt van de christelijke gemeenschap wordt helemaal verzwakt, wanneer de omgang door de week met broers en zussen in Christus achterwege blijft als deze niet komen in de kerkdienst. Of overgelaten aan ambtsdragers, soms met het motief dat we niks hebben met degenen die we (vaak al een poosje) niet meer zien.

Wat in de bovenstaande gedragslijn namelijk opvalt is dat de christelijke gemeenschap samenvalt met ‘naar de kerkdienst komen’. Daarmee wordt de kerkdienst zelf verzwakt, omdat de denkrichting is: de gemeente hoort hier samen te komen, dit is de plek van samenkomen. Verzuimd wordt om de andere kant op te denken: de gemeente hoort ook bij degenen die niet meer komen en dus moeten we de dienst uit en de ander opzoeken. Samenkomen is niet iets van de zondag alleen, het is iets dat christenen typeert op elke dag van de week.

Ik wil niks afdoen aan het belang van de ambtelijk gestructureerde ontmoeting tussen gemeente en God. Samenkomsten waar mensen samenkomen onder leiding van mensen die de gemeente heeft aangesteld om haar te leiden, mensen die ook door God tot die taak zijn geroepen, die zijn gewichtig. Daar mag je veel van verwachten, omdat God zich ook via deze geroepen mensen verbindt aan de gemeente. Het is dan ook te snappen als er een gevoel van gemis is bij de gemeente die samenkomt, als anderen wegblijven. Maar een gemeente die haar leden laat lopen in de wereld en ze niet meer zoekt, begrijpt haar verantwoordelijkheid niet voor haar leden. Een gemeente die haar leden opzoekt met het oog op hun terugkeer naar de kerkdienst, verzuimt te bedenken dat de Heer van de kerk het verlorene zoekt en blij is als Hij het vindt (Lucas 15,1-10: niet het terugbrengen staat centraal, maar het vinden). De kerk is daar waar je je als gelovige bevindt (vergelijk het spreken van Paulus over de individu en de gemeente als tempel van de Heilige Geest in de brief aan de Korintiërs, I Korinte 3,16 en 6,19). Waar ik een broer of zus door de week opzoek, daar is Christus in ons midden en daar is dan ook de kerk. Het is mooi om degene die je bezoekt, daarvan op de hoogte te stellen. Verder moet er vooralsnog even helemaal niks. Geen agenda ‘kerkgang’ alstublieft, maar ter plekke de kerk vieren.

Aanhaken
Waarom is dit belangrijk? Omdat de broer en zus die de kerkdienst niet meer bezoeken, daar kennelijk geen boodschap meer aan hebben. Dat kun je erg vinden, maar dat oordeel zit me zomaar in de weg om te laten gebeuren wat ik kom doen bij die ander: kerk-zijn vieren. Hen terug willen halen, is hetzelfde als investeren in wat als irrelevant of als obstakel wordt ervaren door die broer en zus. Dat gaat ‘m niet worden. Stoppen met terugroepen naar de kerk is natuurlijk niet hetzelfde als meedoen met de ander en suggereren dat de kerkdienst eigenlijk onbelangrijk is. Maar het is wel aanhaken bij die ander. En waar je de ander eraan herinnert dat jij-bij-hem-en/of-haar ook kerk-zijn is, is evangelie. Als de berg niet tot Mohammed komt, zal Mohammed tot de berg gaan.

