Als er verzoening is… (GKv/NGK) – 2

Risico?

Ik vraag me af of daders en slachtoffers, betrokken bij de scheuring van 1967, misschien een risico lopen. In mijn vorige blog Als er verzoening is… (GKv/NGK) – 1 pleit ik voor erkenning van pijn die mensen hebben tot op de dag van vandaag en voor het nemen van je verantwoordelijkheid als dader. Ook als er vergeving is gevraagd en gegeven, ook als er verzoening is gevierd. Ik pleit ook voor het zien van mensen aan de daderskant die tot andere inzichten gekomen zijn en verward leven tussen dadergedrag en slachtoffer zijn van mensen die hen hebben geleerd om neer te zien op de NGK. Tijd van herstel duurt langer dan de viering van verzoening.

Genoegdoening

Soms hoor ik mensen zoeken naar woorden als genoegdoening. Ik kan me die behoefte voorstellen. Er is ook niks onzuivers aan zo’n wens. Juist ook als er verzoening is geweest, wil je als veroorzakers van pijn toch ook onder ogen zien wat jij of je kerk waar jij lid van bent, hebt beschadigd. Wil je toch ook je verantwoordelijkheid nemen voor de schade die er is en vervolgens komen tot daden die invulling geven aan genoegdoening. Genoegdoening doen is meegaan in de wensen die het slachtoffer formuleert, dat hem en haar laat zien dat je als dader je verantwoordelijkheid wilt nemen voor aangedaan leed. Daarin resoneert Galaten 6,4.5.

Vergelding en oordelen

Wat is dan het risico? Ik heb de indruk – ik formuleer voorzichtig en zoekend – dat er meerdere risico’s zijn. Allereerst ligt genoegdoening dicht aan tegen vergelding. Daar zou ik uit de buurt willen blijven, maar dat is best lastig. Overigens vind ik een mogelijke ontsporing een waarschuwing om zorgvuldig te zijn, geen argument om niet te werken aan genoegdoening. Een tweede risico is dan ook dat genoegdoening vragen dicht aanzit tegen oordelen van anderen (daders in dit geval). Omdat genoegdoening een ‘zacht’ begrip is, niet vastomlijnd. Het laat zich lastig vangen in een afspraak: zoveel geld, die en die daden, zo’n lange tijd. Genoegdoening is hongerig en brengt haar eigen grenzen niet makkelijk in beeld. In mijn ogen is genoegdoening belangrijk, en loop je het risico dat je blijft hangen in een houding van ‘nooit genoeg’. Daarmee blijf je hangen in een oordelende houding van een dader, die – in het geval van behoefte aan genoegdoening na vergeving en verzoening – al berouwvol voor je heeft gestaan en je vergeving heeft ontvangen. Ik denk te zien dat de bijbel heel helder is over zonde, kwaad en genoegdoening na aangedaan leed (kijk naar wetgeving in het OT), maar optreedt tegen een houding van oordelen.

Matteüs 7 en Lucas 15

Illustratief zijn voor mij een paar bijbelgedeelten. Als Jezus in Matteüs 7 aangeeft dat het niet de bedoeling is dat mensen oordelen (kennelijk elkaar langs de meetlat van de wet leggen (zie vers 12)), roept Jezus die mensen daarvan terug. Hij herinnert de mensen die anderen de maat nemen ook aan zichzelf: ga er maar vanuit dat je zelf een balk in je oog hebt, vergeleken met de splinter van de ander. Zo’n opmerking doet zeer. Wie echter ervaring opdoet met het verwijderen van de balk uit eigen oog, doet ook een andere ervaring op: er valt licht van het evangelie in je oog dat jou verzoent met God. Zou dat niet mild maken ten aanzien van je medemens die jij iets verwijt?

Lucas 15 gaat over omgang met zondaren die maatschappelijk gezien aan de zijlijn stonden. Met goedkeuring van de leiders van het volk. Die leiders worden aangesproken. Eerst in het eerste en tweede bedrijf van één gelijkenis in drie bedrijven, over een verloren schaap en muntje: je begrijpt toch zeker dat er feest is als de verzameling weer compleet is? Waarom vier je niet mee met de Heer van de kerk en met de hemel, als alle (!) zondaren tot hem komen en weer mee gaan doen? De impliciete vraag van Jezus wordt beantwoord in de gelijkenis van de jongst en de oudste zoon, het derde bedrijf. Allebei oordelen ze: de één over zichzelf en over de vader (ik ben het niet waard om uw zoon te heten en ik begrijp het volkomen als u me een plaats achteraf geeft op uw grond), de ander net zo over zichzelf en over vader en zijn broer (hij vind zijn vader onbegrijpelijk naïef, hijzelf is veel beter dan zijn broer en verdient een feestje en zijn vader moet het ook ontgelden als iemand die de harde werker die de oudste broer is, nooit een feestje heeft gegund). Tja, de jongste zoon gaat ten onder in zelfvernedering, de oudste is geslaagd voor zijn opleiding in zelfverheffing. Wat me opvalt is dat vader niet reageert op de jongste zoon die sniffend op de grond zit. Hij organiseert per omgaande een feest. Vader reageert verdrietig op de oudste zoon: je bent altijd bij me. Vader lijkt zich miskend te voelen. Oudste, je was steeds in mijn nabijheid, maar het lijkt er op alsof jij me nog nooit hebt gezien. Alsof de oudste de jongste is… Ook de oudste weet niet wat genade is. En hoe vader ook de oudste uitnodigt om te feesten, hij komt niet.

Hoewel we ons mogelijk makkelijker herkennen in de jongste zoon, denk ik dat het om de oudste gaat. Farizeeën en schriftgeleerden zorgden voor een klimaat van afwijzing van zondaren. Zij bepaalden het leerklimaat en de theologie. In de jongste zoon wordt het resultaat van dat leerklimaat zichtbaar: een zondaar voelt zich onwaardig. En vanzelf is dan de leraar degene die in eigen ogen alle lof verdient: hij is beter. Maar de vader heeft niks met zelfvernederaars en zelfverheffers: hij nodigt uit om te feesten.

Nodiging

Dit is voor mij nog een risico bij nadruk op genoegdoening. Hoe goed het is om aandacht te geven aan genoegdoening, is mij helder. Het is me ook een eer om mijn verantwoordelijkheid op me te nemen als lid van een kerk die in het verleden fouten heeft gemaakt. Ik doe dat ook in vrijheid voor God en in vrije verbinding met mijn broers en zussen uit de Nederlands Gereformeerde Kerken. Kijk ik in de spiegel van Lucas 15, dan zie ik me van positie verschuiven. Eerst de oudste in mijn meedoen met wat me is geleerd: NGK is fout. En na mijn bekering en terugkomen op eigen daden (dit oordeel past niet en mijn denken en doen ten aanzien van deze broers en zussen evenmin, ook niet mijn onderwijs aan jongeren over de kerk in mijn beginjaren als voorganger), voel ik me geregeld de jongste. Wie genoegdoening vraagt na verzoening, vraagt iets goeds. Denk ik. Ik heb er alle begrip voor in ieder geval. En ik heb de neiging om te zeggen: trap niet in de val van de oudste zoon. Daar heb ik ervaring mee en het maakt je niet gelukkig. We lopen samen het risico om niet te komen tot het feest dat vader heeft georganiseerd.

Zullen we er samen oog voor hebben dat onze Heer iets merkwaardigs doet in zijn uitnodiging: kom, feest met mij en met de engelen in de hemel. Hij praat nergens over, hij is blij en opgetogen over mensen die berouw hebben, vergeving uitdelen en zich verzoenen. Ik heb de indruk dat hij ons uit tilt boven onze conflicten en grieven en de kerkzaal tot een dansvloer maakt. En als er dan nog lasten zijn, dan dragen we die samen (Galaten 6,2).

Voor de liturgie: NLB 706

Als er verzoening is… (GKv/NGK) – 1

Oegstgeest

Onlangs was het feest in Oegstgeest. GKv en NGK Oegstgeest verzoenden zich met elkaar op 2 februari 2020. Al jaren waren er gesprekken, werd er samen gevierd en was er afstemming en ineenschuiving van het jeugdwerk. We deelden het evangelie, vierden af en toe al samen avondmaal. En toen waren we er klaar voor: verzoenen. In een dienst op zondag was de lijn: onverwerkte pijn, vergeving vragen, vergeving schenken, schrijven wat je nog bezig houdt en dat verzamelen – als in de viering op 11/11/17 in Kampen – in een grote kruik. Maar niet verzegeld. En toen het avondmaal, nadat we in de ziel van God gekeken hadden bij verkondiging vanuit Johannes 17,20-23 (Jezus’ verlangen).

Zeewolde

Onlangs was er een extra vergadering van de LV van de NGK. De NGK staat achter het Verlangendocument. In het ND van 3 februari 2020 staat een verslag van die vergadering op 1 februari 2020. En dan lees ik een verslag met mitsen en maren. Het artikel kopt ‘Graag ruimte voor verschillen’ en in de tekst lees ik dat er moeite is met het concept nieuwe kerkorde, of locale kerken voldoende ruimte houden voor hun eigenheid (omgang homoseksualiteit). En wat te doen met kerken die de ko niet ondertekenen en een verwantschapsrelatie wordt aangeboden? Die raakt onplezierig, want zoals het nu binnen de NGK is geregeld, gaat het goed. Al die kerken in één vorm, kun je dan nog wel samen door één deur? Wat moet je met de verschillende or de liturgie: NLB 706pensioenvoorziening van de NGK en de GKv? Vertrouwen lijkt het toverwoord, maar hoe werkt dat in de GKv zelf? Een locale situatie uit Enschede wordt aangehaald: uit één van de GKv’s vertrokken 300 leden door een koerswijziging van de gemeente. Wie maakte zich daar eigenlijk druk om? Gaan de GKv’ers eigenlijk wel anders dan vroeger om met verschillen of laten ze elkaar gewoon gaan? Besluiten over vrouwelijke ambtsdragers treft eenzelfde argwaan: waarom alles ineens doorgevoerd, waarom niet langer met elkaar gesproken?

Na verzoening gemengde gevoelens

Wat mij opvalt is dat er locaal blijdschap is over verzoening en werken aan hereniging. Echte blijdschap. En dat er droefheid is, verdriet en pijn om alles wat is gepasseerd in de breuk en in de jaren daarna. (Locaal is gelijk aan Oegstgeest.)

Wat mij opvalt in de reacties tijdens de vergadering NGK (en dat is maar summier, via het ND, ik was er niet bij), is dat het vertrouwen er bij NGK-ers in de GKv er nog niet is bij iedereen binnen de NGK (en binnen de GKv ligt dat vermoedelijk niet anders). Dat is niet erg, het is logisch in mijn ogen. Er is niet niks gebeurd.

Verzoend = klaar?

De route van 11 november 2017, de dienst van verzoening tussen GKv en NGK landelijk, was van vergeving vragen en vergeving krijgen naar verzoening in samen avondmaal vieren. Een indrukwekkend geheel was dat. Dan lijkt het er op dat het proces klaar is en dat het een kwestie is van een paar korte klappen en je gaat samen weer verder. Maar, zo blijkt, komt het tot verzoening zoals laatst in Oegstgeest, dan valt op dat het daarna niet klaar is. Integendeel. Ook een dag van verzoening is bitterzoet. Er zijn velen diep dankbaar voor woorden van schuldbelijdenis en vergeving. Die helen. Maar diezelfde mensen voelen ook rond verzoening pijn. Wat is dat voor dubbele werkelijkheid?

Vrucht van verzoening

Ik denk dat die gevoelde en gedeelde pijn ook vrucht van verzoening is. Eindelijk komt alles aan het licht. Geloof in God, geloof in elkaar, pijn om het verleden, pijn om hoe mensen uit een kille kerk zijn weggegaan (in de jaren na de scheuring). Angst voor de toekomst: hoe leef ik samen met de broers en zussen uit de kerk die me eerder zo’n pijn hebben bezorgd? Deze mensen verzoenen graag en zijn ook ontredderd. Dat is het slachtofferdeel van de NGK. Dat woord ‘slachtofferdeel’ is geen negatieve kwalificatie, maar een kwalificatie die mensen recht wil doen: ze zijn ook slachtoffer van een dader die GKv heet.

De andere partij (GKv) voelt zich blij, misschien wel trots en nederig tegelijkertijd, dat ze gekomen zijn tot erkenning van schuld, zijn blij met de ruimte in hun hart en in hun kerk en willen graag hun eerdere slachtoffers omhelzen. Maar kan dat al voor de slachtoffers, zelfs al is er verzoening? Voormalige daders willen geregeld ook graag omhelsd worden. Dat hebben ze nodig, gekend worden in hun ommekeer. Ze voelen zich soms dubbel: vroeger deed ik mee met oordelen over de NGK, nu niet meer. Voorgaande generaties – die van tijdens de breuk – hebben me geleerd hoe te kijken naar andere gelovigen en ik ben neerbuigend geworden. Wat verwarrend: je was dader, maar voelt je nu slachtoffer. Hoe kom je daar nu verder mee?

Dit is het slagveld voor èn ná vergeving en verzoening. En hoe ga je in deze werkelijkheid met elkaar om? Ja, een nieuwe concept-ko moet rust geven. Maar doet dat niet, omdat de reflex van knechting en geen ruimte zich aandient bij NGK-ers. Terwijl de GKv juist zo blij is dat ze nog ruimer dan hun vorige KO geworden zijn… Het zou me niks verbazen als GKv’ers zich nu afgewezen voelen, samen met die NGK’ers die hun stinkende best hebben gedaan om er wat van te maken met de broers en zussen uit de GKv.

Vergeven, verzoend, herstel

Dit is de tijd die vraagt om herstel, om verantwoordelijkheid te nemen voor de schade die er is. Dat is niet de meest eenvoudige tijd.

Waar zit de pijn?

Wie een dader tegemoet komt, voelt zich kwetsbaar. Voelt iedereen de ruimte om z’n kwetsuur te delen? En gedraagt een dader zich verantwoordelijk? Neemt hij de volle verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn daden op zich? Houdt hij zijn mond als de ander spreekt? Laat de dader zien dat hij recht van spreken en nabijheid heeft verloren? Of is hij zo blij met zijn schuldbelijdenis en vraag om vergeving, met de geschonken vergeving en de gevierde verzoening, dat hij vergeten is dat echt herstel langer duurt dan het feest van de verzoening? Is er oog voor dat het door GKv en NGK samen bedachte instrument van een nieuwe ko mogelijk nu net het verkeerde instrument is om een deel van de verwonde achterban van de NGK voor zich te winnen, omdat dat instrument eerder strikt is gehanteerd en ruimte benam?

Vergeving en verzoening zijn wegwijzers op weg naar herstel, heel belangrijk en onmisbaar. Maar ze openen ook verder het hart dat is beschadigd. Verwarrend is dat dat gebeurt bij slachtoffers die willen zien of daders te vertrouwen zijn, maar ook bij daders die tot inkeer komen en graag heling ontvangen van hun ziel uit handen van hun slachtoffers.

Argwaan

Ik vraag me af of na 11 november 2017 dit aspect goed onder de aandacht is geweest. Toen werd de kruik met niet te verwerken of te helen verdriet verzegeld. Was dat wijs? Is dat onze werkelijkheid? Of is dat investeren in nieuwe argwaan (omdat je geacht wordt niet meer terug te komen op wat niet meer goed te maken is, het is immers verzegeld)?

Was het daarom in Zeewolde mogelijk moeizaam (nog eens, dit is mijn indruk uit het ND van 3 februari 2020) bij afgevaardigden van de NGK?

In Oegstgeest blijft de kruik open. Als symbool ervan dat pijn meegaat. Dat je het niet met minder kunt en moet willen: beschadigde partners die elkaars pijn moeten gaan zien. En verantwoordelijkheid moeten tonen als daders voor slachtoffers. Net zolang tot het hart van de slachtoffers opengaat voor de daders. Het is moeilijk. Maar het kan, ik heb het zelf gezien.

Christus

Omdat we uiteindelijk niet in elkaars armen gedreven zijn en worden, maar in die van Christus. Hij is bron van genade voor slachtoffers en daders. Zijn liefde kent geen begin en geen einde, Hij is de liefde zelf. Uit hem putten we (I Johannes 4). Met hem zijn we op weg. Ik hoop dat het de landelijke vergaderingen gegeven is om ook op dit niveau elkaar te ontmoeten. En ons kunnen inspireren met hoop en heling.

Zo kom ik uit bij de liturgie van het avondmaal. Geregeld is dat in de gereformeerde kerken het sluitstuk van eenwording: samen één met Christus. Daar kun je van alles over zeggen en met recht, maar dat laat ik nu ongenoemd. De suggestie die ervan uit gaat is voor sommigen: het is goed tussen God en ons en tussen elkaar. We zijn verzoend en klaar. Maar het avondmaal is altijd ook een nieuw begin: wie verzoend is met Christus en met elkaar, wordt aangespoord om nieuw te leven. Voortdurend in een staat van verzoening met elkaar en met de Heer. Leven in een staat van herstel en je verantwoordelijkheid nemen. Vanuit je ontvangen vrijspraak werken aan herstel en vertrouwen. Ik vind dat moeilijk, maar ook heel aantrekkelijk. Ik word er blij van. Omdat het bij God mogelijk is oprecht en eerlijk te zijn in de gemeenschap van de kerk.

Als er verzoening is… (GKv/NGK) – 2

Greta, Charlotte, Lazarus en ik

Greta

Greta staat op voor het klimaat. Een enkeling die een wereld in beweging brengt. Een tiener met een missie. Zei ik eerst: ga naar school, nu zie ik meer en meer haar klacht tegen de machten van de economie en onwillige mensen, leiders, landen, om het roer echt om te gooien. Haar actie heeft de werking van een olievlek. Jongeren komen in beweging en nemen vrij van school om te demonstreren. Ik weet ook wel dat het omgeven is met tegenstrijdigheid: wel van school naar Den Haag, maar hoeveel ouders zegden hun vliegvakanties op of boeken komend seizoen anders? Toch is deze beweging er om de toekomst van de mens op aarde. Eén van de bewegingen die helpen om een anonieme massa in beweging te krijgen. Zo te zien heeft een tiener impact. ‘Het had mijn kind kunnen zijn.’

Charlotte

Charlotte is minder bekend. Maar het lijkt dat ze naar Greta gekeken heeft. Charlotte is suïcidaal en vind geen passende hulp. En velen met haar vinden die niet. Zelf was ik het ooit of neigde ernaar. Goddank ontving ik hulp. Nu is Paul Blokhuis een soort barmhartige Samaritaan. Of niet? Hij zit naast haar in de gangen van het tweede kamergebouw, waar Charlotte bivakkeert als protest. Maar staatssecretaris Blokhuis luistert wel naar haar verhaal – een goed gesprek, zo typeert Charlotte zelf – maar zegt niets toe. Is hij dan toch een leviet, vermomd als Samaritaan? Charlotte zal nog even blijven daar. Omdat ze geen aandacht wil, maar actie.

Lazarus

Het zijn de lazarussen van vandaag (Lucas 16,14-21). Ze brengen lijden in beeld dat iedereen ziet en niemand die er wat aan doet. Of lijkt te kunnen doen. Want de leiders, want de economie, de belangen, de partijprogramma’s. Want de afspraken in de coalitie. Want het beschikbare geld. Want…

Respect en irritatie

Deze mensen zitten op de stoep van de overheid. Doe iets, grijp in. Ik ga door tot er iets gebeurt. Ik kijk er naar met een mengeling van respect en irritatie. Ik vraag me af waar die mengeling vandaan komt. Maar ik weet het wel. Respect komt vanuit mijn eigen gevecht om te worden gezien in mijn moeiten: wie ziet me staan? Wie doet mij recht? Het belangrijkste antwoord dat ik geven kan is om zelf in de spiegel te kijken en mijzelf te zien staan. Dan kun je een Greta worden of een Charlotte. Die zien zichzelf. En vragen vervolgens om aandacht voor onrecht dat om hen heen plaats vindt. En ook hen zelf treft. Alleen komen ze er niet uit. Mijn irritatie komt uit een andere hoek: ik accepteer lijden van anderen. Ik kan niet iedereen helpen, we hebben pas oplossingen als we er samen voor gaan. Resultaat is dat ik de mensen op de stoep niet meer zie. Ik voel me onmachtig, word ergens boos op ‘de ander die voor me staat’ en doe niks. Ik vecht niet samen met ze. Ik heb geen tijd, zeg ik. Ik kan niet helpen, beweer ik. Niet mooi. Dubbel voelt dat. Alsof ikzelf slachtoffer ben, terwijl de ander als slachtoffer voor me staat (of zit). Die omkering vind ik raar.

Kerk

Wat is de plek van de kerk hierin eigenlijk? Als het gaat over zoiets als kerkasiel zijn we er. Maandenlang. Ik heb er zelf aan meegedaan en denk er met plezier en dankbaarheid aan terug. En nog zijn gemeenten prima in staat om kwetsbaren te helpen: het gebeurt ook geregeld en geregeld gebeurt het goed. Toch, wie komt er op de stoep zitten van de kerk en vraagt net zolang tot het anders wordt? Of: totdat de stoepzitter ervaart dat hij en zij worden gezien? Zoals die vrouw die bij de rechter maar blijft vragen om recht (Lucas 18,1-8) en uiteindelijk haar recht krijgt. Gelukkig mag een gelovige stoepzitter blijven bidden tot God die naar hem en haar luistert. Zo stelt Jezus het: Hij spoort stoepzitters juist aan in hun acties op de stoep bij God. Maar wie durft het aan om op God te lijken, neer te hurken naast de stoepzitter en actie te ondernemen?

Urgentie en Ontferming

Uiteindelijk komen de vragen van de Greta’s en de Charlotte’s neer op vragen om ontferming. Het komt er vaak niet metterdaad van dat de Greta’s en Charlotte’s ontferming ervaren, omdat er geen gedeelde urgentie is. Pas als urgentie wordt gedeeld, bestaat de kans dat ontferming wordt ervaren. Dan hurkt de ander neer en luistert en als hij weer opstaat gaat hij op weg om te zoeken naar hulp die ook als hulp wordt ervaren. Pas als urgentie wordt gedeeld, komen andere kinderen in actie voor het klimaat en wordt er een beweging zichtbaar. Ouders gaan meedoen, scholen. En langzamerhand wordt voelbaar dat mensen zich ontfermen over hun kinderen en onze planeet.

Trainen

Omdat de gemeente van Christus vindplaats is en moet zijn van recht en ontferming (Heb God lief en je naaste als jezelf), zou ik in de gemeenten graag zien dat we die antenne trainen. Wie kunnen we recht doen? Wie vraagt er om ontferming? Ik denk daarbij aan zieken van lichaam en van geest, aan mensen die superdruk zijn en denken niet te kunnen stoppen met werken. Ik denk dan aan kinderen die verhongeren omdat ze niet worden uitgenodigd om te eten van brood en te drinken van wijn. Ik denk daarbij aan vrouwen die alles mogen, maar niet samen met mannen ambtsdrager mogen zijn. Ik denk dan aan homoseksuelen en sowieso iedereen die vandaag bezig is om in de wirwar van seksuele profielen (lhbti en overige varianten) te bepalen wie hij of zij is. Het kan zijn dat een lezer zegt: moet dat allemaal maar kunnen dan? Maar dat is niet wat ik zeg, al heb ik op onderdelen daar een gerijpte mening over. Wat ik vraag is: weet je of de stoepzitter ontferming ervaart? Weet je dat echt? Vraag je dat of denk je dat je genoeg doet en moet een ander het met jouw inschatting doen? En ziet een stoepzitter actieve ontfermers, mensen die in actie komen en helpen met de daad? Elke stoepzitter herinnert ons aan dit soort vragen. Of je elkaars urgentie kunt en wilt delen. En ja, het is mijn ervaring ook dat, als je elkaars urgentie deelt en beleeft, je dan veranderen kunt.

Lege stoep

Soms zitten deze Greta’s en Charlotte’s op de stoep van de kerk: ontferm je over mij. Maar wat mij nog het meest puzzelt is dat er niet altijd wat verandert in de gemeente van de Heer, in die zin dat er ontferming wordt ervaren, maar dat de Greta’s en Charlotte’s soms zomaar zijn verdwenen. Of naar andere gemeenten zijn gegaan, of binnen de gemeente onzichtbaar en onhoorbaar zijn geworden. 