Groot Kerkgebed
In dit kader is een verwijzing naar het Groot Kerkgebed in het Gereformeerd Kerkboek – I op z’n plek (Gereformeerd Kerkboek, 2017, Royal Jongbloed in Heerenveen, blz. 629vv.). In 3.4, blz. 648, staat een gebed getiteld ‘Afgedwaalden en leden die vervreemden van kerk en God’. Steeds is er de vraag aan God of Hij deze vervreemden en afgedwaalden wil terug brengen ‘bij u en ons’. Geen woord wordt gewijd aan gebed voor de gemeente, die (als Jezus) dient uit te gaan in Jezus’ Naam om de vervreemden en afgedwaalden te zoeken. Daarmee zet je de gemeente in de passieve stand en mis je oog voor de sleutelrol die broeders en zusters vormen in het opzoeken van mensen die men mist. En dat gebed is hard nodig, want de schroom is groot: die zit bij de afgedwaalden en vervreemden (durf ik terug te gaan?) en bij de kerkgangers (durf ik mijn broeders en zusters op te zoeken?).

Mini-liturgie
Een goede vriendin van mij heeft voor het pastoraat mini-liturgietjes gemaakt. In de sfeer van Bid, Luister, Leef, met een lied, een lezing, een stilte, een gedicht en een zegen. Zieken en aan huis gebonden gemeenteleden vinden het prachtig: je brengt de kerk aan huis in je aandacht en meeleven, maar ook in een korte liturgie. Dat zou iedereen op zak moeten hebben, ook als je op bezoek gaat bij mensen die de kerkdiensten om wat voor reden dan ook mijden. Als het kan, samen bidden, luisteren, zingen. En van opdringen van zo’n gezamenlijk liturgisch moment kan natuurlijk geen sprake zijn.

Mogelijk heeft dit zijn weerslag op de mensen die je bezoekt en komen ze ook weer in de kerkdienst. Mogelijk ook niet. Maar de kerk is zo tenminste volop en krachtig aanwezig bij diegenen die zomaar van de gemeenschap vervreemden. De wekelijkse samenkomst wordt niet verzwakt, maar krijgt zijn uitlopers in de week. En iedereen kan dit doen.

Hebreeën 10: samenkomsten
Hebreeën 10 is vanouds een tekst die gaat over samenkomen. Vaak is deze tekst gelezen als woord om mensen van het belang van de kerkdienst te doordringen. Verzuimen is wat wordt verboden. In de Hebreeënbrief staat (10,24-25): ‘Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen.’ Het is heel duidelijk hoe belangrijk de schrijver samenkomen (enkelvoud in het grieks) vindt. Het is meteen duidelijk dat wegblijvers het belang van samenkomen niet onderkennen!
Maar het Griekse woord voor ‘samenkomsten’ is niet zomaar te vereenzelvigen met onze samenkomsten. Je kunt goed zien dat het woord ‘samenkomen’ wordt gekwalificeerd door wat er in zo’n samenkomst gebeurt: bemoedigen, aanvuren om lief te hebben en goed te doen, opmerkzaam blijven, zoals vers 24 zegt. Die woorden vallen op hun plek als je het woord ‘samenkomen’ beter begrijpt. Van Bruggen schrijft er over in het commentaar van H.R. van de Kamp, Hebreeën. Geloven is volhouden, CNT, 3, 2010:
‘Het betekent ‘bijeenvergadering’ of ‘samenbrenging’. Een hele stad kan zijn ‘samengedromd’ op het plein (Mc. 1,33), een duizendkoppige gemeente kan ‘samenstromen’ (Lc. 12,1), gieren ‘komen met elkaar af’ op een lijk (Lc. 17,37) en een kip brengt haar kuikens bijeen onder haar vleugels (Mt. 23,37). Het werkwoord episunagein is dan heel geschikt als aanduiding voor de uiteindelijke bijeenvergadering van alle gelovigen vanaf de vier windstreken (Mt. 24,31). (…) Dit woord wordt nergens gebruikt voor repeterende vergaderingen of bijeenkomsten. Er is dan ook aanleiding om Heb. 10,25 iets specifieker op te vatten.’
Bijeenkomen hier is dus gericht op elkaar meenemen op weg naar Gods reddende en oordelende ingrijpen. Dat bevat meer momenten dan alleen de bijeenkomsten op zondag, maar ook het elkaar opzoeken, met elkaar optrekken, vanuit deze grote drijfveer: blijf gefocused op je redding!

Kinderen en avondmaal

Peter Sinia promoveerde onlangs (20 april 2018) op het onderwerp kindercommunie. Hij studeerde 7 jaar en schreef From the least to the greatest. Children at the Lord’s Supper. Paedocommunion in the Dutch Reformed Tradition. Peter Sinia zou graag ruimte zien voor kinderen aan het avondmaal (Kuijper, ND 20/4). Zelf ben ik jaren bezig geweest met dit thema, maar heb mijn voorbereidingen voor een promotiestudie afgebroken om verschillende redenen. Nu het boek van Peter er ligt, verschijnen ook de eerste reacties.

Geen avondmaal zonder bekering, reageerde Arnold Huijgen (Huijgen, ND 25/4). Wel zegt hij dat catechisatie eerder kan beginnen, zodat kinderen jonger belijdenis kunnen doen en aan het avondmaal mogen. Maar wat is het doel van catechisatie? Wat gebeurt er in het sacrament en wat betekent het om kerk te zijn, met de kinderen erbij?

1. Catechisatie is je doop leren begrijpen.
Catechisatie zou vanuit liturgisch oogpunt onderwijs moeten zijn dat helpt om je doop te gaan begrijpen. Zo beloven ouders bij de doop van hun kinderen dat ze hun kinderen onderwijzen en door de kerkgemeenschap laten onderwijzen. Dat betekent dat catechisatie niet is gericht op wat nog moet gebeuren (tot persoonlijk geloof komen), maar op wat er met de dopeling is gebeurd. Concreet betekent dit, dat de dopeling zou moeten horen dat hij door God op zijn weg is geplaatst vanaf zijn eerste levensbegin. Dooponderricht onthult de werkelijkheid van de gedoopte en plaatst dat in het kader van de leer van het Oude en Nieuwe Testament, zoals de doopouders bij de doop belijden. De Vader beschermt, de Zoon verlost, de Geest eigent die verlossing toe. De ware en volkomen leer van de verlossing gaat over de verlossing waar de gedoopte in ondergedompeld is. Daarmee bedoelt de gereformeerde theologie geen verbondsautomatisme te verwoorden, maar wel de werkzame kracht van God die kenbaar wordt gemaakt bij de bediening van de doop.

De vragen die aan doopouders worden voorgelegd bij de doop van hun kindje, zijn de volgende. Ik gebruik hier de vragen uit de formulieren van de GKv.

Erkent u dat N.N. zondig en schuldig ter wereld is gekomen en uit zichzelf niets
goeds kan doen, en dat hij van nature blootstaat aan Gods toorn, maar dat
hij toch in Christus voor God heilig is en daarom als lid van zijn gemeente
behoort gedoopt te zijn?
Belijdt u dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament die in de Apostolische
Geloofsbelijdenis samengevat is en in deze gemeente verkondigd wordt, de
ware en volkomen leer van zijn redding is?
Belooft u dat u uw zoon/dochter zult voorgaan in een christelijke manier van
leven en hem zo goed mogelijk zult onderwijzen en laten onderwijzen om hem
te leren begrijpen wat het betekent dat hij gedoopt is?

2. Het sacrament onderwijst zelf.
Bovenstaande laat zien dat God door het sacrament heen werkt. Hij laat de kinderen van de kerk leven uit genade. Ze mogen dat als een werkzame werkelijkheid ontdekken in de loop van hun leven. Hun ja op God, als ze dat geven, is een ja in tweede instantie. Het eerste ja is Gods belofte en bewerkt en draagt het tweede. Waar dat bij de doop zo is, is er bij het avondmaal geen reden om te veronderstellen dat het bij dit sacrament ineens een doel is geworden waaraan je deel krijgt na persoonlijk geloof te hebben beleden. Temeer omdat het in de kern van beide sacramenten gaat om dezelfde dingen. Een verschil tussen doop en avondmaal is dat in de doop God handelt aan de mens en dat in het avondmaal de gemeente de handelende persoon is (Schee, v.d.). Maar het is, lijkt me, niet aan de gemeente gegeven om bij het avondmaal anders dan God zelf om te gaan met zijn genade.