Naast je

Lange(r) preken

Korte preken

Korte preken passen bij vandaag. Bij jongeren en bij ouderen. Denk ik. Vind ik. Het heeft als voordeel dat je meer ruimte hebt om je geloof te uiten en te oefenen in en rond de samenkomst. Hierover kun je lezen in mijn vorige blogs: Het geloof is uit het zittenKorte(r) preken. Toch is dit niet het hele verhaal: geregeld krijg ik bij langere preken (en diensten) te horen, dat het mensen heeft geraakt en in beweging gebracht. Ik denk dat het goed is om onder woorden te brengen hoe ik nu voorga en waarom dat mijns inziens geregeld gezegend wordt.

Communicatie en rust

Wat ik dus ook geregeld hoor, is dat lengte niet zo’n punt is. In ieder geval als reactie op mijn preken. Dat heeft vast te maken met dat ik nog maar kort in Hengelo sta. Het nieuwe is nog niet van me geweken… Maar wat ik krijg als feedback, is dat in mijn manier van voorgaan rust zit. En dat het beleefd wordt alsof ik de kerkgangers mee laat doen.

Rust ontstaat omdat ik vragen stel aan kerkgangers. Ik geef ze tijd om die te beantwoorden. Al of niet door mensen aan te moedigen met elkaar te buzzen. Het tempo gaat er uit. 

Rust ontstaat ook omdat ik voor mezelf probeer te visualiseren wat ik zeg. Wat ik ooit van Ron van der Spoel in de cursus Passie voor Preken leerde blijkt steeds waar: als ik zie wat ik zeg, ziet mijn gehoor het ook. Goed kijken en vooral elkaar laten meekijken kan niet snel. En dus gaat ook hier het tempo uit de preek.

Rust ontstaat verder doordat ik preek vanuit verwondering. Dat dat samenhangt met ‘zien’ is voor mij heel logisch: wie naar iets kijkt en de schoonheid ervan ziet, gaat zich verwonderen. Als voorganger heb ik al veel gezien in de voorbereiding van de zondag. Soms zoveel dat ik er van uit m’n voegen barst. (Schoonheid is schadelijk voor mijn gezondheid.) En als ik anderen deelgenoot maak van wat ik zie (dat is iets anders dan vertellen over wat je ziet, maar schetsen, schilderen, filmen), dan zie ik geregeld hun ogen ook opengaan. Ze zien wat ik zie. En dat is niet het enige: verwondering wordt zo gedeeld. Ook hierbij gaat het tempo uit de preek.

Deze vragende, visualiserende, verwonderende rust creëert verbinding tussen hoorders en prediking. Niet zozeer met mij als prediker, maar met de inhoud, al is er ook verbinding tussen hoorders als geheel (waarvan ik er één ben). Rust en communicatie creëren een sfeer van meedoen. Ik vind dat bijzonder om mee te maken en ervaar dat  als een geschenk. Het lukt niet altijd, maar zo probeer ik het.

Lange(r) preken

Dit resulteert in langere preken. Niet op papier overigens. Maar wel door stiltes en verwerkingstijd tijdens de dienst. En al heeft het alle schijn van lang stil zitten, toch zijn mensen dan druk in beweging.

Lange preek = korte preek?

Maar ergens denk ik: dit is ook een vorm van kort preken. Geen grotere betogen die een flink appèl doen op je cerebrale vermogens. Maar allemaal kleine passages die kerkgangers (waarvan ik er eentje ben) brengen bij God-met-ons.

Innerlijk/uiterlijk

Lange(r) preken heeft in ieder geval als nadeel dat je minder concreet kunt oefenen met je geloof. En soms denk ik: ik preek langer, vragend, visualiserend, verwonderend, enerzijds omdat er behoefte is aan innerlijk ervaren evangelie (en dat lijkt me een heel terechte behoefte), anderzijds omdat we niet goed samen durven te komen tot uiterlijk oefenen met geloven…

Korte(r) preken

Hardleers

Laatst deed ik het weer eens: in de nieuwjaarssamenkomst op 5 januari preekte ik 5 x kort. Lezing, kort preekje, lied. 5 keer, dat dan wel weer… En wat ik hoorde van veel bezoekers was, dat ze dat prettig vonden. Een vader gaf me aan dat zijn dochter van een jaar of 13 deze keer niet wegzakte, maar ‘er bij’ bleef. Ik dacht: dit is me vaker verteld, ook in Oegstgeest. Door jongeren juist in de voorbereiding van een jongerendienst: kort preken. Geregeld houden jongeren de tijd bij van de prediking. Bij mij klokken ze 20 minuten, 25 minuten en als ik enorm op dreef ben 30 minuten. Die laatste twee zijn te lang voor hen, ook al vind ik dat ik behoorlijk bezield bezig ben geweest. (Ik denk geregeld: als het evangelie mij pakt, dan neemt het andere luisteraars ook mee. Die vlieger gaat vaak op, maar niet altijd en niet voor iedereen.)

Geen toekomst meer, maar nu

Nu preekte ik 5 keer naar aanleiding van meerdere teksten. 3-6 minuten. De dienst duurt niet echt korter, maar veel bezoekers konden er beter bij blijven. Ik had niet het gevoel dat ik niet diep genoeg kon afsteken. Eerder ging ik directer op m’n doel af. Jongeren vragen er om, ouderen net zo goed. Ik vermoed dat de beeldcultuur en de informatiecultuur daar een oorzaak van zijn. Informatie wordt om onze beeldcultuur geïllustreerd en die illustraties dragen de boodschap. Dat visuele aspect behoeft niet altijd veel tekst, want daarmee haal je de zegging van de illustratie onderuit. Beter is nog een illustratief filmpje, omdat dat past bij wat het evangelie zelf wil: in beweging brengen. De huidige informatiecultuur vraagt om wisselende vaardigheden. Schoolboeken en studieboeken vragen een langere concentratiefocus van leerlingen en studenten. Al blijft het zo dat goede illustraties in de studieboeken de langere teksten dragen. Daarbij is het digitale verkeer zo, dat het vaak blijft bij korte berichten en gerichte boodschappen. Daar kan ik wel iets van vinden, maar feit is dat mensen veelal zo worden geconfronteerd met beeld en informatie. En daardoor worden gevormd in (de lengte van) hun concentratievermogen. Zoals vroeger de langere leesteksten en lezingen de ontvangers vormden. Blijf ik bij mijn manier van doen van preken uit één stuk, dan communiceer ik zomaar problematisch met de kerkganger. Niet altijd: soms lukt het om zo beeldend te preken en zo van binnenuit, dat veel mensen een langere preek uithouden, beter gezegd: omhelzen. Ook is het zo dat kerkgangers in de samenkomsten verwàchten dat er langer gesproken wordt en dus stelt men zich juist daarop in. Toch is dat lang niet altijd het geval en het geluid van jongeren blijft en de bevestiging van ouderen spreekt boekdelen: korter is beter.

Van lang naar kort

Echt nieuw is het niet, overigens. Vroeger was er ook sprake van een tussenzang tussen punt één en twee, en tussen punt twee en drie. Ik heb niet het idee dat de afzonderlijke punten in die tijd puntig en kort waren, maar de gedachte moet ook daar zijn: verandering van spijs doet eten. Ik ga het vaker proberen. Het vraagt een andere voorbereiding: welke vragen stel ik aan de orde, hoe verdeel ik mijn stof? Welke teksten vanuit verschillende invalshoeken doen mee in de bijbel ten aanzien van de thema’s die ik aansnijd? Hoe presenteer ik ze kort zo, dat er een samenhangend geheel ontstaat, een boeket bloemen waar je lang van genieten kunt? En dan is vijf keer kort toch ook weer aan de overdreven kant. Twee of drie keer kort kan ook volstaan. En wellicht ga ik het afwisselen met ook de gewone langere preek. Ik denk dat ik anders moet leren preken. Nu.

Bewegen in de kerk (pas op, hier volgt een zijweg)

Mijn vorige blog Het geloof is uit het zitten, kan op deze manier wellicht ook beter worden verwerkt in de liturgie: echt korter preken geeft meer gelegenheid om in de dienst in beweging te komen. Wie weet. Goede aandacht voor ontmoeting bijvoorbeeld als een wezenlijk punt van de liturgie van de gemeenschap: elkaar de vrede van Christus wensen, of elkaar begroeten en in de ogen zien, even lopen naar die man, vrouw, jongere, dat kind en zeggen dat je voor elkaar bidt, gasten verwelkomen en de hand schudden. Kan dat niet voor en na de dienst? Ja, natuurlijk. En als de dienst uitnodigt om dit rondom de samenkomsten te doen: prima. Maar de onderliggende suggestie dat zulke bewegingen niet thuis horen in ‘de dienst’ of ‘de dienst’ verstoren, laten een visie zien op de samenkomst die de mijne niet (meer) is. De gemeente komt niet alleen samen om Gods Woord te horen en God te aanbidden. Als geloof zonder daden dood is, en de verzuchting van gemeenteleden is dat ze door de week niet altijd zo goed toekomen aan leven in de gemeenschap, laat dan alstublieft de viering in de samenkomsten gelegenheid geven om daarmee te oefenen. Heel ons leven is liturgie, dienst aan God, aan elkaar en aan de wereld. De vieringen op zondag staan daar nu geregeld best een eindje vanaf in haar gestolde praktijken van zegen, aanbidding, lied en vooral lang luisteren. Gestold wil niet zeggen ‘levenloos’, begrijp me goed. Maar wel geformaliseerd of gesymboliseerd en daardoor moeilijker herkenbaar als elementen die in het gewone leven terugkomen. Neem de avondmaalspraktijk: we víeren het avondmaal… dat zeggen we. En ik doe er aan mee en ervaar een feestelijke vreugde in mijn hart. Maar de eerste danspas moet ik nog ontwaren, de eerste omhelzing van vreugde om verlossing heb ik in al die jaren dat ik vier nog niet gezien, de spontane lofzang van gemeenteleden die zich niet kunnen inhouden met ik nog meemaken, de eerste zegening door een broer of zus die me kent met de genade van de Heer moet me nog ten deel vallen – in de samenkomst, bijvoorbeeld bij de viering van het avondmaal. Het duurt allemaal al lang genoeg, zo’n dienst. En dan meer tijd -want dat is zo- besteden aan bewegend geloven…, wie zit daarop te wachten?

Een avondmaalsviering wordt vervolgens almaar meer gestyleerd, een gewone preek moet er bij (eenheid woord en sacrament, eventueel een formulier), en de ervaren verbinding tussen het concrete leven en de liturgie vervaagt almaar meer door stylering en de nadruk op luisteren. Verstilde vieringen worden het.

Het mag wel wat gewoner, wat feestelijker, wat beweeglijker. Korter preken dus, het schept meer ruimte voor geloof in beweging.

Leren concentreren

Maar is concentratie niet iets dat je kunt en moet leren? En is daarmee juist niet te investeren in de lange concentratieboog die een gewone preek nodig heeft? Jazeker is dat zo en het zal ook zijn effect hebben in de kerkdienst. Maar er is al een behoorlijk onderscheid in concentratievermogen qua leeftijd. Daarbij zijn er concentratiebelemmeringen, zeker in de kerk (iedereen die je om je heen ziet, lopende ouders met kinderen), en er zijn mensen met concentratiestoornissen (ADD en ADHD). Trek daarin maar eens één lijn. Daarbij, de samenkomst van de gemeente is de plek om te vieren, niet een school om je te leren concentreren. Daarom denk ik dat het beter is om als gemeente te investeren in de effectiviteit van de liturgie.

Een aardig artikel hierover is: tips om je kind te helpen met concentreren. Ook hierin weer een pleidooi om ruimte te laten voor beweging, ook als bevordering van concentratie! Twee vliegen in één klap.

Vraag

Wie helpt me de luisterervaring van gemeenteleden om te zetten in een manier van voorgaan die beter aansluit bij de kerkganger van vandaag? Want in m’n eentje leren is kiezen voor m’n eigen valkuilen. Samen zoeken naar nieuwe wegen in de prediking ten dienste van de effectiviteit van de liturgie, daar ben ik op uit.

Het geloof is uit het zitten

Horen

Het geloof is uit het horen. En daarom wordt er in de samenkomst flink geluisterd. Het is niet het enige dat er gebeurt. Er is de koster die alles aan kant maakt en klaar zet (of een deel van de gemeente die dat doet), er zijn liedschrijvers, componisten, muzikanten, die ervoor zorgen dat er kan worden gezongen. Er zijn de voorgangers die de liturgie voorbereiden (samen met anderen wellicht). En er zijn de gemeenteleden die stilstaan bij bijvoorbeeld gebedspunten: waarvoor wil ik laten bidden in de samenkomst. Zo bezien gebeurt er een boel vooraf aan en in de samenkomst.

Zitten

Maar eenmaal in de kerk nemen we plaats. En we luisteren een uur, we zingen en we bidden en we geven. Het geloof is uit het zitten, zouden we ook kunnen zeggen. Dat is tenminste wat we doen. Een geloofsgemeenschap die samenkomt is een zittende gemeenschap. Het is goed zichtbaar in volgens mij elk kerkgebouw: in elke zaal staan rijen stoelen. Veel rijen stoelen. Dansen durven de meesten niet (in kerken waarin ik voorga) en er is niet heel veel of geen ruimte voor. Ons aan elkaar voorstellen of begroeten vinden we soms leuk, maar meestal spannend en onwennig. Nee, zittend vormen we het liefst ons geloof. En als ik het goed zie: het liefst op de eigen plek, week in week uit. Dan krijg je op je vaste plek ook zo je eigen buren en bekenden. De tijd van vaste plaatsen is voorbij, maar onder de oppervlakte rekenen we op het innemen van de ‘eigen’ plek.

Zittend bewegen

Als predikant vind ik het fijn om voor te gaan en mensen in beweging te krijgen voor God en voor onze naasten (gelovig of niet). Daarvoor laat ik me onder andere stimuleren door bijbelwoorden die gaan over ‘wandelen met God’ (Genesis 5,24; 6,9 NBG; Micha 6,8; I Johannes 2,6; Openbaring 3,4, HSV). Maar de vorm die mij ter beschikking wordt gesteld, de vorm waarin ik dat voor elkaar moet zien te krijgen, past voor geen meter bij wat ik wil. Sterker nog, nog steeds leren kinderen om in de kerk ‘stil te zitten’. De kerk die in beweging wil zijn voor God (ga ik maar even van uit) is in de liturgie een zittende kerk. Geloof is uit het horen en voor horen moet je stil zitten.

Beeldcultuur

Nu is er een soort van tegenbeweging zichtbaar geworden. De beeldcultuur vraagt niet alleen om dia’s op de beamer. Dat is overigens ook weer meer van hetzelfde, vergeleken bij ‘de stoel’. Zo stil als de stoel staat en zo stil als de mens zit die er op gaat zitten, zo stil staat de illustratie bij de preek. Als deze illustratie tenminste een foto is. Mensen in beweging krijgen met stilstaande beelden, dat is een kunst. De tegenbeweging speelt zich echter ook af op het witte beamerdoek: er zijn filmpjes nodig. Die doen inderdaad precies datgene wat ik zou willen: bewegen! Maar in mijn ogen werkt dit op de lange duur alleen maar vervreemdend: in de filmpjes wordt bewogen, maar als kerkgangers zitten we nog steeds op onze stoelen. We kijken, doen ideeën op, maar in beweging komen…

Promotie

Ik heb ooit geprobeerd om te promoveren in de theologie. Dat wilde ik doen op het onderwerp kinderen van de kerk en avondmaal vieren. Helaas is dat niet gelukt, maar wat ik toen wel gesnapt heb, is dat de kerk moet doen wat zij zegt en moet zeggen wat zij doet. In een mooie latijnse zegswijze: lex orandi, lex credendi (afkomstig van een leerling van Augustinus, Prosper van Aquitanië, 390-455). Letterlijk betekent dat: wat de kerk bidt, gelooft ze. Je kunt in het gewone leven niet iets anders gaan uitdragen dan wat je in de samenkomsten belijdt, leert en bidt. Er is ook een uitgebreide versie: lex orandi, lex credendi, lex vivendi: wat de kerk bidt, gelooft ze en maakt ze zichtbaar in haar daden. Dat is meer dan een logische constatering van de kerkelijke praktijk. Eerlijk gezegd is het geregeld juist geen constatering. Want we bidden bijvoorbeeld geregeld om vergeving, maar onthouden die vergeving ook zomaar aan elkaar. Het is dan ook een spiegel, een opdracht, een vraag: leef ik zoals ik belijd in de kerk? Kom in beweging!

Lex orandi, lex credendi en het kerkelijke interieur

Maar wat als we dit principe van de kerk toepassen op haar interieur en het gedrag waar dat interieur toe uitnodigt? Dan past de prediking niet bij een verzameling mensen die op stoelen zitten. Het evangelie vraagt om beweging, om deelname, om verandering, om gehoorzaamheid en vooral om feest (vergelijk Lucas 15 bijvoorbeeld). Maar alles waar de mensen van zingen en naar luisteren, stolt in een stoel waar de beweging uit is en waarin men geacht wordt stil te zitten. Er zijn gemeenten waar dat enigszins is opgevangen. Ik ken kerkgebouwen die de bekering van een christen zo vormgeven in het interieur, dat de kerkganger zich bij binnenkomst in de kerk moet omkeren om zich te richten op het liturgisch centrum: woord en sacrament. Dat is een mooie vormgeving van bekering. Maar goed, wie dat een keer heeft gedaan, zit vervolgens de rest van het uur stevig op zijn of haar stoel.

Ik kan niet anders zeggen dat ik het heerlijk vind om voorganger te zijn die geregeld wat los van papier komt: ik maak mijn meters, danspasjes, mijn complete liturgische workout voorin de kerk, blij dat ik ontsnapt ben aan de blikken van mijn moeder die me maanden om stil te zitten in de kerkbanken. Maar liever dan een individuele escape, zie ik dat gemeenten hun kerkzalen zo inrichten dat horen kan leiden tot bewegen. Want, wat is de invloed van de zittende worship tijdens samenkomsten op de kerkganger? Wat is de invloed van ‘zitten’ in de samenkomst op de voorganger? Wat is de invloed van ‘zitten’ in de samenkomst op de presentie van gemeente in de samenleving?

Zoals de kerk zit, gelooft zij

Ik zou de bewering wel aan willen, dat de combinatie van de woorden ‘het geloof is uit het horen’ en de daarbij bedachte vorm van zitten die deze uitspraak van Paulus uit Romeinen 10 ondersteunt, een eenzijdige geloofsvorming tot gevolg heeft van de kerkganger. Hij leert dat naar de kerk gaan tot rust komen is (dat kan namelijk goed in een stoel), hij leert dat hij moet luisteren (en dan van jongsaf aan moet leren stilzitten). Er is enige afwisseling bedacht: als we votum en zegen ontvangen en de zegen aan het slot van de dienst, gaan we staan. Daar is beperkt ruimte voor, maar toch, het kan in de meeste kerken. Gelukkig kun je vanaf je stoel je handen omhoog doen bij lofprijzing of zegenen. Maar mensen die dat doen zijn er in de kerken waar ik voorga nog steeds niet zoveel. Verreweg de meeste mensen zitten stil. Zitten in de kerk stimuleert ook nog eens toeschouwersgedrag: dan wordt het wel heel lastig om deel te nemen. Zomaar ga je als toeschouwer beoordelen hoe die man of vrouw voor in de kerk ‘het doet’. Wanneer het toch gebeurt en het hart wordt aangeraakt en het op dat moment ervaren geloof er uit moet, wordt de stem (wat heb je anders in stilstand tot je beschikking) verheven in het lied. In het beste geval levert dat de (sterke) indruk op van (sterke) betrokkenheid. En enige vrees: als zo iemand echt in beweging komt, hoed je dan!

De zittende gemeente heeft invloed op mijn prediking. Er komt schroom over mij om mensen ter plekke dingen te laten uitproberen (knielen, dansen): dat zijn we niet gewend en de ruimte is er niet naar. Moet ik daar overheen als verkondiging daarom vraagt (en dat is vaker dan je denkt)? Daarbij, ik word beschouwender: als mensen niet hoeven/willen/leren om te bewegen, doe ik een groter appel op het begrijpen van mensen. En wat ik merk is dat ik als voorganger in woorden de grootst mogelijke creativiteit moet aanboren. Want ik moet in taal zien te vatten wat het evangelie aan beweging vraagt, in de hoop dat de kerkganger na de dienst zich dit herinnert en in beweging komt.

En wat zou de samenleving merken van deze stoelen in de samenkomst? Het evangelie dat uitreikt naar de wereld (God wil dat alle mensen tot bekering komen) en vraagt om een kerk in beweging, wordt op het moment van vorming (de samenkomst) van de gemeente, gehinderd door haar zittende vormgeving. Je leert in de samenkomst juist om niet te bewegen. Hoe zou je dat dan doen als je weer buiten staat? En als je dat wel doet, bewegen in de samenleving, levert dat dan omgekeerd geen vervreemding op ten aanzien van de samenkomsten in de kerk?

Oefenruimte

Waar de samenkomsten behoefte aan hebben, naast stoelen, is oefenruimte. Ruimte en tijd om te beginnen te doen wat er in de samenkomst wordt aangereikt. Ruimte en tijd om te beginnen met in beweging komen: knielen, zegenen, je armen gebruiken, ontmoeting, vertreden (zoals dat zo mooi heet: ff een eindje kuieren in de kerk), dansen, plannen maken. De samenkomsten hebben daar behoefte aan, omdat het evangelie er om vraagt.

Gevolgen

Wat zou het opleveren als we de kerk anders inrichten? Andere preken? Meer beweging en actie? Meer zin en ervaren relevantie? Wat is er in de liturgische ruimte nodig, om de gemeente te laten bewegen op het ritme van het evangelie? Ik vermoed dat ik anders ga preken: korter, gericht op werkvormen. Ik vermoed dat ik minder bezig ben om alles precies te formuleren en bedenken. Omdat in de samenkomsten de kerkganger volop meedoet en zichzelf tot illustratie wordt, eentje in beweging. Ik denk dat relevant zijn in de samenleving zijn hart dan vindt in de samenkomst.

De binnenkant van de liturgie

Binnenkant van de liturgie

Jij bent dat, die binnenkant. En ik ben het evengoed zelf. Ons hart, onze ziel waar het woord van God tot klinken komt. De binnenkant van de liturgie bepaalt ook wat er uit komt. Nou, niet helemaal. Een formulier is voorgeschreven, een lied net zo. Maar Jezus zegt het ergens ook: wat de mond uit gaat, maakt de mens onrein (Matteüs 15,1-20). Zulke zinnen maken mij duidelijk, dat de binnenkant er nogal toe doet. Het is de plaats waar het woord van God ontvangen wordt en tot klinken komt in jouw leven. En het bepaalt daarom ook hoe het woord van God naar buiten wordt gebracht. Iedereen die het woord neemt in de kerk, moet zich dat realiseren: jouw woorden verhouden zich met je binnenkant. De oproep van Paulus aan de Kolossenzen om te spreken en te handelen in de Naam van God, is dan ook niet een oproep tot iets eenvoudigs. Daar moet de Geest van God in ons hard voor aan het werk en onze reflectie op ons hart is dan ook onmisbaar. Daarmee zeg ik dat het moeitevol werk voor de Geest is, omdat het voor ons als mensen vaak een pittige klus is om de weg naar binnen te gaan.

Levensgebeurtenissen

Iemand groeit op in een christelijk gezin. Alles verloopt soepel en normaal, tot op het moment dat hij zelfstandiger wordt. Een jaar of 13, 15 is hij dan. Hij gaat nadenken en voelt – zoals zovelen dat hebben – de vraag in zich opkomen: ‘stel dat het niet waar is?’ Ineens wordt een mooi toekomstbeeld, zo veilig als vader en moeder het altijd hebben voorgesteld, iets onzekers. What if…, en de twijfel is daar. Wat moet je dan met doodgaan? Geloven in God blijft levend, dat wel, maar die ene vraag is voorlopig niet beantwoord. Hij ontwikkelt angst. Angst voor doodgaan. Hij gooit vervolgens een zwaar deksel over z’n angst en voelt naar verloop van tijd die angst niet meer zo. Maar ‘zomaar’ ontwikkelt hij een ander patroon: laat ik toch maar proberen zo goed mogelijk te leven. Dan kom ik vast in de hemel. Er ontstaat een afwijzende manier van naar zichzelf kijken: ik ben niet goed genoeg. En zo ontwikkelt zich een mens die vergeet wat genade is. Er is niemand die hem kent in zijn moeite, hij heeft lange tijd geen woorden voor zijn verhaal. Anderen doen belijdenis. Maar hij blokkeert. ‘Ik weet het nog niet helemaal’, zegt hij tegen mij. En in de kerkdienst merkt hij dat zijn ziel zeer doet bij het zien van anderen die ‘het’ wel lijken te hebben.