Dit is meer dan een gedachte per consequentie, het is ook aanwijsbaar in de schrift zelf. In het Oude Testament was het Pascha de maaltijd waaraan de kinderen deelnamen en zo kwamen tot gedenken van God die zijn volk uitleidde uit Egypte. Jezus gebruikt het avondmaal bij de eerste viering net zo. Leerlingen willen geen lijdende en stervende Christus, al erkennen ze Hem als Messias. Toch viert Jezus deze maaltijd met hen. Pas vlak voor zijn heengaan naar de Vader, opent Jezus het verstand van de leerlingen, opdat ze gaan begrijpen hoe de schrift spreekt over Jezus.

3. Zelfonderzoek is gericht op vieren met de gemeente.
Zelfbeproeving bevat in de gereformeerde avondmaalsformulieren een ongemakkelijke eenzijdigheid. Namelijk haar gerichtheid op het ‘ik’. De gemeente komt in de zelfbeproeving niet of nauwelijks aan bod, terwijl de zelfbeproeving van Paulus in I Korinte 11 juist gericht is op de verbinding met de gemeente. Het is belangrijk om dit ruime aandacht te geven. Zelfbeproeving leidt tot geloven in verbondenheid met de gemeenschap. Dit raakt onze voorstelling van de gemeente en onze verbinding met de gedoopten bij het avondmaal. We worden gedoopt tot één lichaam en we worden gevoed tot één lichaam. Wie stelt dat Paulus in I Korinte 12,13 zegt dat gedoopten in de Geest één lichaam zijn, kan niet eenvoudig zeggen met I Korinte 10,17 dat zij die van het brood eten, één lichaam vormen, en daarbij beweren dat de kinderen niet mogen deelnemen. Terwijl juist het eten en drinken maken dat je bij het ene lichaam hoort. Er zit in de gereformeerde liturgie een ongemakkelijke spanning bij het weghouden van de kinderen van de kerk bij de viering van het avondmaal. Juist het belijdende lid zou door de zelfbeproeving moeten uitkomen bij het omarmen van andere belijdende èn niet-belijdende leden van het lichaam.

4. Het avondmaal alleen voor wedergeborenen?
In de confessies (NGB art. 35 [NGB], HC v/a 81 [HC]) krijgen de wedergeborenen en de gelovigen hun tegenhanger in de goddelozen en de huichelaars. Kinderen van gelovigen krijgen in HC 27 een plaats binnen de gemeente. Ze moeten ‘bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden’. Daarmee horen de kinderen van de kerk in ieder geval niet tot de contrastgroep van de wedergeborenen en de gelovigen in de confessies: het zijn geen goddelozen en huichelaars. Ze horen nadrukkelijk bij de kerk. DL I.17 (DL) spreekt in verband met jong gestorven kinderen zelfs over hun uitverkoren zijn vanwege het genadeverbond. Hoe intens verdrietig de situatie ook is waarover de Dordtse Leerregels spreken, is deze belijdenis van geloof te beperken tot jong gestorven kinderen of zegt het iets over hoe we in de kerk naar de allerkleinsten kijken? Hier blijkt toch de zeggingskracht van het verbond voor de kinderen van de kerk, verwoord in dankbare verwondering? Ik weet dat kleine kinderen gebracht moeten worden door kerkelijk onderwijs tot persoonlijk geloof. Maar de kerk is intussen bepaald niet zuinig of terughoudend in te benoemen hoe ze naar haar gedoopte kinderen kijkt.
Er zijn goede redenen voor de stelling dat over kind en avondmaal confessioneel niets wordt beweerd. Een andere vraag is hoe onze manier van avondmaal vieren past bij de rest van de kerkelijke praktijk. Vraag & antwoord 117 van de Heidelbergse Catechismus gaat over bidden. Wat daar beweerd wordt over een gebed dat voor God aangenaam is, gaat over een wedergeboren bidder.