Een vrouw in de dertig heeft een vader die niet al te optimistisch in het leven staat. Sterker nog, vader wordt gedeprimeerd en heeft af en toe zelfmoordgedachten. Hij deelt ze ook met zijn kinderen. Zij ontwikkelt een angstige antenne voor de dood. Dagelijks, als ze als kind thuis komt van school, is er die onzekerheid: zal ik papa vinden? Ze maakt zich een voorstelling hoe ze haar vader vinden kan en deze grift zich diep in haar ziel. Alsof ze zichzelf ophangt. Op een gegeven moment merkt ze dat ze haar lichaam afwijst. Nog later tekent haar lijf protest aan: het doet overal pijn. Is ze ziek? Ingrijpende onderzoeken worden gepland. En in eigenlijk alles is ze een controleur geworden: zij houdt de regie, thuis, op het werk. Tenminste, dat probeert ze. Maar ze verliest terrein, haar lichaam doet niet meer mee. Ze gelooft in God, ze weet veel over Hem, vaak weet ze goede dingen te zeggen in haar wijsheid. Maar ze komt niet tot dansen. Dansen brengt haar bij een leeg en onbestemd gevoel, in de verte is er onrust en angst voor de dood.

Er is een jongen die enthousiast speelt op zijn viool. Omdat het een huurinstrument is, wordt er nagedacht over het kopen van een instrument. Hij is een jaar of 12. Op het moment dat vader met hem het instrument wil gaan halen, is hij wat laat bij de auto. Vader is niet van zins om te wachten en overigens zit de auto al vol met andere kinderen. Hij rijdt weg en de 12-jarige jongen blijft achter op de stoep, woedend, teleurgesteld, ontredderd. God is er altijd, hoort hij in de kerk, ook in je pijn. Het blijven woorden die niet meer binnenkomen. Hij voelt zich onbemind en vergeten. Wrok groeit in zijn hart. Zijn muzikale ontwikkeling hapert.

Het zijn maar voorbeelden. De mensen uit deze voorbeelden kunnen in de kerk een kritische houding ontwikkelen: wie sluit aan bij mij? De dominee in ieder geval niet. Wel die mensen die aardig voor me zijn, die iets van me weten of die ene die ooit een opmerking maakte tegen mijn vader, of de mensen die op een begrafenis net dat zeggen wat over mij lijkt te gaan. Al deze mensen zijn niet zomaar geholpen bij wekelijkse kerkgang, omdat deze frustreert. En nieuwe schade oplevert: God bestaat, maar raakt mijn leven niet echt. De binnenkant van de liturgie, onze ziel, is daar geregeld te beschadigd voor. Je geschiedenis is te teer om in de kerkdienst te openen voor God. Dat is ons goed recht, die bescherming hebben we zomaar nodig. En ook waar is dat deze beschermende pantsers eens moeten worden afgedaan, door onszelf, om te komen tot vreugde in de liturgie.

Opvattingen

In de kerken waarin ik predikant ben is de drieslag ellende, verlossing, dankbaarheid, nog steeds (namelijk in ieder geval sinds de Reformatie) een dragend geraamte voor de samenkomsten. Niet dat voorgangers zich er altijd aan houden, goddank niet. Maar ik kom veel broers en zussen tegen die in dit geraamte de dood vinden voor hun geloofsleven. Ze hebben geen vlees op de botten en geen vreugde in hun hart. Ze kennen deze wel, het is ze ooit uitgelegd dat God genadig is. Maar, oef, die zonde van ons mensen. Ik ga hier niet beweren dat mensen niet zondig zijn. Ik zou niet durven. Maar ik zie mensen zo geregeld koorddansen op het touw van de verlossing. En de evenwichtsstok helt zwaar naar de kant van de ellende, omdat de zonde zo intens zwaar weegt. Enige lichtvoetigheid in het leven ontbreekt. Enige vreugde omdat je Heer je zonden droeg en er voor volgers van Jezus geen rechtszaak meer is (the case is closed: Romeinen 8,1), wordt tot vele groeven in het voorhoofd. De uitnodiging om je leven te leven op de toonhoogte van een feest (Lucas 15), blijft geopend (dat dan weer wel), maar onbegrepen liggen op de tafel. Zondag 2-4 zijn immers even belangrijk als zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus en bij de zelfbeproeving bij het avondmaal (overdenken hoe groot mijn zonde en ellende zijn, hoe ik ervan verlost ben, hoe ik God dankbaar ben) blijf je zomaar steken in de eerste vraag (shit, vanmorgen avondmaal, ik heb me niet voorbereid: Heer, help, ik leef ook veel te weinig concreet met U).

Een goedbedoelde benadering (laten we daar tenminste van uit gaan) werkt zo schade in de zielen van mensen in de hand en de binnenkant van de liturgie wordt misvormd.

Het is maar een opvatting die haar werk doet in zielen van mensen en de ontvangstruimte van de liturgie vormt. Er zijn er zoveel meer (denk aan de gevolgen van alleen mannelijke ambtsdragers), kinderen die wel of niet aan het avondmaal mogen, praten over homoseksualiteit zonder de mens er achter te zien en ga zo maar door). Ze vormen ons. En geregeld misvormen ze ons. Vooral daar waar de combinatie van opvatting en persoonlijke ervaringen (zie boven) elkaar desastreus raken.

Weg

Is er dan wel een begaanbare weg? Ja, die vraag voelde ik natuurlijk aankomen. Wie lost dit op? Een beroep op het wonderlijke werk van Gods Geest is hier wel op z’n plaats. Waar mensen geregeld beschadigende ervaringen op doen en leven in kerken waar opvattingen ook niet altijd dichter bij God brengen, is voor mij helder dat we er goed aan doen heel veel ruimte te maken voor spreken en stilstaan bij het wonderlijke werk van Gods Geest. Hij is als de wind die niemand ziet en niemand pakken kan, laat staan besturen, maar je voelt Hem wel. Goddank is God persoon, eigenzinnig en zelfstandig persoon, die zijn eigen weg gaat met ons.

En er is reden om niet alles te verwachten van de liturgie die in samenkomsten aangeboden wordt. Allereerst is overleveren aan een liturgie geen handige zet, omdat opvattingen en theologisch kader voortdurend (!) tegen het Licht moeten worden gehouden. (Al moet natuurlijk ook gezegd worden dat de Geest daar vrolijk rond waait met zijn bediening van bevrijding (II Kor.5)). Maar mensen moeten ook worden geholpen om de weg naar hun (beschadigde, dan wel door allerlei gebeurtenissen gevormde) ziel te gaan. Dat gaat niet alleen in de samenkomsten. Er is alles te zeggen voor de kleine groep, het kleine contact, waar vertrouwen groeien kan, persoonlijk kan worden gesproken en gebeden. (En ook hiervan moet worden gezegd, dat er veel mis kan gaan.) En voor vormen van pastoraat, waar iedereen actief voor wordt uitgenodigd, waar opening is voor het ontvangen van de leiding van de Geest. Om er aan te werken om de binnenkant van de liturgie, je ziel, gaandeweg opnieuw in te richten. Het zou wel eens kunnen zijn dat pastoraat een belangrijker werktuig is in de gemeente van Christus dan de wekelijkse samenkomst. Om mensen te helpen hun weg naar binnen te gaan. Dat kan goed in kleine ontmoetingen met weinig mensen.

De naar binnen gerichte kerk

Vandaag zijn we als kerken missionair, tenminste, dat willen we zijn. Naar buiten gericht zijn en dat is prima. Maar wil je wervend zijn, dan is het nodig dat de kerk ook naar binnen gericht is. Aansluiten, niet alleen bij de leefwereld en bij de cultuur van vandaag, maar ook gelegenheid geven aan mensen om de weg naar de binnenkant van de liturgie op te gaan. Zichzelf te ontmoeten. Dichtbij die plaatsen te komen waar de eigen geschiedenis verwond is of vervormd. Ik stel me zo voor dat er in de liturgie veel stilte is. Dat er vragen worden gesteld die helpen om stil te staan bij je eigen hart en ziel. Dat we als hoorders uitgenodigd worden om onze plaats te bepalen binnen het bijbelverhaal of thema dat aan de orde is. Dat de vraag wordt meegegeven waarom je nou juist die positie inneemt. Dat er interesse is voor blokkades en je bevraagd wordt op je gevoel en beleving en eigen geschiedenis. De term hoorders is dan ook aan vervanging toe. Aanvulling, dat is beter gezegd: hoorders en reizigers (in je eigen hart), hoorders en verzorgers van de eigen ziel. Dat er voorgangers zijn die in hun manieren van voorgaan zelf de weg naar binnen gaan, als een spiegel, als een voorbeeld voor de hoorders en verzorgers: het kan, het evangelie legt je hart bloot, je mag zelf je hart openen. Het evangelie kan helend inwerken op de misvorming van je ziel, de binnenkant van de liturgie.

Therapeutisch

Wordt het zo niet erg therapeutisch in de kerk? Soms hoor ik die vraag, geregeld ook als afwijzend gesteld: dit willen we niet. Verkondig het woord maar, dat is genoeg. Maar vandaag is ook aandacht voor spiritualiteit, voor een monastieke manier van omgaan met de bijbel in de stilte. Het gaat over dezelfde dingen: het inrichten van je binnenkamer, je hart, de binnenkant van de liturgie, de ruimte waar je je eerdere keuzes leert herzien, als een ruimte waarin je in vrijheid met God kunt zijn. God die heelt, God die je vreugde is, God die met jou het leven vieren wil en viert, God die met je danst. Het gaat juist niet om therapie. Tenminste, als je therapie verstaat als een inspanning van je helper die de goede adviezen geeft die verder moeten helpen. Het gaat er om dat we in de liturgie worden uitgenodigd om met God in de binnenruimte van ons leven te zijn. En als we bij elkaar de knooppunten, beslispunten, pijnlijke ervaringen op het spoor komen, deze in gebed bij God brengen. In het vertrouwen dat Hij helpt. Het gaat er niet allereerst om dat mensen elkaar helpen, maar dat we elkaar biddend in de ontmoeting met God brengen.

Springplank van de week

Wanneer we samenkomen op de dag van de Heer, loven wij en prijzen wij onze God. We hebben de tijd en we nemen de tijd (hopelijk) om dat te doen. Geregeld zit er in onze kerkgang een besef van urgentie: daar moet je bij zijn, daar moet je bij willen zijn. Al of niet gevoed door Hebreeen 10,25. Bij de gemeente die samenkomt, waar samen gezongen wordt en wordt geluisterd, gebeden, beleden, gedeeld en gevierd. Dat samenkomen is fijn, een spiegel van de lichamelijkheid van de kerk: niet zonder jou wil ik geloven, niet zonder jou kan ik geloven. Eén lichaam zijn wij. Het is ook heel wat om daar niet bij te kunnen zijn. Wie niet meer kan om wat voor reden dan ook, heeft daar geregeld behoorlijk last van. Ik omarm dat gevoel van ‘last’. Het is de pijn om gemiste vormen van gemeenschap. Samenkomen is er ook in andere vormen. In groepen door de week, in kleine en grote ontmoetingen. En daar gebeuren dezelfde dingen: luisteren naar de woorden in de bijbel, samen zingen, bidden, belijden, delen en vieren. Super belangrijk en goed.

Toch zit er in deze vormen een ondergrond van vrijblijvendheid, waar ik vragen bij heb. Naar de kerk komen kun je niet afdwingen en naar een kleine groep evenmin. Wie wil komen, komt en wie niet, niet. Voor mij blijft daarmee bedekt dat er nog een andere beweging nodig is die om een actieve inzet vraagt. Dat is de inzet waarbij een gemeentegidsje behulpzaam is: wie zien we op zondag, wie door de week, en wie niet. ‘Samenkomsten’ uit Hebreeen 10,25 betekenent namelijk niet dat mensen naar de kerk op zondag worden gestuurd (u moet uw samenkomsten niet verzuimen). Het woord voor samenkomsten gaat over iets dat niet herhaald wordt en dus eenmalig is: het bijeenbrengen en -houden van de mensen die bij Christus horen. De kerk bestaat niet uit samenkomende mensen bij gelegenheid (in de kerkdienst of in de groep door de week), de kerk bestaat uit mensen die in beweging komen in en door de vrijheid van Christus, voor elkaar. Doordrongen van vrijheid vuren ze elkaar aan, bemoedigen ze elkaar, zijn ze opmerkzaam en scherpen ze elkaar op om goed te doen en lief te hebben.