HC 45, v/a 117

Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?

Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden. Ten tweede dat wij onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen. Ten derde dat wij deze vaste grond hebben, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Er is geen ouder die tegen zijn kind zegt: eerst zelf tot geloof komen, dan mag je pas bidden. Nog een illustratie: onze liturgische praktijk zegt bij het uitspreken of zingen van de geloofsbelijdenis in de dienst niet tegen de kinderen: hou je maar stil, want je weet nog niet goed wat de kerk hier in geloof belijdt. De gemeente belijdt, gelovig en lerend, en kinderen doen mee als leden van het ene lichaam. Je ziet dat waar de confessie en de liturgie de toonhoogte treffen van de wedergeboren christen, de kerk er zomaar de kinderen mee laat oefenen. De kinderen verkondigen op die momenten van de liturgie vrijuit het evangelie mee met de rest van de gemeente. Zou er in het verlengde van deze plaats van de kinderen in de confessie en de liturgie, geen ruimte zijn voor aangaande kinderen aan het avondmaal?

Het zou wat waard zijn als de vraag wordt beantwoord of de verbleekte relatie tussen kinderdoop en avondmaal niet een oorzaak is van het uitblijven van openbare geloofsbelijdenis in onze tijd. En oog hebben voor hoe we in de kerk leren, kan een ontspannen omgang met deze vraag opleveren.

Deze blog is in iets verkorte vorm ook gepubliceerd in het Nederlands Dagblad (Roth ND 11/5).

Promotie

De macht van het kwaad in een gereformeerde liturgie – II (doop/avondmaal)

 

 

Zegenend leven

Onlangs las ik het boekje ‘”Nou, het beste…”. Over zegenen gesproken’ van André de Haan (6e druk, 2008). Het gaf me een beeld bij ‘zegenend leven’. Zegenend leven is belangrijk, omdat de volgelingen van Jezus samen een koninkrijk van priesters vormen (1 Petrus 2,5 en 9), en priesters zegenen (I Petrus 3,9). Tenminste, dat doen ze onder andere. Ze bidden ook, ze onderwijzen en ze offeren. Maar in dit blog ga ik het hebben over zegenen. Zegenend leven. Wie niet zegenend leeft, onthoudt zichzelf veel.

Roeping

Het valt meteen op dat Petrus het heeft over ‘roeping’. Volgelingen van Jezus zijn geroepen om te zegenen. Wat is dat woord ‘roeping’ voor een woord? We kennen het uit onze eigen taal: wie geroepen wordt (aan tafel om te eten bijvoorbeeld), wordt geacht om te komen. Als iemand ‘een roeping’ heeft, dan heeft iemand een sterke overtuiging om iets wel of juist niet te gaan doen. Iemand roepen betekent dat er een soort verwachting wordt duidelijk gemaakt: de persoon die roept wil graag dat je gaat doen wat gevraagd wordt. Zo zie je het in de bijbel ook terug. In I Petrus 2,21 kom je het tegen als Petrus zich richt tot de slaven, die geregeld onverdiend leed moeten verdragen (vers 19). ‘Dit is uw roeping: ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam (vers 21-22). Ook in I Petrus 5,10 kom je het tegen. Dan gaat het over waakzaamheid in de strijd tegen de duivel die als een brullende leeuw rond gaat. Daar kun je van schrikken en je kunt er bang van worden. Maar Petrus zegt dan: ‘Maar al moet u nog korte tijd lijden, God, de bron van alle genade, heeft u geroepen om in Christus Jezus deel te krijgen aan zijn luister. God zal u sterk en krachtig maken, zodat u staande zult blijven en niet meer zult wankelen’ (vers 10). Tenslotte een voorbeeld uit de brief van Paulus aan de Romeinen (Romeinen 8,30). Paulus schrijft daar: ‘Wie hij hiertoe heeft bestemd, heeft hij ook geroepen; en wie hij heeft geroepen, heeft hij ook vrijgesproken; en wie hij heeft vrijgesproken, heeft hij nu al laten delen in zijn luister’ (vers 30).