Eerlijk is eerlijk, een gemiddelde zondagse liturgie geeft hier maar ten dele invulling aan. In ieder geval biedt het vaak geen ruimte aan iedereen, maar is er een predikant en een gemeente die elkaar toezingt en bij monde van de voorganger of voorbidder voor elkaar bidt. Maar ieders mondigheid komt hierin niet erg gericht aan bod in gezochte contacten om te bemoedigen. Een kerkdienst is een inspiratiemoment voor de hele gemeente, die daarna gericht wordt op elkaar, op gesprek over Christus en vrijheid in Hem, op zoeken wie zich niet laat verzamelen. En dan is de kerk(dienst) daar waar men elkaar ontmoet.

Dat we op zondagmiddag minder naar de kerk gaan, kun je betreuren. Je kunt het ook niet betreuren, omdat in de tijd en de vrijheid van werk kansen liggen om juist op die dag elkaar op te zoeken. Of vanuit de groep die je door de week hebt, eenzelfde beweging te maken: wie missen we, wie neemt contact op met wie, hoe spreken we dan met elkaar over God of hoe zijn we luisterend nabij de ander? Vanuit de dienst de gemeente in (of omgang zoeken met je vrienden en kennissen die God niet kennen), de jeugd opzoeken, de broer of zus die niet veel heeft met naar de kerk gaan. Maar afgemeten aan de geluiden die ik juist van deze mensen hoor, gebruiken we onze tijd niet echt voor dit soort acties. Waarom eigenlijk niet? Tijdgebrek? Eigenlijk niet weten hoe je zelf anderen laat delen in Gods vrijheid? Niet weten hoe je elkaar aanscherpt? Schaamte omdat je mogelijk zelf vaak in de kerkdienst bent, maar dit gedrag hebt verzuimd?

Laatst preekte ik hierover in een gemeente buiten Hengelo en kreeg ik een mailwisseling met iemand: ze vond dat ik de kerkgang ondergroef. Die reflex bedoel ik. Ik ondergraaf niks, ik bouw uit. En dat is noodzakelijk, wil kerkgang geen wassen neus worden. Die is er namelijk niet om zichzelf in stand te houden.

Het valt me op dat Hebreeen 25 begint met twee aansporingen die allebei te maken hebben met jezelf laten doordringen van het feit dat we in Christus vrij zijn. Vrij om in de hemel te komen en met God te verwijlen (oef, wat een mooi woord is dat). Die start maakt dat we in beweging kunnen komen. Ik vermoed dat het daar aan schort bij veel kerkgangers, inclusief mijzelf. Dat we onszelf opsluiten in verwachtingen van onszelf en anderen (kom naar de kerkdienst) en niet weten, niet echt tot in onze ziel weten wat vrijheid is. Ik meen dat te zien aan ons geregeld uitblijvende gedrag om uit te reiken naar onze broers en zussen en ze mee te verzamelen in de beweging achter Christus. Want deze vrijheid is in Hebreeen de opmaat om elkaar aan te sporen in beweging te komen voor elkaar. Ieder voor elkaar. Misschien gaan onze kerkdiensten daar wel mank aan, aan de vrijheid in Christus en het vieren van werkelijk verlost zijn.

Samenkomen

Openend leven, openend geven

Dit is een tekst over charismatisch pastoraat, een lezing die ik hield voor de theologencursus van CWN (Charismatisch Werkgemeenschap Nederland). Ik plaats het op deze site, terwijl dit een site is over liturgie, niet over pastoraat. Maar ook in het pastoraat is zoveel sprake van liturgische handelingen, dat ik zo vrij ben om de tekst hier te plaatsen. De lezing moest vooral praktisch zijn. Daarom heb ik het gelaten bij het noemen van (voor mij) relevante literatuur.

 

Het goed recht van inzetten op de Geest

Paulus stelt bekering in zijn tweede Korintebrief (II Kor. 3,18vv) voor als bekering tot de Heer. De Heer wordt echter niet uitgelegd als Jahwe of als Christus, maar als de Geest. Dan moet de Geest wel een Persoon zijn. In Mozes’ tijd verdroeg het volk Israël niet om de heerlijkheid van God te zien in Mozes’ blinkende gelaat. Het mocht die heerlijkheid van God ook nog niet gaan verdragen, omdat het volk zich niet moest blindstaren op wat voorbij zou gaan. Vandaar het doek over Mozes’ gezicht. Met de komst van Christus is gekomen waarop gewacht werd. Blijvende heerlijkheid, waarnaar Israël moest leren uitzien en die christenen van vandaag mogen tonen. Wie zich tot de Heer, dat is de Geest, wendt, gaat blootshoofds door het leven: het doek is weg. En met het verdwenen doek worden er verschillende dingen zichtbaar en merkbaar. Vrijheid is daar, waar de Geest is. Vrijheid om te spreken over het evangelie (waarin Paulus beknot werd). En waar die vrijheid in de uitleg van dit vers geregeld beperkt wordt tot vrijheid om te spreken (vgl. bv. T.E. van Spanje, 2 Korintiërs. Profiel van een evangeliedienaar, in de serie CNT3, 2009, Uitgeverij Kok-Kampen), ben ik zo vrij om die vrijheid ook te betrekken op de kern van het veranderingsproces van een christen. (De getoonde heerlijkheid van Christus is argument voor Paulus’ vrijheid in zijn spreken. Maar de uitspraak ‘waar de Geest is, is vrijheid’, is zo algemeen, dat het me de indruk geeft dat de algemene uitspraak hier door Paulus wordt toegepast op zijn concrete situatie (spreken) en tegelijkertijd een bredere betekenis heeft: de vrijheid in Christus, vgl. vs. 9. Die vrijheid zal een christen steeds meer eigen worden, vgl. vs. 18). De vrijheid die de Geest brengt zal de mens veranderen. We zullen de luister van de Heer, van God, zien als in een spiegel. Dat is Christus, spiegelbeeld van zijn Vader. Wie Hem onbedekt ziet, zal gaan lijken op Christus zelf. Als de verpersoonlijking van vrijheid. Daarmee wordt ‘vrijheid’ voor de bekering tot de Geest die leidt tot Christus, een kernbegrip. In mijn ogen ook in het pastoraat dat door de Geest gestempeld wordt.

 

De pastor eerst

Ik zal jullie laten delen in een vriendschap die ik heb en jij hopelijk ook. Mijn vriendschap met de Geest van God die in mij woont. Hij woont er al lang, maar sinds een paar jaar is Hij of ben ik begonnen aan een flinke renovatie van mijn huis, dat eigenlijk ook zijn huis is. Waarom we zo lang hebben gewacht met deze renovatie, is me onhelder. Kennelijk is het op een gegeven moment zover. Of moet ik zeggen dat het mijn vriend veel tijd en inspanning heeft gekost om mij zover te krijgen in te stemmen met renovatie? Dat zal meespelen. Voordat ik jullie meeneem in charismatisch pastoraat, pastoraat aan anderen dan aan ons zelf, in de functie van pastor, moet ik jullie iets vertellen over mijn ervaringen als pastorant van mijn vriend, de Geest van God. Dat doe ik, omdat ik merk dat in de bijbel zelf de mens die aan het werk wordt gezet met andere mensen, eerst met zichzelf aan de slag moet.

  1. Wie wil oordelen over anderen, wordt dat niet alleen ontraden, maar hij moet wennen aan het feit dat het met hemzelf erger is dan met de mens van wie hij wat vindt (Matteüs 7). Dat is het eerste aandachtspunt.
  2. Voordat leerlingen van Jezus de wereld ingestuurd worden, gaan ze in de leer bij Jezus (vgl. de evangeliën).
  3. Als de gemeente wordt aangesproken om zich als kerk te bewegen ten opzichte van een risicogroep in de gemeente, wordt zij eerst herinnerd aan waar ze zelf staat en moet staan (Hebreeën 10). ‘Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, en in plaats van weg te blijven bij de bijeenbrenging (door Jezus), zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat temeer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen’, het zijn evenzovele pastorale termen die je om de oren vliegen. Maar er aan vooraf gaan twee aansporingen die je niet kunt missen in je voorbereidingen als pastor. 1: ‘nader God met een oprecht hart en een vast geloof, nu je hart is gereinigd en we van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water is gewassen.’ 2: blijf zonder wankelen belijden waarop we hopen. Want God is trouw. Het is ook wel vanzelfsprekend toch. Wie wil niet geholpen worden door de overspelige vrouw? Die weet wat vergeving is en leven in de ruimte die Jezus geeft.

Mijn ervaringen met charismatisch pastoraat hebben alles te maken met loslaten. Angsten, niet durven zeggen dat ik God niet vertrouw, een theologisch denkkader waarin ik het simul iustus et peccator verkeerd verwerkt had, wantrouwen tegen mensen die zegenen, niet openstaan voor het spreken van God in de stilte en ga zo maar door. Dat is afgebroken en het wordt geregeld nog weer verder afgebroken. Wat ik er zorgelijk aan vind, is dat ik zolang gedacht heb ‘er wel te zijn’. En steeds weer te merken dat er zoveel om vernieuwing vraagt. Maar ik heb dat proces ook leren omhelzen. En hoe meer ik het omhels, hoe duidelijker de kritische vraag bij me blijft in mijn pastorale bezigheden: of ik wel goed bezig ben. Juist daarin bewijst de vriendschap met de Geest van de vrijheid zich steeds. Geen zelfveroordeling is nodig, geen zelfverheffing ook. Het leidt af van het feest dat Vader heeft klaar staan, elke dag. Feestend wordt er geleerd en kom je verder in je bediening (Lucas 15).

Om concreet te zijn: rond mijn twintigste werd ik stevig ziek, ik leed aan heftige depressies. Door goede vrienden kwam ik uit mijn diepste dalen, maar het heeft tot mijn dertigste geduurd dat ik een therapeut opzocht. Die heeft mij met behulp van rebirthing en de techniek van verbonden ademhaling zeer geholpen. Ik ontdekte dat ik veel meer kon dan ik dacht. Mijn beeld over zonde als ‘tot niets goeds in staat’ ging gelukkig overhoop, maar aan het einde van mijn hersteltocht bleef ik vermoeid achter. Ik was dan wel bij mijzelf uitgekomen, mijn kern en wat niet al van mij. Maar God in concreto vervaagde. Terwijl ik toch in mijn tijd van herstel vaak gedacht heb: ik leef op de adem van Gods stem, hoe mooi past deze therapie van verbonden ademhaling daarbij!, ik was de ademhaler en hersteller. Ik had meer profiel gekregen, maar God niet echt. Na een hartaanval kwam ik bij In Christus Heel (https://gebedspastoraat.nl/). Daar was stilte, daar was kwetsbaarheid, daar was ruimte, daar was samenhang tussen zonden, wonden, bindingen en tegenkrachten, daar was aandacht, er was zelden duiding en als deze er al was dan heel voorzichtig en ter overweging, er was gebed en zegen en viering, geen veroordeling, er was ruimte en vrijheid.

Ik merkte dat de achterkant van mijn verlangen naar een concrete God vol hing met veroordeling van God en medemensen, van teleurstelling en frustratie, van zelfverheffing en zelfvernedering. In die ruimte ben ik gaan groeien en ontwikkelen. Ben ik de Geest van de Vrijheid gaan proeven en ontmoeten. Ben ik meer op Jezus gaan lijken. Werd de Geest mijn vriend. Kenmerkend aan het pastoraat dat ik ontving, is dat de pastor wezenlijk en onbelangrijk was. Wezenlijk, in de zin van onmisbaar model van overgave aan God. Onbelangrijk, in de zin van ruimtemaker voor een ontmoeting tussen God en mij als pastorant. Dat vind ik een belangrijk kenmerk van charismatisch pastoraat, zoals ik het waarnam: de pastor is zeer bescheiden en maakt in zijn en haar pastoraat ruimte voor ontmoeting tussen pastorant en God.

 

Positiebepaling ten opzichte van verschillende vormen van pastoraat

Van der Meulen (H.C. van der Meulen (red.), Liefdevol oog en open oor. Handboek pastoraat in de christelijke gemeente, 1999, Uitgeverij Boekencentrum in Zoetermeer) volgt Heitink in zijn typeringen van pastorale richtingen (G.Heitink, Pastorale zorg. Theologie-differentiatie-praktijk, in de serie Handboek Praktische theologie, 1998, Uitgeverij Kok-Kampen): hij behandelt kort pastoraat als verkondiging, therapeutisch pastoraat en hermeneutisch pastoraat en komt dan tot een eigen positiebepaling. Ik typeer nu even grofweg.