In alle gebruik van het woord ‘roeping’ zit dit patroon: wat gevraagd wordt, wordt niet vrijblijvend gevraagd. Als God ons roept, wil Hij dat die roeping in ons leven werkelijkheid wordt. In I Petrus is het gelinkt aan de navolging van Christus, in hst. 2,21: beantwoord geen kwaad met kwaad, is daar de boodschap, in navolging van Christus. I Petrus 3,9 heeft precies dezelfde structuur als 2,21 en het heeft ook de setting van vijandschap en bedreiging (zie onder). Zo gelezen wordt I Petrus 3,9 op dat punt helder. ‘zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen.’ God wil in het leven van zijn kinderen zien, dat zij zegenend leven, voor hun eigen bestwil. Zo deed Christus het ook (Lucas 6,27-28). Van Houwelingen zegt het zo in zijn commentaar (I Petrus, Rondzendbrief uit Babylon, CNT-3, 1991, Kok Kampen: ‘Zo geldt voor allen dat wie Christus kent ook de roeping heeft om te zegenen; alleen in die weg zal men Gods zegen erven. Wie gezegend wil worden, moet zelf gezegend hebben.’).

In vers 8 en 9 hoor je het rommelen achter de aansporingen: ‘Tot slot vraag ik u: wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn. Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug.’ Petrus vind het nodig om die aansporingen te doen. Want achter de tekst kun je vermoeden wat er aan de hand is: groepsvorming, verdeeldheid, gebrek aan liefde, hoogmoed, je rekening vereffenen met iemand, terugschelden, hoe makkelijk doe je dat niet? Maar je roeping is anders, schrijft Petrus: zegen juist. Dat wil God zien. Geroepen ben je om te zegenen. Met de brief van Petrus voor ogen, maar ook andere teksten die gaan over zegenen (Lucas 6,27-28; Jakobus 3,9.10; Spreuken 11,25 [NBG]), is deze roeping gericht tot alle gelovigen.

In het begin: zegen verspreidt wat goed is

Zegenen komen we al vroeg in de bijbel tegen, al in Genesis 1. God maakt de dieren en de mensen en wat Hij maakt is goed. Dat is opvallend. Wat al goed is, wordt alsnog gezegend. In Genesis heeft dat te maken met verspreiding, vruchtbaarheid. God wil graag dat het goede dat Hij aan ons geeft, zich verspreidt. Zijn zegen markeert dat. In de context van Genesis mag je dat sterker zeggen. Spreken heeft in Genesis 1 scheppende kracht. Het woord van God richt iets uit, de schepping krijgt vorm! Het is wat Gods spreken doet: de daad bij het woord voegen. Zo is het Woord van God Woord. Het keert nooit vruchteloos terug, zegt Jesaja later (Jesaja 55,11). Zegenen heeft daarom ook de kracht van vruchtdragen in zich.