Pastoraat als verkondiging, ook wel kerugmatisch pastoraat, richt zich op de boodschap van evangelie en gebod. Die boodschap bepaalt het gesprek. Het woord maak de mens vrij van alles wat hem vermoeit en belast. Hij wijst naar God die in Christus verzoent. Gebed om de werking van de Geest staat in deze benadering centraal. Pastoraat is bidden, stelt Thurneysen dan ook. Deze Geest waarom gebeden wordt, werkt door het Woord heen en brengt verandering. Pastoraat is geen eenrichtingsverkeer: gesprekspartners mogen elkaar tot dienaar van Gods Woord zijn. Menswetenschappen doen beperkt mee. Bevrijding van zonde en schuld vormt de kern.

Therapeutisch pastoraat zet in op het gevoelsleven van de pastorant. Deze richting is ontstaan vanuit de pastorale arbeid in een psychiatrische inrichting. De verbinding tussen God en mens krijgt alle nadruk. Aanvaarding is een kernbegrip, genade is ‘weten dat je er mag zijn’. Belangrijk is dat de pastorant geholpen wordt om zichzelf te helpen. Heling is dan ook beperkt tot een ander weer op weg helpen. De pastor is de vroedvrouw die het nieuwe leven helpt baren en leert lopen.

Hermeneutisch pastoraat probeert tussen kerugmatisch en therapeutisch pastoraat een brug te slaan. Deze vorm van pastoraat wil komen tot verstaan. Verstaan van Schrift en traditie aan de ene kant en van de menselijke ervaring aan de andere kant, als gelijkwaardige partners. Openbaring en werkelijkheid beïnvloeden elkaar. Deze benadering noemt Heitink ook pneumatologisch. De Geest schakelt de mens immers volop in en er moet sprake zijn van een kritische wisselwerking. Het heil is exclusief, maar het neemt de hele mens serieus en inclusief. De pastor moet hierin tweetalig zijn, de taal van de schrift en traditie als de taal van de pastorant leren verstaan.

Charismatisch pastoraat maakt zich in mijn ogen een stuk minder druk. De pastor is wezenlijk, maar ook onbelangrijk. Net als in andere vormen van pastoraat is het Woord van God van groot belang. Het gebed omringt en doordringt elk pastoraat. De pastorant wordt als hele mens verwelkomd, de samenhang tussen zonden, wonden, bindingen en tegenkrachten wordt scherp in het oog gehouden.

Charismatisch pastoraat is gericht op heelwording, in een proces dat voortgaat. En toch is het anders dan anders. Het Woord van God wordt ontvangen in de stilte, het woord van de pastorant wordt ontvangen met eerbied en respect. Steeds is men intuïtief op de pastorant betrokken die overigens helemaal meedoet. De Geest is namelijk een ‘allemansvriend’. Biddend is men er op uit om als pastor tussen pastorant en God uit te piepen en die twee samen te laten gaan. Wezenlijk en onbelangrijk, in afhankelijkheid van het werk van Gods Geest.

De pastor is niet belangrijker dan de pastorant. Dat komt onder andere uit in het aanhoudende gesprek tussen pastorant en pastor: is wat ontvangen wordt van God (een lied, een beeld, een schriftwoord) werkelijk bruikbaar of juist niet. Wat van God wordt ontvangen krijgt zo een vorm van toetsing: niet alles wat ontvangen wordt is van God of kan worden gebruikt.

Charismatisch pastoraat maakt zich een stuk minder druk, zei ik. Het Woord wordt gebruikt, ontvangen en gelezen. Gebeden worden uitgesproken. Er wordt getoetst, gezegend en nadrukkelijk gewerkt in de overgave aan God. Vanuit het vertrouwen dat Gods Geest er is en verder helpt. Dat is dan ook de reden dat er terughoudendheid wordt betracht bij het duiden van het verhaal van de pastorant. Hoe meer duiding door de pastor, hoe therapeutischer het wordt, hoe meer de pastor aanwezig is, hoe minder overgave. (Door mijn therapie jaren geleden, ben ik therapeutisch gevormd. Dat klonk en klinkt door in mijn pastoraat. Charismatisch pastoraat heeft me erop gewezen dat ik als pastor dan zomaar te belangrijk wordt, te aanwezig: geef ruimte aan God, wees dienstbaar aan het proces, laat het los). Het verhaal wordt in invoelend gebed bij God gebracht. Pretentieloos is de pastor in het pastoraat bezig: wezenlijk en onbelangrijk.

Ongetwijfeld is mijn weergave gekleurd door mijn ervaringen bij In Christus Heel. Ik kan dat niet voorkomen, omdat dat mijn praktijkkader is. Maar in mijn eigen pastoraat neem ik zaken over. In de voorbereiding op het pastoraat bijvoorbeeld, al kan ik daarin nog erg groeien. Het gebeurt me zomaar nog dat ik vanuit mijn andere werk een pastoraat inrol. Niet handig is dat. Een half uur van tevoren stoppen. Bidden, stil worden. Me richten op de pastorant, biddend hem of haar voor God brengen. Zie ik beelden, zingt er een lied in mij, komen bijbelwoorden bij me boven: ik noteer ze. Focus op wat vrijheid is, wie Christus is. Voor mijzelf geen zelfvernedering, geen zelfverheffing, geen jongste zoon, geen oudste. Me richten op het feest dat Vader met mij wil vieren in vrijheid. Bidden om in die gesteldheid van hoop en vreugde bij de ander kunnen zijn. Die ander is er namelijk ook zo één: van Christus, vrij, maar aangevochten. Hoe vaak het thema schuld en schaamte niet ter sprake komt of te ontwaren is in gesprekken met gereformeerde christenen! En dan niet alleen maar schuld als persoonlijke schuld, zoals bij het kerugmatische pastoraat, maar ook als macht die mensen in de greep heeft en mensen laat neerzitten bij machteloosheid en faalgevoelens.

 

Helend handelen

Er is ook bevrijdend handelen binnen het charismatische pastoraat. Wat ik wil gaan doen, is het Onze Vader een plek geven binnen het pastoraat. Ik denk dat Jezus daarvan zegt in Lucas 11, dat het een bede is om de heilige Geest. Het is als vragen om de omarming door Vader: laat uw naam geheiligd worden en uw koninkrijk, laat het komen. Door ons toedoen. Alleen daarvoor al heb je Gods kracht nodig. Maar die arm om je heen schept ook een veilige ruimte. Om de meest kwetsbare vragen te stellen: geef ons brood, vergeef onze zonden, bescherm ons. Als Gods armen om ons heen zijn, als we kracht krijgen om die armen om ons heen te bidden, dan opent zich onze ziel voor het meest kwetsbare van een mens: eten, vergeving, bescherming. En dan zegt Jezus een paar verzen verder: ik zal de Geest geven aan wie Vader erom vragen.

Altijd zie ik uit naar het moment om pastoranten te zegenen. Helaas een vergeten hoofdstuk in mijn kerken (gereformeerde kerken) dat op nieuwsgierigheid en weerstand stuit als je het opent. Terwijl het toch onze roeping is (I Petrus 3,9). Maar als de pastorant instemt met het krijgen van een zegen, is het eindeloos fijn om dat te doen. (En als je zegenen mag/wilt, vraag dan ook aan de pastorant of je je hand op zijn/haar hoofd/schouder leggen mag. Ga integer met lichamelijkheid om.) Ik zegen je met liefde van God, met barmhartigheid, genade en Gods lichtende gezicht. Ik zegen je met vrede, in de Naam van Vader, Zoon en Geest. Om dan de pastoranten in de ogen te zien en blijdschap en dankbaarheid te zien. Alsof ik in de zegen deel, blijf ik dan achter in mijn werkkamer of ga ik weer terug naar huis. Ik vat op basis van Genesis 1 zegenen op als het goede van God zich laten vermeerderen. En zie, het was goed, zegt God over de schepping. En het leven zegent Hij vervolgens: wees vruchtbaar en vul de aarde. Van zegenen gaat kracht uit van Gods Geest. Het goede vermeerdert zich. Een zeer angstige psychiatrische patiënt ervaart vrede en rust als ik haar zegen. Onwaarschijnlijk mooi. Zie hierbij bijvoorbeeld het boekje van A. de Haan, ‘Nou, het beste’. Over zegenen gesproken, 2001; J. Westland, Een hand boven je hoofd. Over zegenen in leer en leven, 2007, Artios reeks, uitgeverij Groen in Heerenveen; Cl. Westermann, Der Segen in der Bibel und im Handeln der Kirche, München 1968)

Ik noem een voorbeeld met betrekking tot gebruik van rituelen. Neem een jongen tussen 6 en 14 jaar. Beweeglijk in de kerk, door zijn ouders verfoeid (schuld en schaamte ontwikkelen zich al vroeg). Vader zegt na elke dienst: of geen taart en naar boven, of een pak slaag. De man die jaren later voor mij en een andere pastor zat, koos altijd voor het pak slaag, acht jaar lang. Hij voelde zich schuldig en gaf zijn vader gelijk. Zijn pantser bleek dik. Kort daarop kwam hij weer. Diepweg had hij zo’n verlangen om avondmaal te vieren. Maar hij ging nooit, hij voelde zich zo schuldig. En hij wilde zo graag. Nu?, vroegen we. En zijn ogen zeiden ja. Toen hebben we avondmaal in elkaar gefabriekt met een beker en een schaal, sap en brood. En avondmaal gevierd. Ik zal het nooit vergeten. De volgende dag brak hij en vervolgde hij zijn weg. Avondmaal vieren doe je in de kerk. Je krijgt ruimte van Gods Geest om die kerk te ontwaren en dan te handelen.

Een andere vorm puzzelt mij. De vrijheid om genezing uit te spreken bij zieken. Ziekenzalving is een prachtig ritueel. Daarbij bidden we in het vertrouwen dat de zieke zal genezen (hier of bij God thuis), met de olie als zichtbaar teken van de werkzaamheid van de Geest. Maar eerder in de schrift gaat het anders, als de leerlingen op pad moesten gaan om in Jezus Naam zieken te genezen en demonen uit te drijven, en het gebeurde. Jezus zegt aan het slot van Marcus dat tekenen de gelovigen zullen volgen. Ik lees dat als een gift aan de kerk en de geschiedenis van de kerk laat het zien. Aan het slot van Matteus staat dat leerlingen van Jezus de volken moeten leren ‘alles wat Ik jullie bevolen heb’. Dat is meer dan de bergrede, het is de liefde, het is ook genezen. Ik spreek op afstand (als Jezus) en soms ook bij de pastoranten, genezing uit in Gods Naam. Eén keer ben ik verrast door daadwerkelijke genezing. Bij iemand die zelf gelooft in genezing op gebed. De pastorant vertelde me dat hij tegen God had gezegd, nadat ik bij hem geweest was: U kunt Robert nu niet laten zakken, Vader! Verder heb ik niet gehoord van genezing op mijn uitspreken van genezing. Korte tijd  geleden overleed een jong mens, over wie ik ook genezing had uitgesproken. Dit puzzelt mij. Een enkele keer vindt het plaats. En dan heb ik het nog niet gehad over de vraag hoe de algemene uitspraak van Jezus tot al zijn volgelingen (leer ze wat ik bevolen heb) zich verhoudt tot de gaven van de Geest, waarbij de Geest de één deze, de ander een andere gave geeft. Totnutoe ben ik vrijmoedig en heb ik vragen: hoe zit dit eigenlijk? Deze vragen worden voor mij belangrijker, als wij opgeroepen worden om alles wat we doen en zeggen te verrichten in Gods Naam (Kolossenzen 3). Dat is heel breed, maar in de evangeliën valt daar het uitspreken van genezing in ieder geval onder. En ik heb zelf ervaren dat het uitwijzen van demonische machten in Naam van Jezus mij wel herstel heeft gebracht. Hoe gaat dat dan bij genezing? (vgl. W.J. Kok en R.R. Hausoul, Jezus geneest. Rijkdom van Gods nieuwe schepping, 2016, Uitgeverij Gideon in Hoornaar; L.T. Johnson, Miracles. God’s presence and power in creation, in de serie Interpretation. Resources fort he use of scripture in the church, 2018, Westminster John Knox Press in Louisville/Kentucky; vgl. ook voor enig tegenwicht P. Yancey, Waar is God als ik pijn heb?, 4e druk, 2008, Uitgeverij Kok-Kampen)