Na de zondeval: Gods zegen blijft

De zondeval doet niet af aan de zegen die God over de aarde wil brengen. Abraham zal een zegen zijn voor de volken (Genesis 12). Het volk Israël is een koninkrijk van priesters (Exodus 19,4-6) en juist de priesters zijn zegenend aanwezig (Numeri 6). Ook in het nieuwe testament is de gemeente een koninkrijk van priesters of een heilige priesterschap (I Petrus 2,4-5.9) en geroepen om te zegenen (I Petrus 3,9). In de zegen hoor je wel dat er iets is gebeurd. De zegen in Numeri spreekt over het aangezicht van God dat lichtend gewend is naar zijn volk, het spreekt over bescherming, genade en vrede. Het laat iets zien van spanning tussen God en mensen, alsof het niet vanzelfsprekend is dat God zich met zijn volk bemoeit, of dat de mensen zelf het steeds nodig hebben om te horen dat God zich met hen blijft bemoeien. Achter bescherming gaat dreiging schuil, achter vrede onvrede, achter genade gaat schuld schuil. Alledrie worden met Gods lichtend aangezicht tegemoet getreden. Dat is bijzonder, want in Gods heerlijkheid kan geen mens overeind blijven. Toch zegt God het tegen zijn volk: Ik ben er en Ik blijf, beschermend ben ik om jullie heen, met vrede voor jullie en genade. Gods zegen blijft en het herschept ons. Zijn woord is immers nooit alleen maar woord, maar scheppend woord, zijn daad bij zijn woord.

In Gods’ Naam – de meerdere zegent de mindere

Zegenen doe je in Gods Naam. Dat is af te leiden uit Numeri 6,27. Het lijkt wel een soort keurmerk. Je hoort er aan dat degene die zegent, God zelf is. Hij zegent graag. Je zou in Numeri 6 nog kunnen denken, als je het Nederlands leest, dat het afwachten is of God wel of niet zegenen zal. Maar dat is niet waar. Wat er staat in vers 27 is heel duidelijk: God zal zegenen als zijn Naam uitgesproken wordt over zijn volk. Soms kom ik mensen tegen die het spannend vinden om te zegenen. Het is zolang iets geweest van de predikant! En mag ik het nu dan zelf doen? Er is veel schroom. Die wordt nog groter als mensen in Naam van God mogen zegenen. Zelf zeg ik dan: stel je voor dat je Gods Naam niet noemt en zegent. Dan kunnen mensen denken dat jouw woorden kracht hebben en dat is niet zo. Gods woorden hebben kracht. Laat het een eer zijn om de bron van al het goede zonder schroom te noemen. Aan God alle eer.

Dit inzicht kan ook helpen bij het beantwoorden van de vraag die gesteld wordt bij Hebreeën 7,7. Het staat buiten kijf dat de meerdere de mindere zegent, staat daar te lezen. Mensen gebruiken dat woord dan om te zeggen: wie ben ik dan om anderen te zegenen? Allereerst, als je zoiets zegt en wilt vasthouden, zijn er talloze mogelijkheden om te zegenen. Ouders kunnen hun kinderen zegenen, leraren hun leerlingen, een koning zijn onderdanen. Maar ook moeten we willen nadenken over de zegenpraktijk in de tijd van de bijbel. Er zijn veel teksten aan te wijzen, waarin de mindere de meerdere zegent. De werknemers van Boaz zegenen hun werkgever. In Spreuken 11,25 is er sprake van een gulle gever, iemand die anderen zegent, waarbij niet helder wordt gemaakt of het een meerdere is of een mindere. De woorden waarmee we in het nieuwe testament opgeroepen worden om onze vijanden te zegenen, staan niet in het kader van meer of minder. Ook in I Petrus 3,9 is dat bijvoorbeeld helemaal niet het geval. Ik vind het een moeilijk woord, dat ik in het geheel van het bijbelse spreken over zegenen niet goed kan plaatsen. Het gaat me veel te ver om te zeggen dat je ambtsdrager moet zijn om te mogen zegenen. Daar geeft de bijbel geen enkele grond voor, integendeel. Zegenen in de bijbel hoort bij het leven van alledag, zoals wij elkaar gedag zeggen. Ook kan gezegd worden, dat wie zegent, dat doet in Gods Naam. God is degene die zegent. Zo bezien zegent de meerdere altijd. Ik vind echter dat ik daarmee geen recht doe aan wat er in Hebreeën staat. Daar gaat het namelijk om het aan te tonen gezag van Melchisedek, de meerdere van Abraham. Hopelijk krijg ik over Hebreeën meer helderheid.

Vice versa

Zegenen is prachtig, omdat de zegen die je uitspreekt over de ander ook afstraalt op degene die zegent. Het is vaak zichtbaar hoe de ander geniet van de zegen. Alleen dat al is een prachtig geschenk voor degene die zegent! In I Petrus 3,9 staat het alsvolgt: ‘zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen’. Je ziet hier goed het wederkerige karakter van zegenen: degene die zegent, deelt in de zegen. In Spreuken 11,25 wordt het ook gezegd: wie zegent, deelt in de zegen in dit leven (‘De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt, wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.’). Zoals ik al eerder zei: anderen zegenen doe je voor je eigen bestwil.

Is bidden niet genoeg?

Is bidden niet genoeg? Bidden is spreken namens jezelf of namens andere mensen tot God. Zegenen is spreken namens God tot je medemens. Beide horen ze bij je priestertaak. Vergelijk het met een kerkdienst, waar wel gebeden wordt, maar de zegen aan het einde achterwege blijft. Dat zou niet fijn voelen. Wel spreken tot God, maar zijn zegen niet ontvangen? Dat is te weinig.

Zegenen

Je kunt toch ook zeggen dat zegenen ‘op een bepaalde manier’ een vorm van bidden is. Dat heb ik eerder niet zo gezien en er dus ook wel eens te stellig stelling tegen genomen. Maar Wolter Rose, docent Oude Testament aan de Theologische Universiteit, werkt dat enigszins uit (Wolter Rose, zegenen). Zelf blijf ik altijd dicht in de buurt van de zegen uit Numeri. Ik zegen met Gods goedheid, genade, vrede en heelheid. Heelheid met God, mijn naasten, de schepping, rust in soms moeilijke omstandigheden. Altijd zegen ik in de Naam van God. Zou ik zijn naam niet vermelden, dan zou de gezegende kunnen denken dat ik degene ben die zegent. Dat is nooit het geval (Numeri 6,27). Soms vergeet ik het onderscheid te maken tussen de aanvoegende wijs (de Heer zegene). Toch is het goed om dat onderscheid wel te gebruiken. Het heeft niets te maken met dat het onzeker is of God je wel of niet zegent. Het houdt wel helder dat niet degene die zegent een zegen geeft, maar God.

Wanneer zegen je?

Ik zou bijna zeggen: wanneer zegen je niet? Soms hoor ik mensen zeggen dat je vooral zegenen kunt in situaties van ernstige problemen, een ziekbed of een psychische ziekte. Dat zijn situaties waarin je zeker zegenen kunt. Maar daartoe is zegenen niet te beperken! Zegenen blijkt een goed middel tegen situaties van onmin, onenigheid en wrijving. I Petrus 3,8 en 9 laten dat goed zien. Ook de oproep om je vijanden te zegenen, onderstreept dat. Zie ik op tegen een gesprek, dan zegen ik dat gesprek op voorhand. Merk ik wrevel bij een ander ten opzichte van mij, dan zegen ik hem of haar. En als ik die wrevel voel, dan zegen ik mijzelf of vraag ik om een zegen. Het haalt geregeld de angel uit het gesprek, het stemt mij mild en hoopvol. Het doet gewoon goed.

Verder kun je zegenen in de kerkdienst, of thuis je man, je vrouw, je kinderen. En niet te vergeten je vrienden en je buurt. En vergeet je werk en je collega’s niet. Ik zegen niet alleen als er ruzie dreigt of is. Ook als de kinderen naar school gaan, of als ze naar bed gaan. Soms als ze al slapen, maar vooral als ze wakker zijn. Soms hoor ik dan: ‘je hebt mij nog niet gezegend…’.

Voor in de liturgie: Zegenlied