 

Afsluitend

Charismatisch pastoraat is pastoraat vanuit de visie dat de Heilige Geest de verbinding legt tussen Vader, Zoon en ons. In het scheppingsverhaal is Vader Schepper en de Zoon het Woord, de Geest zweeft over de wateren. Als een duif, tekent Halldorf er bij aan in ‘Vol van de Geest’, die boven haar nest is en haar jongen grootbrengt (P. Halldorf, Vol van de Geest. Hoe de Heilige Geest het dagelijks leven verrijkt, 2018, blz. 38, Uitgeverij Carmelitana, Ark media). In het verlossingsverhaal is Vader de Zender van Jezus, de Geest is de Activator van Jezus, en Jezus is de Zender van de Geest naar de aarde. De Geest is degene die het leven van God overbrengt naar de aarde en daarin de Zoon en de Vader verheerlijkt! Die levenscheppende kracht opent het leven in termen van verlossing en bevrijding en vernieuwing en wil ons als pastors gebruiken om openend te leven. Het charismatisch pastoraat schenkt me het volgende:

  • Herstel en heling in mijzelf, als een confronterend en vreugdevol proces.
  • Mijn schuld voorbij, zelfvernedering en zelfverheffing voorbij en leven op de toonhoogte van het feest. Ik ben niet vrij in Christus en tegelijk zondaar voor God. Ik ben wel een zondaar zonder Jezus aan te nemen. Maar met Hem is de zaak tegen mij aangespannen voorbij. In Christus ben ik vrij: de macht van zonde is gebroken en mijn schuld is weg. Die vrijheid schenkt de Geest, mijn vriend, die mij op Christus richt.
  • Een houding van hoop bij de ontmoeting van pastoranten in de gemeente. Ik mag leven uitdelen en openend bij de ander aanwezig zijn.
  • Een houding van bescheidenheid: Gods Geest is bezig.
  • Een houding van nieuwsgierigheid: waar wil Hij beginnen met de ander? Welke tekenen geeft Hij mij?
  • Vrijmoedigheid om openend te handelen: zegenend aanwezig te zijn, tekenen van hoop op te richten, genezing uit te spreken.
  • Altijd vrijheid die de Geest geeft te bezien in relatie met Christus: Hij geeft vrijheid, zal ik die vrijheid dan niet ook aanwenden om met Hem te leven? In gehoorzaamheid, in lijden, in toewijding en ijver.

 

Lezing charismatisch pastoraat voor de theologencursus CWN op 31 oktober 2019

 

Bidden om verlossing tot Hem die je laat lijden? (Over psalm 88)

Psalm 88 is in meer levens waar dan ik wil geloven. Ooit ook in mijn leven, maar die duisternis is voorbij. God zij geprezen! Maar de duisternis herinner ik me als de hel. Ik droomde ooit over een gevecht om mij. Ik zag de satan aan mijn voeten trekken. Achter mij trok God, of Jezus. Geen van beiden won. Niemand weet hoe je je dan voelt, ik inmiddels ook niet meer. Hel was het, of erger, niet minder. Ik heb wonderlijk goede hulp gehad en mijn leven is licht geworden. Genezen worden was God terug vinden, maar dan beter dan voorheen.

Maar niet voor iedereen geldt dat. Ik kom meer mensen tegen die in de duisternis leven, aanhoudend depressief, om wat voor reden dan ook. Of er is een andere reden die de entree vormt voor volkomen vreugdeloosheid in het leven van alledag. Er is geen licht in de tunnel. Er zijn er bij die blijven geloven in God. Het lijkt een wat uitgekleed geloof. ‘God is er, dat houd ik vast. Met mijn verstand en weten.’ En dat lijkt mogelijk. Als je wordt opgeroepen om God lief te hebben met heel je hart, je verstand en al je krachten, en één van die krachtbronnen doet niet meer mee, dan loop je op die andere bronnen achter God aan. Als je hart niet kan meekomen, is dat heel erg. Maar als er angst heerst in je hart voor het gevoel dat overblijft, als je bang bent voor de angst dat alle andere gevoelens overvleugelt: ‘als God echt dichtbij komt, als hij echt mijn hart ziet, als hij mijn hel ziet, als ik mijn hel met hem bekijken ga… dat overleef ik niet, ik hou het voor hem verborgen. En voor mijzelf en voor anderen.’ Soms is het erfelijk of lijkt het erfelijk, ik kan dat niet bekijken. Vaker dan ik wil is er duisternis in levens van mensen, leven zonder uitzicht.

Hoe gaat het dan met God? Bidden verstomt, kerkgang verdwijnt, interesse van anderen in jou verzwakt omdat je niet meer onder de mensen komt (dat wil je zelf geregeld ook niet meer, want dan komt de donkerte weer naar boven).

Lege dop

Psalm 88 is een half lied, zo lijkt het. Ooit hoorde ik er iemand over preken: psalmen bevatten vaker treurnis, maar in veel liederen is er een wending. Ervaren redding en hoop breken dan door. Maar soms keert het lied zich pas in de hemel. Psalm 88 is zo’n lied. Het wordt (vast) afgeschreven in de hemel. Niet op aarde. Ik vind dat een prachtig beeld en relevant om dit lied ter sprake te brengen. Maar hoe mooi zo’n gedachte ook is, het maakt schrijnend duidelijk dat mensen soms in dit leven worstelen met verlatingsgevoelens, angstgevoelens, onder de medicatie zitten, geen hoop ervaren. En niemand helpt ze er vanaf. Geen therapie (of de goede wordt niet aangereikt), geen mensen (die haken af en worden niet verdragen), geen God (die reageert niet in de vorm van het zo verlangde herstel). Deze zieke mensen zouden tevreden zijn met een half ei, vermoed ik, maar leven met een lege dop. Zo lees ik Psalm 88 dan ook. ‘Heer God, mijn redder, ’s nachts schreeuw ik het uit, overdag zit ik voor U neer.’ Kan het schrijnender? Kun je dit uitleggen als ‘gelukkig heeft hij zijn geloof nog, want de dichter noemt God nog zijn redder?’ Zo wordt het vaak uitgelegd. Ik doe dat niet. De dichter bidt tot God en lijkt dicht bij het opzeggen van zijn vertrouwen op God. Het zou mij niet hebben verbaasd als er zoiets zou hebben gestaan: U bent machteloos. U doet niks. U kunt niks. Maar dat staat er niet.

Erger nog

Het is eigenlijk nog veel erger. God doet juist een boel in de ogen van de schrijver: Hij bezorgt de psalmdichter dit lijden, levenslang (vers 16). Dan wordt het wel een heel lastige voorstelling. God is redder, maar wordt als verdoemer ervaren en in beeld gebracht. Of zeg ik dat te sterk? Zeg het zelf. De daaropvolgende psalm heeft ook al zo’n dramatisch verloop qua godsbeleving. Van een God van trouw naar een God die zich voor zijn kinderen verborgen houdt.

Bij de voorstelling van de dichter heb ik juist op dit punt ook wel een vraag aan hem. Er kan verband zijn tussen zonde en ziekte. Psalm 32 legt dat verband helder. Maar dan is die zonde goed te duiden en in beeld te brengen. Er is zonde, en daarom ziekte. Maar dat kun je niet omkeren. In het boek Job krijgen de vrienden van Job het verwijt dat ze het lijden van Job één op één verbinden met zonden van Job, die hij wel gedaan moet hebben. Nu lijkt het er niet op dat Psalm 88 de schrijver zichzelf ziet als zondaar. Nergens belijdt hij schuld. Die optie blijft buiten beeld. Toch ziet de dichter het lijden dat hem overkomt als een daad van God die zich vertoornt (8.17). Kan het zijn dat de dichter zich vergist? Soms lijden mensen zo dat ze God niet goed meer kunnen begrijpen. En werken ze met een beeld van God dat niet goed is. Tegelijkertijd stelt de schrijver van de psalm dat hij niet weet waar hij aan toe is, waarom het allemaal gebeurt (15-16). Hij zoekt naar antwoorden, maar vindt ze niet. Maar, en dat valt ook op, satan als bron van kwaad blijft ook ongenoemd. Merkwaardig vind ik dat. Ik zou hem wel noemen. Ik zou het ook zo oplossen. God goed, satan kwaad. Maar Heman doet het niet, juist niet.

Cynisch

Het beeld wordt steeds cynischer. Er is een mens in nood en het gaat over iets meer dan over een schaafwond op zijn knie. Hij is stervende. God is zijn redder, maar God grijpt niet in. God is niet zozeer machteloos, maar actieve speler in het aanhoudende lijden. God brengt dit kwaad. Dat is in ieder geval zoals de dichter zijn situatie beleeft. God is onnavolgbaar voor hem. Dat is nog een tamelijk milde en verhullende formulering. De dichter roept God aan als redder, als de goede partij, en spreekt hem aan als de brenger van onheil. Waar een zonde buiten beeld blijft en het hele leven wordt geschetst als een lijdensweg, kun je op je vingers natellen dat het moment van afscheid van God nabij is. Dat doet de dichter overigens nadrukkelijk niet, afscheid nemen. Maar wat moet je met een God die als innerlijk tegenstrijdig wordt beleefd?

Christus

Ik breng hier Christus ter sprake, zoals Paulus hem noemt in II Korinte 1,18-20:

‘Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus, die wij, Silvanus, Timoteüs en ik, aan u verkondigd hebben, was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In hem worden alle beloften van God ingelost; en daarom is het ook door hem dat we amen zeggen, tot Gods eer.’

Wat mij betreft is dit woord van Paulus de grond onder de klacht van de Ezrachiet Heman. Als je leven een ‘nee’ wordt, als het niet is uit te houden, schrijft Jezus zijn ‘ja’ onder je klagen: je leven rijmt niet op Gods ja, schreeuw het uit, hou je niet in, klaag bij God.

Blijvende duisternis

Ik kom er niet mee uit, met dit beeld van God uit psalm 88: Verlosser en Bewerker van kwaad. God is goed. God is liefde. Ik ben niet degene die dat wenst en het daarom zegt. God laat zich kennen als de liefde en zo wordt hij ook beleden in de schrift (I Johannes 4). Maar ik zie er mensen tegenaan schampen en schuren: het wordt maar geen licht. Wie geeft me dit leven? Verlost God me niet? God staat hier niet buiten, maar hoe staat hij dan binnen dit lijden? En elke vraag opent ruimtes waar mensen zoeken naar houvast, maar het niet vinden.

Mee klagen

Psalm 88 roept om een gemeenschap van klagers. Een gemeente die het ongerijmde van broers en zussen afdoet als ‘die zeurt altijd’, heeft dit lied niet goed gesnapt. De Korachieten zingen in beurtzang met de lijdenden mee. Mee klagen met de lijdenden, dat is ook een taak van de kerk. En het ongerijmde niet pikken, niet accepteren, bezwaar aantekenen. ’s Nachts bij de lijdenden zijn die niet kunnen slapen. Overdag naast ze zitten voor God. Weken-, maandenlang. Zoals de studenten in Hongkong protesteren tegen een omstreden uitleveringswet. God herinneren aan zijn ‘ja’, gemarkeerd in zijn Zoon. Kom over de brug, God, met redding en bevrijding! Wij noemen U bij uw Naam: Jahwe, ‘Ik ben er bij, reddend en bevrijdend’. Maar waar bent U dan bij, en hoe moeten we U noemen, waar zien we de contouren van uw Naam?

Zo wil ik bij de lijdenden zijn. Hun ontreddering is mijn ontreddering. Hun God is mijn God. Hun ongerijmde leven is mijn ongerijmde leven. Ik heb Christus aan mijn kant, want in Hem is het ‘ja’. God is betrouwbaar. Ik hoef niet uit te testen of dat wel waar is. Ik claim het als een Woord van God zelf over zichzelf en breng het God in gedachten namens de lijdenden, omdat hij zijn betrouwbaarheid heeft onderstreept en waargemaakt in zijn Zoon. En in mij, ooit. Het is mijn bede dat de ogen van de lijdenden opengaan voor Jezus. Die in de allerdiepste diepten was als bondgenoot, als redder en bevrijder, weg naar het licht. Van God.

Verwante blog:
De liefde laat geen ruimte voor angst

Voor in de liturgie:
Als ik bang ben
U neemt het brood